Algemeende staking: een scenario (6-8/41)

25 november 2014 Bartleby
(Foto Thomas Thorstorssen)
(Foto Thomas Thorstorssen)
(Foto Thomas Thorstorssen)
(Foto Thomas Thorstorssen)

 

Wat voorafging

1 Tom

Eindelijk is het ogenblik daar. Het moment waarop hij jaren gewacht heeft, waarvan hij nachten gedroomd heeft. Als zo veel anderen, brengt hij zijn leven door met vooruitlopen op benauwenissen, met uitkijken naar gelukzaligheden – carpe diem, mon oeil, maak het een ander wijs - de mens denkt alleen aan morgen. Als zo veel anderen, oefent hij, herkauwt hij voor de dag waarop het zal gebeuren, en aanvaardt intussen een leven achter de schermen, een leven buiten de schijnwerpers, een leven bezijden het gedroomde schouwspel. Als zoveel anderen, gaat hij niettemin door met zijn voorbereidselen en zijn dromen. Alleen: het ogenblik is daar. Hij moet alleen maar. Hij heeft zich het ogenblik al zo dikwijls voor ogen gehaald, al zo vaak tot in de kleinste details voorgespeeld dat hij bijna tastbaar de ijdelheid voelt om het eindelijk ook te beleven. Zoals in zijn dromen, gaat hij oprukken, adem uitblazen wanneer zijn voet de bal raakt – het langzame traject, de magnifieke vertraging, o bal blijf in de lucht, de plof tegen de netten, het gezicht van de doelman, de omhelzingen van de ploegmaten, het gebrul van de supporters, de felicitaties van de coach, van de voorzitter, de koppen in de krant. Hij staat voor doel, hij gaat schieten, zijn hoofd is een caleidoscoop van beelden, geluiden en kleuren: de PM die zijn gelukwensen uitsprak voor de match, de handen gekruist, de duimen naar boven als een Romeinse keizer – de vlag, en zijn eigen kop, zijn kopje van voetballer, los van zijn lichaam, verdronken in een glanzend zwart met rode strepen. Verdronken verliest hij grond onder de voeten, zoekt een steunpunt, ziet de bal. De bal: willoos, dof, domweg op het gras. Een bal heeft geen gevoelens, geen gemoedsgesteltenissen. Niks. Een bal kan alleen stom en dom zijn. Niet erg. Je moet er alleen maar tegen trappen, voor de magnifieke boog, het doel, de omhelzingen, het gebrul, enz. Een soort formaliteit. Zoals de wensen van de PM. Formaliteiten vermoeien mij, denkt hij. Wat een onnozele kop, die PM. ‘Een land dat wint…’ Altijd hetzelfde liedje, hetzelfde afgezaagde deuntje. Hup, gelukkig nieuwjaar, waarde landgenoten, ik win, u wint, wij winnen, magnifiek. Vooruit, hup, gelukkig nieuwjaar, afgemeten glimlach, winnaar vol laatdunkendheid, mijn waarde leefgenoten. Hij kijkt naar de bal. Die wacht. Net als de toeschouwers, de scheidsrechter, de andere spelers. Hij moet doen wat hij moet doen. Wat voorzien is. Zijn rol spelen, zijn partituur. Het is zijn beurt, er is geen souffleur op deze groene toneelscène, maar hij kent zijn replieken op zijn duimpje. Hij heeft ze vaak genoeg gerepeteerd. Maar nu, nu voelt hij dat hij het, nee, niet zal kunnen. Een hoofdschudden, een vage groet aan de bal, stommiteit of niet, sans rancune, even goeie vrienden, waarna hij zich omdraait, en kalm richting kleedkamer stapt. Hij, Tom De Schutter.

2 Charles

Vanaf het wakker worden: die oorsuizingen. Sommige dagen heeft hij de indruk op een slecht afgesteld radiostation te leven. Dat gebrom, dat gegons, dat gemompel, dat hem van meet af aan begeleidt, en de moeite die hij moet doen om er zich van te ontdoen: de aandacht afleiden, andere geluiden zoeken, elders gaan luisteren. Een afmattende strijd. Tijdelijk – gelukkig maar. Hij heeft z’n blancodagen en z’n ruisdagen. Ruisdag vandaag. Vermoeiend vooruitzicht. Dit en de rest. Hoe het uitleggen. Benijdenswaardige positie, bliksemcarrière, aardige populariteit, lastig om jezelf te beklagen wanneer je bent wat hij is, eerste minister van een welvarend land, 38 jaar, in de bloei van het leven, sportieve allure, scherp getekend gelaat, modieus baardje, heldere ogen die openbaren wie hij eigenlijk is: een dichter, een man met een wijde horizon, gevangen in een politieke wereld waarvan de middelmaat hem, naargelang de dagen, verbaast of verveelt – hij die graag verhaaltjes neerkrabbelt op de kleine papiertjes die hij overal bij zich heeft. Hij houdt eraan ’s morgens, in bed, voor het opstaan, vlug mentaal het bestek van de dag op te maken. Hij overschouwt het etmaal, evalueert vooraf het tempo, de waarschijnlijke log- en grofheden, en logeert er meteen enkele comfortabele momenten tussen. Zoals anderen al vooraf de sigaretten rollen die ze straks met genoegen zullen roken, organiseert hij al ’s morgens de uitstapjes en ontsnappinkjes van de dag. Gisteravond was hij bij de gelukwensen aan de Burgermeester, op ’t Schoonst Verdiep – voorrecht der bevoorrechten. Hij kende de tekst al, had die bijna woord voor woord kunnen reciteren, maar toch heeft de toespraak hem, een beetje onverwacht, bevreemd. Iets te nadrukkelijk, aan het eind, of over het geheel, afin, hij had een onaangename verbale gijzeling gevoeld, een lichte walging. Hij kende nochtans goed diens heftigheid, tegenpool van zijn eigen flegma, de drang van de man die geen dode tijd kan begrijpen, die altijd streeft naar meer, meer hebben, meer bevelen, meer provoceren, meer agiteren. Altijd die toespraken vol oorlogszuchtige metaforen over ons geweldige land dat een hele reeks veldslagen moet winnen. Niks nieuws, routine, maar onverklaarbaar had hij zich beklemd gevoeld. En deze morgen weer die oorsuizingen. Dat zal hem niet beletten om op te staan en te doen wat van hem verwacht wordt. Hij meesmuilt dat hij een dappere soldaat is, een dichter-soldaat, zoals velen voor hem, de geschiedenis barst van de mannen die zowel de pen als het zwaard gehanteerd hebben. Maar poëzie doet de Burgermeester grinniken. Die wil net op hetzelfde moment tegen hem gaan fulmineren: de telefoon rinkelt, op het nachttafeltje, zoals elke morgen, maar vanmorgen zegt hij bij zichzelf dat hij zal opnemen, maar nu niet, eenmaal is geen maal, hij wil zich enkele ogenblikken gunnen, adempje halen, luchtje scheppen, drie keer is telefoonrecht.

3 Mon

Nooit vroeg wakker, Mon. Nachtraaf, zei zijn moeder, God hebbe haar ziel. Man voor de bewaking in een bar, nooit thuis voor 5 of 6 uur ’s morgens. Veiligheidsagent? Ja, videur, had zijn moeder gezegd, maar dat is wel rustiger dan gangster of trafikant. Eigenlijk had ze geen ongelijk: Mon leidt z’n leventje zoals hij een bootje zou sturen over het meer van Genval. Meer dan min tevreden over z’n lot. Overdag tijd voor zijn keukenpassie, en voor martiale kunsten. Deze morgen uit zijn bed gevallen, koffie, paraat, in glansvorm, dus vlug een aanvalsplan. Naar de markt voor het schapraai, dan de keuken in, daarna naar de training, en de dag is alweer gevuld. Zonder monomaan te zijn, is Mon een van die mannen die zich altijd intens investeren in wat ze doen. De voorbije acht maanden Japans koken, nu de Renaissance-keuken – blancmange, sauce cameline of poudre de duc. De woorden alleen al doen van genot de mond opengaan bij wie het ongekende zoekt en dat vindt in het oude, het zeer oude – onder het stof van wiegedrukken, de reuk van ragoûts, brouets en pasteien, bij de tijd gebracht door de moderne warmte van kookplaten in retro-keramiek. Aarzelen doet hij tussen een pastei van wortelen in sap van onrijpe druiven en beignets van pompoen met azijn en honing. Maar omdat aarzelen niet zijn sterkste kant is, trekt hij een trui aan en zegt tegen zichzelf dat hij wel ter plekke zal kiezen aan de hand van de staat van de groenten. Deur dicht, trappen af, in dertig seconden is hij op straat.

4 Tine

‘Wat een straf om, zoals mijn grootmoeder, officieel Celestine te heten, van de orde van de ‘hemelsen’, als je je leven onder de grond moet doorbrengen.’ Zij die zich deze zuurzoete bedenking maakt, draagt die voornaam al 37 jaar en bestuurt metro’s al ruim 10 jaar. Ze mompelt het half glimlachend: ‘Ik realiseer me dat eigenlijk pas nu, geen onderaardse maar een bovenaardse naam, voorzeker omdat ik blond ben.’ Behalve dat zo’n vooroordeel, zoals iedereen weet, alleen maar van toepassing is op vrouwen met lange haren, die bevallig hun schouders kunnen ophalen en laten terugvallen in de beste blondinestijl. Maar Tine heeft het kapsel van een halve jongen, en behoort daarmee tot de blondines die ontsnappen aan voorspelbare moppen. Maar dat is het enige waaraan ze ontsnapt. Allemaal leven we in een tunnel, metrobestuurders of niet. Vroeg opstaan om je brood te verdienen met dagelijks labeur, doodgewerkt weer thuiskomen, om dan een beetje te leven. Het leven, la vie en rose, la vie en noir, c’est la vie, soms maak je in dat leven zelfs kinderen, word je verliefd – zonder jou is m’n leven niks – geloof het of niet, krankzinnig wat je allemaal doet wanneer je geen tijd hebt om iets te doen. Werk, moderne godheid, die zonder ophouden moet aanbeden worden, want levert rantsoen. Werk, zo heeft de PM, de Meester-President, gisteren in zijn kerstwensen gezegd, Werk is een waarde, een Fundamentele Waarde. Niet zoals Lediggang, moeder van alle ondeugden, en van alle problemen voor elke regering. Dus is Tine die morgen, voor het krieken van de dag, in haar metro afgedaald, met het nieuwe gevoel dat ze er zich gaat begraven. En met een korte gedachte aan haar buur beatnik, die nog altijd heel de dag zwerft, zonder te beseffen dat hij weldra zal achterhaald worden door de waarde Werk, dat hij maar oppast! Lijn 13 van de metro is een nachtmerrie: helse kadans, propvolle wagons, rechtlijnig traject van een doodvervelende monotonie. Perrons waarop reizigers zich verdringen tot op enkele centimeters van de rand, die zijn het spookbeeld van alle bestuurders. Er zijn glazen voorzetdeuren beloofd, die worden elders al getest, maar in de plaats komen steeds weer sukkels en sullen in oranje hesjes, die de reizigers de rijtuigen induwen. En dan word je geacht je tijden te respecteren en uitleg te geven voor de minste vertraging. Tine doet moeite om recht voor zich uit te blijven kijken. Ze ziet weer het grimassend gezicht van de PM, hoort weer de woorden die in lus terugkeren, vervormd door de geluiden en schokken van de metro: Arbeid, Fundamentele Waarde, Vlaamse Waarde, Vale Waarde, Valse Waarde, Ware Vlaanderen… Voor een goed begrip: de PM is de Politicus Maximus, de Opperpoliticus van het land. Doet niet aan besturen, maar aan bijsturen. Richt en snoert de MP, de mini-ster-president en diens ministers in Vlaanderen, zowel als de eerste minister en diens regeringsleden in België. De PM heeft geen (grond)wettelijk statuut, hij kan daarom zijn PM cumuleren met een partijvoorzitterschap en een ander politiek ambt, bijvoorbeeld burgemeester (meester van een burg) of burgermeester (meester van burgers). 

5 Lucien

Laatste sigaret. De kwajongens en -meisjes van de vierde wachten ongetwijfeld al op hem, altijd op hun qui vive– dat is het voordeel van de leeftijd dat ze om 8u ’s morgens al opgewekt een klaslokaal met bleek neonlicht binnengaan. De beste sigaret van de dag, beter nog dan de eerste koffie: hij inhaleert buiten, sinds luchtbezoedelaars de leraarskamer ontzegd is. Hij betreurt dat verbod wel, hij mocht graag verwarmd roken, maar de kou herinnert er hem tenminste aan dat hij een soort held is, iemand die behoort tot de volhouders, sigaret in de mondhoek totterdood, kwestie van principe, geen sport, geen gedoe om de nieuwe universele lijn te volgen, de lijn die, tussen twee footings door, verplicht tot een stormloop op bio-winkels, speurend naar vezels en vitaminen, anti-oxidanten en mineralen, vegetale eiwitten en complexe glucines, die, samen met zoutarme sojasaus en ronde rijst, gezondheid, vreugde en goed geweten garanderen, en vooral een lang leven – een nog langer leven, wat een verschrikking, en zonder alcohol, zonder hartig vlees – arm mensdom, dat zichzelf verliest in verfoeiing van zijn genoegens, bezig met zichzelf te haten, zichzelf smaakloze regimes op te leggen, zonder genot, maar zo gezond voor zichzelf, voor de Aarde, al die pseudoecoherauten van de Natuur, een zoete Natuur ingekrompen tot twee of drie stereotypen: foto’s van babypanda’s, babybeertjes, babyvogeltjes en andere lieve dingetjes die moeten beschermd worden; foto’s van arme maar waardige vrouwen, gehuld in pittoreske lompen in tropische zonsondergangen, magnifieke wezens in mooie landschappen, esthetisch genoegen gewaarborgd… Stop. Die zurige gedachten overvallen hem vroeger en vroeger ’s morgens, hij moet gaan opletten, de kinderen wachten op hem, opletten dat hij niet verglijdt tot grienen, dreinen, zeuren, een beetje over zichzelf waken, zij verdienen beter dan een bittere leraar, nog ene, het beroep is er vol van. Lucien is graag leraar. De mensen vinden dat vreemd, zij hebben liever dat onderwijsvakbonden mopperen en klagen, hun malaise breed uitsmeren, dan kunnen zij weer zeggen dat zij dit beroep alleen maar gekozen hebben voor de vakanties, en dat ze voor de rest brompotten zijn. Zo’n etiket is gemakkelijk, gerieflijk, laten we er maar niet aan krabben. Nochtans is Lucien dol op zijn klassen, op die bruisende adolescenten die hem uitputten, ja, maar die hem meer stimuleren dan de ouwe knarren en korsten met wie hij zou werken als hij boekhouder, informaticus of inkoper in een grootwarenhuis was. Het is veeleer de rest van de wereld die hem te moede is. Hij duwt de deur van lokaal 407 open. De leerlingen zijn er al. Tommy, Bilal, Andrea, Khadija, Jordan, Maëlle, Aylan, Sandra en de anderen, ze wachten op hun leraar. Daar is hij.
 

6 Charles

Een deur die dichtklapt. Dat moet Adelina zijn. Lusofoon?, had die ezel van een Theo gevraagd, in de ministerraad. Armtierige vent, gebombardeerd tot fractieleider en daarna regeringslid, maar dom en kwaadwillig, onwetend en ongeletterd bovendien. Lusofoon, ja!, ze is Portugese, had hij neerbuigend gepreciseerd. Ah, ik was uw precieuze taal vergeten, had die kloot geantwoord.

Charles zucht en zegt bij zichzelf dat hij deze morgen een beetje tijd zal nodig hebben om uit het water te komen. Eerst het bed uitglijden om Adelina te zeggen, dat ze niemand tot bij hem doorlaat voor hij ietwat uit die verdoving, die vertraging van geest geraakt is. Zelden dat hij zijn tijd neemt, zelden dat hij een paar minuten gerust gelaten wil worden. Ik ben er voor niemand, ik weet het, de telefoon gaat, laat ‘m gaan. Weet je, Adelina, ik zou graag hebben, echt graag, dat je die koekjes, die met crème, nog eens maakt, die van Kerstmis vorig jaar, die waren zo heerlijk, met dat vleugje kaneel. Ik ga nog een beetje liggen, een beetje maar, nee, nee, ik ben niet ziek, ternauwernood een beetje moe,  er zijn die oorsuizingen, maar zeg maar dat ik ziek ben, dan laten ze me gerust, en jou ook, om je koekjes te bakken, ik schuim al!

Charles was beginnen schrijven op een dag dat hij zich heel alleen gevoeld had. Om een leegte te vullen: woorden zijn als stopverf, als cement, om te vermijden dat water sijpelt tussen de dingen, de mensen of de gevoelens. Daarna was hij ermee doorgegaan en er verzot op geworden. Zijn papiertjes hadden uiteindelijk de aandacht getrokken en deden sindsdien imbecielen en theofielen grinniken. Als ze zouden weten. Als ze zijn geluk zouden kennen. De luxe je leven te kunnen uitvinden en tegelijk beleven. Als hij Theo nog sereen in de ogen kon kijken, dan omdat hij hem al had opgehangen, gevierendeeld, vernederd, vertrappeld in talloos veel verhalen, inderhaast neergekrabbeld, voor het plezier, voor het leedvermaak, voor de schoonheid soms ook. Alhoewel, schoonheid… Dat had hij zich ooit in het hoofd gehaald wanneer hij ermee begonnen was, maar al vlug had het dagelijks leven, de kleingeestigheid en het piepend raderwerk ervan, de bovenhand hernomen, en was schrijven voor hem vooral een manier van overleven geworden.

Hij schrijft allerlei soorten verhalen. Wrede, boosaardige poëzie, maar ook heldendichten, waarin hij vastberaden schittert. Zwier en branie, dapperheid en moed – een waar feest!

7 Mon

Een pastei met wortelen en sap van onrijpe druiven. Mon loert naar de producten op de schappen. Appetijtelijk, jawel. Maar helemaal niet wat wortelen waren in de Renaissance: van wisselende kleur, dichter bij de pastinaken dan deze dikke, bolle en vooral intens oranje groenten. Hoe kun je zo oranje zijn? Dat is een kleur die een beetje vulgair is dezer dagen, na het treurige misbruik ervan in de jaren '70, maar voor wortelen kan ze aanlokkelijk blijven. Een oranje pastei, waarom niet? Ten slotte moet een gerecht niet als dit of dat zijn, niks is verplicht in een kunst die alleen maar kortstondige, vluchtige, vergankelijke werken kan opleveren, die gegeten, gekauwd, verzwolgen worden zodra ze gecreëerd zijn.

Mon kiest voor de wortelen, hij zal de oranje vulgariteit wegwerken door toevoeging van een scheut citrussap en een mespunt komijn.

Maar hij begint opnieuw te twijfelen. De markt lijkt abnormaal verlaten, de kraampjes zijn weinig talrijk, de schappen en stalletjes karig gevuld. En de gezichten van de verkopers op onvriendelijk. Die klanten niet toeroepen, niet extatisch doen over de versheid van hun waar of de onklopbaarheid van hun prijzen, nee, allemaal bekijken ze vies de enkele humeurige klanten.

Hij, Mon, waart gewoonlijk wel met schrikaanjagend gezicht door deze altijd rumoerige en vrolijke markt. Hij, die niet genoeg slaapt en altijd klaagt over de kilte of de warmte, en zijn bed dat hij mist. Zij, de marktkramers, zij lijken altijd onverwoestbaar levendig en vrolijk, stentorstemmen en ongezeglijke smoelen, zij vergloeien en verwarmen zich met bier en wittekes.

Iets klopt niet, maar wat? Mon spreekt de groenteman erover aan, een jonge gast die ongetwijfeld de aanbevolen vijf vruchten en groenten per dag consumeert, maar die desondanks – waarom zou het leven rechtvaardig zijn? – een fastfoodvel vertoont. Niks aan de hand, nee, niet dat ik weet, da’s drie euro. Nog iets?

Nee, niks meer. Mon heeft gehoord hoe de visvrouw daarstraks luid tegen de keurslager zei dat de PM een jaar vol hoop aangekondigd had. Ze moet het gehad hebben over die fameuze toespraak van 31 december die verdaagd is naar 4 januari. Waarom al die trammelant met data? De 31ste, de 1ste, de 4de, ach, het volk maalt er niet om, heeft er zelfs schijt aan.

Het volk kan die paar dagen niet schelen, allei, we gaan niet zeveren en ambeteren, de PM moet zijn vakantie in de zon niet bekorten voor een televisietoespraak, al dat gedoe, laten we modern zijn, hervormen, stof wegblazen,taboes doorbreken, gewoonten veranderen, mentaliteiten schrobberen, vooruitgaan, m’n waarde gewestgenoten.

De 4de januari kondigde de Politicus Maximus, namens de minister-president en alle mini-sters, dus hoop aan.

8 Tine

Aankomst in het station. Stop. Deuren open.

Wat nu? Beetje wachten, het signaal laten horen, deuren sluiten, vertrekken? Vertrekken voor weer een ronde, twee, drie…

Tine ziet de reizigers uitstappen, velen gaan weer open lucht happen, ontsnappen uit de tunnel waarin zij nog ettelijke uren moet blijven.

Ze volgt ze, ziet ze uitstappen op het perron, stappen, weggaan. Uitstappen op het perron, lopen, buitengaan.

Zij ook stapt het perron op – haar grote zak schuin over haar rug, het portier van haar cabine afgesloten. Zij stapt naar de uitgang. Ze volgt de mensen die naar de straat opklimmen, ze mengt zich onder de mensen die hun conversatie voortzetten of zich onder muzikale perfusie houden.

Ook zij is nu buiten.

Op dat levendige plein dat ze bijna elke dag ondersteekt zonder het te zien, opgesloten in haar cabine, waar ze van de wereld boven alleen maar brokjes ontvangt via de mannen en vrouwen die ondergronds gaan: het weer bijvoorbeeld, staat op hun kleren ingeschreven, net als de rijkdom of de armoede van de buurt waar ze in- of uitstappen.

Vooruit met de geit.

Op het Muntplein zet Tine zich in beweging. Na braaf gepauzeerd te hebben bij de verkeerslichten, steekt ze de Anspachlaan over, maar maakt dan bruusk rechtsomkeer, naar de Nieuwstraat. Smallere straat, lelijke straat. Ze loopt terug, zuidwaarts. Als je niet weet waarheen, zet dan je steven naar het zuiden, dan heb je nog alle tijd om je te bedenken, wist haar grootmoeder. Kijk, oma, ik volg nog altijd je raad, ik loop nu in een sombere en kille straat, waar de pollutie van bussen en al wat rijdt sinds lang neergeslagen en vastgezet lijkt, tussen grijze gebouwen met soldenwinkels, maar ik ga zuidwaarts, en zal me later bedenken.

LEES OOK