Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Een goede keuze voor een goed doel

7 mei 2021 Koen Smets
collection box

Als je een effectieve altruïst bent, dan zou je – zoals de naam suggereert – oog hebben voor de doelmatigheid van het werk van een liefdadigheidsinstelling. De mate waarin ze haar missie (en indirect ook de jouwe) realiseert is dan de primaire maatstaf waarmee je de mogelijkheden beoordeelt en je uiteindelijke keuze maakt. Dat is echter niet altijd zo makkelijk te bepalen. En is liefdadigheid niet sowieso iets dat je met je hart doet, eerder dan op basis van koude, onpersoonlijke berekening?

Harvard-psycholoog Lucius Caviola en collega’s bekeken de redenen waarom mensen bepaalde goede doelen kiezen, en waarom ze daarbij vaak lang geen effectieve altruïsten zijn. Daarbij identificeerden ze twee categorieën van redenen: motivatiegerichte en kennisgerichte redenen.

Het hart

In de eerste groep treffen we meteen de vergaarbak ‘voorkeuren’. We hebben allerlei voorliefdes – voor eten en drinken, voor kleren, en zo meer – die niet gebaseerd zijn op beredeneerde beoordeling. Die voorkeuren voelen gewoon goed aan – en dat kan evenzeer het geval zijn voor liefdadigheid: je steunt misschien liever Unicef dan 11.11.11. Verwant hiermee is wat de onderzoekers 'nauwe affectieve motivatie' noemen. In het bijzonder wanneer onze bedoeling is iemand te helpen, worden we gemotiveerd door wat onze empathie en sympathie aanspreekt. Waarom? Dat kunnen we niet rationeel uitleggen.

Een andere factor die meespeelt bij onze keuze van een goed doel, is een persoonlijke connectie met dat doel. Die invloed is een soort heuristiek: een vuistregel die ons vertelt dat, als we een herkenningseffect ervaren met een belangrijk aspect van ons leven, we daarvoor maar moeten gaan. Daaraan gerelateerd speelt ook de nabijheid in ruimte of tijd mee. Als zo’n goed doel in onze buurt actief is, heeft het een voetje voor. Dat kan ook zo zijn voor instellingen die onmiddellijke steun geven, eerder dan in te zetten op toekomstige generaties. Hier gaat het meer om een cognitieve bias: een neiging te verkiezen wat nabij en familiair is boven wat veraf en onbekend is.

We worden in onze keuze minder aangesproken door grote getallen en statistieken, een fenomeen dat bekend staat als het veronachtzamen van de omvang. Een reden daarvoor is dat we voelen dat onze bijdrage hier slechts een druppel op een hete plaat zou zijn.

Tenslotte speelt vaak het effect dat een gift kan hebben op onze reputatie: de sociale beloning die anderen ons gunnen voor het steunen van een goed doel, is lang niet altijd verbonden met de doelmatigheid ervan.

Het hoofd

We hebben de neiging vrijgevigheid (die van anderen en de onze) te meten aan de hand van het offer dat iemand ervoor maakt, en niet aan de hand van het resultaat – we waarderen de input meer dan de output. Dat doet denken aan een anekdote van gedragseconoom Dan Ariely: mensen die zichzelf hebben buitengesloten betalen met plezier de rekening aan een onervaren slotenmaker die een vol uur nodig heeft om ze te helpen, en daarbij ook nog eens het slot breekt; maar ze klagen wanneer een ervaren slotenmaker, die ze in nauwelijks vijf minuten weer naar binnen kan laten (en daarbij het slot in perfecte staat achterlaat), hetzelfde bedrag aanrekent.

Daarnaast hanteren velen een ongeschikte vuistregel voor de kosteneffectiviteit van een liefdadigheidsinstelling: het percentage overheadkosten (of het percentage van de donaties dat terechtkomt bij de begunstigden). Deze maatstaf is een slechte indicator van de werkelijke doelmatigheid (om goed te doen heeft een liefdadigheidsorganisatie immers behoorlijke infrastructuur en competente medewerkers nodig, en dat kost geld). Bovendien, zo vonden de onderzoekers, geloven we eigenlijk niet dat de doelmatigheid van een liefdadigheidsinstelling werkelijk kan worden gemeten, en geloven we dat de verschillen in feite verwaarloosbaar zijn.

Een ware effectieve altruïst zou zich natuurlijk niet laten leiden door al die onechte invloeden, en simpelweg de juiste feiten en bewijsmaterialen verzamelen om na te gaan waar hun liefdadige euro de grootste impact heeft.

Het opportunisme van een goed doel steunen

Het lijkt wel alsof we voortdurend geleid worden door wat goed voelt, terwijl we eigenlijk beter koel en gereserveerd de feiten zouden bekijken en uitwerken wat ons het beste dient. Maar is dit contrast tussen hoofd en hart, tussen rede en emotie, echt een correcte weerspiegeling van wat gebeurt? Niet echt.

Want wat gebeurt er na een bewust, beredeneerd proces dat tot een beslissing of een keuze heeft geleid, waarin alle feiten en bewijsmateriaal nuchter werden overwogen? We voelen dat het goed is. Wanneer we nagaan of we dat jobaanbod moeten aannemen, of best zouden vearhuizen, dan doen we dat beslist niet in een opwelling, en toch is de emotie zeer voelbaar. En dat is ook het geval voor de effectieve altruïst die afweegt waar haar of zijn geld het beste resultaat oplevert.

Het is waar dat we niet altijd systematisch alle feiten moeten beschouwen om een goede keuze te maken. Ingaan op onze eerste emoties kan best de juiste benadering zijn. Maar we mogen niet geloven dat we, wanneer we onze beslissingen op feiten baseren, onze emoties offeren op het altaar van de rede. Of we, bij het maken van een beslissing, bewust redeneren of niet, het is altijd onze emotie die het beslissingsproces afsluit.

Uitgelichte afbeelding: CC BY-SA 2.0 Howard Lake (Flickr)

LEES OOK