“No”, zei ik tegen de vrouw die met haar uitgestoken klauw, vuile vingernagels, voor mij stond. Het mens drong nog even aan, stapte toen door naar de volgende tafel. Aldaar kreeg ze ook te verstaan dat er niets te rapen viel.
Het volle terras, de voorbijstappende meute op de brede voetpaden, de vijf rijstroken brede straat met haar voorbijrazende verkeer, nu en dan door lichten gesommeerd hevig remmend om de stappende meute te laten oversteken en van voetpad te veranderen, waren de rekwisieten en acteurs van het decor waar ik in toefde.
“No”, zei ik deels geïritteerd, deels ontdaan over mijn eigen hardheid, tegen een jonger, sjofel handenophoudend exemplaar. Deze vrouw had opgemerkt dat ik zat te roken.
“Un cigarro? Een sigaret?”
Die kon ze krijgen. Als verstokte roker weet ik maar al te goed wat het is om zonder rookwaar te zitten. Ik viste het platgezeten pakje uit de achterzak van mijn broek – nooit ofte nimmer laat ik iets op de tafel liggen in dit gedeelte van de stad, behalve mijn pint (alhoewel die staat en niet ligt) –, nam er een sigaret uit en gaf ze haar. Ze bedankte mij vlug en stapte verder naar haar volgende te incasseren “No”.
Een beetje klootzak moet men zijn in deze stad. “No” moet men leren zeggen. Ik, immens rijke burger vergeleken met de bedelende troep. Daarom toef ik graag op mijn berg, ik hoef niet dagelijks geconfronteerd te worden met mijn eigen schaamte.
Was getekend.
Tom Lievens