Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Stad en platteland: moeit en mengelt u!

27 mei 2021 Tijs Boelens, Jan Pille
De Groentelaar (Foto (c) Tim Vandewiele)
De Groentelaar (Foto (c) Tim Vandewiele)
Back to Bled

Luister naar de podcast Back to Bled, waarin documentairemakers Lotte Knaepen en Lisa Matthys samen met Molenbeekse jongeren de band tussen de (hoofd)stad en het platteland verkennen en debatteren over de wrijving tussen economie en ecologie.

In ons verkavelde Vlaanderen hopen we nog steeds dat die stad niet al te fel naar het groene platteland uitlekt en doen we er alles aan om die uitdijende vlek zo lang mogelijk tegen te houden. Zo komt het dat we het van elkaar, stedelingen en plattelandsbewoners, moeilijk verdragen dat we elkaars wereld ten volle betreden, laat staan commentaar geven over hoe we elk best onze eigen zaken moeten regelen. Neem daar nog eens het bijzondere geval Brussel bij en de wederzijdse politieke en vaak cultuurtalige stekels gaan helemaal rechtop staan.

We gaan elkaar nochtans heel hard nodig hebben, in het bijzonder voor de agro-ecologische voedseltransitie waar steeds meer stedelingen en landbouwers zich dagelijks voor inzetten. Die transitie, waarbij we terugkeren naar de zorg voor de levende bodem die aan ieder van ons lokale en gezonde voeding kan schenken, zal zich enkel voltrekken als landbouwers en consumenten elkaar vinden.

Waar ligt de kracht van de stad, en waar die van het platteland? Hoe overbruggen we de muren tussen beide?

Voor de vertaalslag tussen stad en platteland bestaan geen magische formules. Het vergt de dagelijkse inzet van heel wat mensen die van onderuit de moeite doen om elkaars werelden te leren kennen.

En als we elkaar dan terug wat beter kennen, welke rol kan de stad dan opnemen ten aanzien van de boeren en boerinnen om hun dromen van een gezond boerenbedrijf in de meest brede zin van het woord te laten floreren? Waar ligt de kracht van de stad, en waar die van het platteland? Hoe overbruggen we de muren tussen beide? Om daar een hedendaags antwoord op te vinden, duiken we eerst terug in de tijd.

BackToBled (1 van 1)
Tijs Boelens van De Groentelaar (links) met de jongeren van Centrum West die aan het woord waren in de podcast. (Foto: © Lotte Knaepen & Lisa Matthys)

Van de veldweg tot de volkswijk

De industrialisatie werd op gang getrokken door een soort van arbeidsoverschot. Zo werden in de welvarende regio's de landbouwculturen al snel aangedikt met mensen die zich specialiseerden in ambachten, waardoor die culturen steviger verankerd raakten.

Zo verging het de boeren van het welvarende Vlaanderen van de Middeleeuwen. Vanuit de vette polders trok zich een wolproductie op gang en werden sommige boeren wevers – ambachtslui die tijd hadden om meer te produceren dan de lokale markt nodig had. Ze werden handelaars en staken de grenzen over. Vanuit die kaste van handelaars ontstonden bankiers – in die tijd het patriciaat genoemd. Samen met hen ontstond ook de klassenstrijd. De boeren en de ambachtslui stonden met hun belangen vaak lijnrecht tegenover de financiële sector. De eis voor democratisering bij de ene groep stond haaks op de idee van winstmaximalisatie van de andere.

De modernisering van de weverijen heeft de ambachtelijke, onafhankelijke wevers vervolgens niet alleen in de armoede geduwd, ze zorgde er ook voor dat de eis tot democratisering een stuk van haar financiële slagkracht verloor. De ambachtslui werden fabrieksarbeiders en daardoor viel de band weg tussen de identiteit van de boeren en de ambachtslui. De identiteit van de arbeiders was immers een heel andere dan die van de boeren. De ene waren loonafhankelijk en de andere eerder kleine zelfstandigen. De fabrieken maakten niet enkel stoffen, maar uit de metallurgische regio's kwamen ook de machines die keer op keer de werktuigen van de eerste agrarische revolutie verbeterden.

Door de steeds verder doorgedreven mechanisatie en automatisering gaven vele kleine boeren er de brui aan. Voor hen was er geen plaats meer in de economische realiteit van de landbouw, maar ook erbuiten was er niet steeds plaats voor hen. Er was niet altijd een job of plek in de samenleving van morgen. Zowel in het zuiden als in het noorden van ontstonden in verschillende tijdsgewrichten de 'niemanden' of ‘les misérables'. In veel regio's maakte je meer kans in die categorie te belanden wanneer je een donkerdere huidskleur had. Zonen van 'kleine boerkes' schaamden zich voor hun gebruinde huid op de goede scholen in het Brussel van de jaren 1960.

Voor die ‘niemanden’ is overleven op zich altijd al een kunst geweest. Tot op de dag van vandaag. De politie was nooit hun vriend en de economie draait niet voor hen. In de hedendaagse Vlaamse realiteit snappen we er geen snars van. We snappen niet hoe in een postmoderne welvaartsstaat met allerhande 'zorgfuncties' en 'vangnetten' er nog steeds kansarmoede bestaat en nog veel minder snappen we de criminaliteit die daaruit voortvloeit.

Misschien ontspruit ons onbegrip uit onze positie als overwinnaars. De doorsnee Vlaming zit al zestig jaar in het winnende kamp. De boeren zijn als een middenklasse mee opgetild in de vaart der volkeren. De ‘ontslagen’ in de landbouwsector hadden het allure van een warme sanering, eentje met het vooruitzicht op een job. Wij hebben die positie gewonnen met een doorgedreven 'klassenstrijd', maar er was ook druk uit het communistische Oostblok en een rijkdom uit de kolonies nodig om een herverdeling  van de middelen in West-Europa en Noord-Amerika door te voeren.

No future’ is voor de jonge inwoners van de Brusselse volkswijken geen credo dat ze op hun T-shirts dragen. Het is een brandmerk dat waarschijnlijk doordrukt op hun ziel

Sinds het wegvallen van de kolonies en het Oostblok verliezen we als arbeiders- en middenklasse beetje bij beetje de grip op ‘onze’ economie. De motor achter de herverdeling sputtert. De azijngeur die uit dat gevoel voorkomt zit ook in de kleren van de Vlaamse samenleving en op de Europese wereldkaart vormen we daarop geen uitzondering. Verkiezing na verkiezing stemmen we voor partijen die onze angst aanwakkeren en tegelijk beweren dat ze er een medicijn tegen hebben. Blanke superioriteit, religieus fundamentalisme, harde grenzen, geen ruimte voor oppositie of diversiteit binnen de eigen groep … Allemaal zijn het variaties op dat medisch voorschrift dat ons heil beloofd.

Misschien moeten we weg uit die angstpsychose en op weg naar begrip. De kleine keuterboerkes die vroeger als niemanden door de steden slenterden, zijn vandaag misschien wel de Adils, Mehdi’s en Semira’s van Molenbeek. Vanuit het Vlaamse platteland en de meer begoede stadswijken staan we ver van hun dagelijkse realiteit, waarin weinig perspectief is. ‘No future’ is voor de jonge inwoners van de Brusselse volkswijken geen credo dat ze op hun T-shirts dragen. Het is een brandmerk dat waarschijnlijk doordrukt op hun ziel.

In ons streven naar een agro-ecologische transitie hebben we daarom als boer.inn.en niet enkel de steun nodig van die mensen die ‘het’ al begrepen hebben en die vandaag al de ruimte en de veerkracht vinden om ons, kleine lokale (bio)boeren te ondersteunen. Naast deze karikaturaal afgeschilderde bakfietsbobo’s, hebben we vooral ook de jeugdige bevolking nodig om een nieuwe duurzame toekomst mee vorm te geven.

Geen niches dus, maar brede dwarsdoorsneden uit de samenleving, mensen die zoeken naar 'goed eten' voor zichzelf en voor hun kinderen. Dit zijn net zo goed de Ibrahims als de Jannen, zowel de Hendrikken als de Fatima’s, als er maar die gezonde reflex is tot zelfzorg. Zorg voor het eigen lichaam, de eigen kinderen, de eigen buurt en de eigen planeet ...

Een Nieuwe Voedsel-Alliantie

Onze strategie voor een voedselnetwerk volgens agro-ecologische principes kan overlevingskansen brengen voor de mensen die eraan willen deelnemen. Ze brengt nu al een veerkracht in de samenleving die we met de klimaatverandering van morgen heel hard gaan nodig hebben.

Misschien moeten we opnieuw beginnen beseffen dat de grond van iedereen is

Waarom zouden we dan niet holistischer redeneren en onze positie als boer.in of 'mangeur.euse' ook benutten om de contouren van een klassenstrijd terug zichtbaar te maken in het rijke Westen? Waarom zou dat niet de eigentijdse variant zijn van het historisch moment waarop de Kerels, de vrije boeren van het Graafschap Vlaanderen, de kant kozen van een verarmende groep stedelijke ambachtslui en samen ten strijde trokken tegen de Vlaamse patriciërs die gesteund werden door een buitenlandse, koloniale mogendheid – in die tijd de Franse Kroon?

Tijd voor actie lokale én globale allianties. Een globaal perspectief is belangrijk om te ontsnappen aan de West-Europese patstelling van de laatste tachtig jaar. Voor ons zijn de strategieën van verschillende dekoloniseringsbewegingen of die van collega-boeren en boerinnen in andere delen van de wereld een aanknopingspunt. Met de koepelorganisatie La Via Campesina zijn we de grootste boerenorganisatie wereldwijd.

In West-Europa zijn boeren en boerinnen de kneusjes, maar in andere delen van de wereld zijn ze de massa. Volgens cijfers van de International Labour Organization voor 2018 is in Zuid-Oost Azië een goede 42% van de werkende bevolking actief in de landbouwsector, in Sub-Sahara Afrika is dat zelfs 57%. Dat zijn in hoofdzaak boeren en boerinnen die kweken voor eigen consumptie en hopelijk iets van hun productie kunnen afromen op een – vaak lokale – markt.

Hoe verbinden we dat verhaal dan met 'onze mensen', de consumenten die onze boerderijen momenteel rechthouden? Hoe verbinden we onze consumenten met pakweg de realiteit van MST, de beweging van landloze boeren in Brazilië? In Brazilië hielp MST 21.000 families aan grond door sterk georganiseerde directe actie. Zij waren anders in de favela’s terechtgekomen. Maar hoe verbinden we 'ons' met de strijd van landbouwers in het Zuiden?

De weg naar ’t statteland

Misschien moeten we opnieuw beginnen beseffen dat de grond van iedereen is. En dat elke morzel vrijgemaakte grond zoveel mogelijk mensen moet dienen. Misschien moeten we terug beginnen met een soort van collectivisering van die gronden, om ze dan in alle vrijheid te laten bewerken. Misschien zit in die strategie een oplossing voor de 'kleine' boeren van het Vlaamse platteland, die met hun zeventig koeien zullen worden opgeslorpt door een megastal of een gigantische aardappelloods.

Als kleine boer, of kleine boerenorganisatie, kan je dat niet alleen. Hiervoor hebben we allianties tussen het platteland en de stad nodig. In ons geval ligt dat speelveld al klaar in het verstedelijkte Vlaanderen. Ecologische boeren kunnen hun eis tot 'zichtbaar worden' bij de Europese instanties krachtiger maken door met een dwarsdoorsnede van de samenleving de straat op te trekken. In het kielzog van onze tractoren willen we onze gemeenschap mee hebben. Maar we willen er ook met onze tractoren staan als onze gemeenschap een klap moet verwerken.

De Groentelaar (Foto (c) Tim Vandewiele)
Tijs Boelens en Sander Van Haver van De Groentelaer (Foto: © Tim Vandewiele)

Door naast de theorie samen onderzoek te doen naar nieuwe modellen, hopen we elkaar en anderen te inspireren. Dat is dan ook de essentie van een agro-ecologische transitie. Het is niet enkel samenwerken met de natuur, maar ook met elkaar. Het kompas daarbij is de zorg voor de aarde, de zorg voor elkaar en het bekomen van een eerlijk deel voor iedereen. Als de stad en het platteland elkaar daarin kunnen vinden en daar samen voor strijden, ligt de weg naar een nieuw duurzaam model open.

Ons pleidooi voor meer verwevenheid tussen stad en platteland is zeker niet nieuw, maar vraagt wel om tijd en experimenten. Tijd om elkaar beter te leren kennen en zo vanuit elkaars realiteiten en inzichten aan een gemeenschappelijke weg te werken. In de podcast komen verschillende stemmen aan bod en geven we een concrete aanzet met het project 1 hectare voor Brussel.

Lokale groenten voor Brussel

1 hectare voor Brussel is een experiment om de samenwerking tussen de stad en het platteland concreet te maken. Momenteel bestaat het uit acht jongeren, twee reportagemakers, vijf sociaal werkers, vier activisten en de gemeenten Vorst en Sint-Gillis, die samen met ons, de boeren van De Groentelaar, de weg voorbereiden om in 2022 de eerste groenten te telen en naar Brussel te verschepen.

Na de perencrisis met Rusland en de val van de aardappelprijzen vorig voorjaar, zien we veel voedselprijzen de hoogte ingaan

De Groentelaar is een tuinbouwbedrijf waar we het gros van ons geld verdienen met kroppen sla en keurig geplante venkel. Door de concurrentie met de grote bio-akkerbouwbedrijven in Nederland is het voor ons bedrijf, met zeven hectare, niet mogelijk om bewaargroenten te kweken. Dat zou namelijk onze velden te lang in beslag nemen. Toch vinden we de traditie van het kweken van bewaargroenten belangrijk. Bewaargroenten zijn samen met aardappelen en graan het hoofdbestanddeel van een gevarieerde voeding met voldoende energetische waarde.

Voor ons is het dus de vraag hoe we die producten gaan telen en voor de stad hoe ze zich wil voeden. Historisch gezien was het Pajottenland de graan- en groenteschuur van Brussel. Momenteel vallen steden terug op een geglobaliseerde markt om in haar voedselnoden te voorzien, maar hoe lang blijft die situatie houdbaar? We zien nu al hoe de oogsten terugvallen door de klimaatverandering. Verschillende regio's staan op het punt te verwoestijnen als er geen kentering komt in de agrarische exploitatie ervan.

Bovendien merken we dat we geopolitiek steeds minder in een 'rustige' markt zitten. Na de perencrisis met Rusland en de val van de aardappelprijzen vorig voorjaar, zien we nu dat veel voedselprijzen, samen met de prijzen van hout en metaal, de hoogte ingaan.  Import blijft nog wel even een optie voor een West-Europese voedselstrategie, maar blijft goedkoop voedsel dat ook?

Wij zoeken samen met de lage sociale klassen én de middenklasse naar een voedselstrategie voor een breed publiek. De fijne groenten kwamen historisch uit het platteland van Brussel zelf, en we moeten er alles aan doen om de open ruimte in en vlak naast Brussel terug te gebruiken voor die versmarkt.

Samen met de economische strategie van 1 hectare voor Brussel willen we ook met een dwarsdoorsnede van Brusselaars werken aan de toegang tot grond voor zij die hem willen bewerken. Zowel moestuiniers als nieuwe boeren en boerinnen zijn hard op zoek naar een morzel grond voor hun deel van de hongerige stad. Het is aan ons, middelgrote boeren uit de 'Ceinture alimentaire', om hen in die zoektocht bij te staan. Daar worden we samen beter van.

LEES OOK