Algemeende staking: een scenario (15-17/41)

28 november 2014 Bartleby
9643524772_7db36e785d_z
(Foto Sascha Kohlmann)
9643524772_7db36e785d_z
(Foto Sascha Kohlmann)

 

Wat voorafging

1 Tom

Eindelijk is het ogenblik daar. Het moment waarop hij jaren gewacht heeft, waarvan hij nachten gedroomd heeft. Als zo veel anderen, brengt hij zijn leven door met vooruitlopen op benauwenissen, met uitkijken naar gelukzaligheden – carpe diem, mon oeil, maak het een ander wijs - de mens denkt alleen aan morgen. Als zo veel anderen, oefent hij, herkauwt hij voor de dag waarop het zal gebeuren, en aanvaardt intussen een leven achter de schermen, een leven buiten de schijnwerpers, een leven bezijden het gedroomde schouwspel. Als zoveel anderen, gaat hij niettemin door met zijn voorbereidselen en zijn dromen. Alleen: het ogenblik is daar. Hij moet alleen maar. Hij heeft zich het ogenblik al zo dikwijls voor ogen gehaald, al zo vaak tot in de kleinste details voorgespeeld dat hij bijna tastbaar de ijdelheid voelt om het eindelijk ook te beleven. Zoals in zijn dromen, gaat hij oprukken, adem uitblazen wanneer zijn voet de bal raakt – het langzame traject, de magnifieke vertraging, o bal blijf in de lucht, de plof tegen de netten, het gezicht van de doelman, de omhelzingen van de ploegmaten, het gebrul van de supporters, de felicitaties van de coach, van de voorzitter, de koppen in de krant. Hij staat voor doel, hij gaat schieten, zijn hoofd is een caleidoscoop van beelden, geluiden en kleuren: de PM die zijn gelukwensen uitsprak voor de match, de handen gekruist, de duimen naar boven als een Romeinse keizer – de vlag, en zijn eigen kop, zijn kopje van voetballer, los van zijn lichaam, verdronken in een glanzend zwart met rode strepen. Verdronken verliest hij grond onder de voeten, zoekt een steunpunt, ziet de bal. De bal: willoos, dof, domweg op het gras. Een bal heeft geen gevoelens, geen gemoedsgesteltenissen. Niks. Een bal kan alleen stom en dom zijn. Niet erg. Je moet er alleen maar tegen trappen, voor de magnifieke boog, het doel, de omhelzingen, het gebrul, enz. Een soort formaliteit. Zoals de wensen van de PM. Formaliteiten vermoeien mij, denkt hij. Wat een onnozele kop, die PM. ‘Een land dat wint…’ Altijd hetzelfde liedje, hetzelfde afgezaagde deuntje. Hup, gelukkig nieuwjaar, waarde landgenoten, ik win, u wint, wij winnen, magnifiek. Vooruit, hup, gelukkig nieuwjaar, afgemeten glimlach, winnaar vol laatdunkendheid, mijn waarde leefgenoten. Hij kijkt naar de bal. Die wacht. Net als de toeschouwers, de scheidsrechter, de andere spelers. Hij moet doen wat hij moet doen. Wat voorzien is. Zijn rol spelen, zijn partituur. Het is zijn beurt, er is geen souffleur op deze groene toneelscène, maar hij kent zijn replieken op zijn duimpje. Hij heeft ze vaak genoeg gerepeteerd. Maar nu, nu voelt hij dat hij het, nee, niet zal kunnen. Een hoofdschudden, een vage groet aan de bal, stommiteit of niet, sans rancune, even goeie vrienden, waarna hij zich omdraait, en kalm richting kleedkamer stapt. Hij, Tom De Schutter.

2 Charles

Vanaf het wakker worden: die oorsuizingen. Sommige dagen heeft hij de indruk op een slecht afgesteld radiostation te leven. Dat gebrom, dat gegons, dat gemompel, dat hem van meet af aan begeleidt, en de moeite die hij moet doen om er zich van te ontdoen: de aandacht afleiden, andere geluiden zoeken, elders gaan luisteren. Een afmattende strijd. Tijdelijk – gelukkig maar. Hij heeft z’n blancodagen en z’n ruisdagen. Ruisdag vandaag. Vermoeiend vooruitzicht. Dit en de rest. Hoe het uitleggen. Benijdenswaardige positie, bliksemcarrière, aardige populariteit, lastig om jezelf te beklagen wanneer je bent wat hij is, eerste minister van een welvarend land, 38 jaar, in de bloei van het leven, sportieve allure, scherp getekend gelaat, modieus baardje, heldere ogen die openbaren wie hij eigenlijk is: een dichter, een man met een wijde horizon, gevangen in een politieke wereld waarvan de middelmaat hem, naargelang de dagen, verbaast of verveelt – hij die graag verhaaltjes neerkrabbelt op de kleine papiertjes die hij overal bij zich heeft. Hij houdt eraan ’s morgens, in bed, voor het opstaan, vlug mentaal het bestek van de dag op te maken. Hij overschouwt het etmaal, evalueert vooraf het tempo, de waarschijnlijke log- en grofheden, en logeert er meteen enkele comfortabele momenten tussen. Zoals anderen al vooraf de sigaretten rollen die ze straks met genoegen zullen roken, organiseert hij al ’s morgens de uitstapjes en ontsnappinkjes van de dag. Gisteravond was hij bij de gelukwensen aan de Burgermeester, op ’t Schoonst Verdiep – voorrecht der bevoorrechten. Hij kende de tekst al, had die bijna woord voor woord kunnen reciteren, maar toch heeft de toespraak hem, een beetje onverwacht, bevreemd. Iets te nadrukkelijk, aan het eind, of over het geheel, afin, hij had een onaangename verbale gijzeling gevoeld, een lichte walging. Hij kende nochtans goed diens heftigheid, tegenpool van zijn eigen flegma, de drang van de man die geen dode tijd kan begrijpen, die altijd streeft naar meer, meer hebben, meer bevelen, meer provoceren, meer agiteren. Altijd die toespraken vol oorlogszuchtige metaforen over ons geweldige land dat een hele reeks veldslagen moet winnen. Niks nieuws, routine, maar onverklaarbaar had hij zich beklemd gevoeld. En deze morgen weer die oorsuizingen. Dat zal hem niet beletten om op te staan en te doen wat van hem verwacht wordt. Hij meesmuilt dat hij een dappere soldaat is, een dichter-soldaat, zoals velen voor hem, de geschiedenis barst van de mannen die zowel de pen als het zwaard gehanteerd hebben. Maar poëzie doet de Burgermeester grinniken. Die wil net op hetzelfde moment tegen hem gaan fulmineren: de telefoon rinkelt, op het nachttafeltje, zoals elke morgen, maar vanmorgen zegt hij bij zichzelf dat hij zal opnemen, maar nu niet, eenmaal is geen maal, hij wil zich enkele ogenblikken gunnen, adempje halen, luchtje scheppen, drie keer is telefoonrecht.

3 Mon

Nooit vroeg wakker, Mon. Nachtraaf, zei zijn moeder, God hebbe haar ziel. Man voor de bewaking in een bar, nooit thuis voor 5 of 6 uur ’s morgens. Veiligheidsagent? Ja, videur, had zijn moeder gezegd, maar dat is wel rustiger dan gangster of trafikant. Eigenlijk had ze geen ongelijk: Mon leidt z’n leventje zoals hij een bootje zou sturen over het meer van Genval. Meer dan min tevreden over z’n lot. Overdag tijd voor zijn keukenpassie, en voor martiale kunsten. Deze morgen uit zijn bed gevallen, koffie, paraat, in glansvorm, dus vlug een aanvalsplan. Naar de markt voor het schapraai, dan de keuken in, daarna naar de training, en de dag is alweer gevuld. Zonder monomaan te zijn, is Mon een van die mannen die zich altijd intens investeren in wat ze doen. De voorbije acht maanden Japans koken, nu de Renaissance-keuken – blancmange, sauce cameline of poudre de duc. De woorden alleen al doen van genot de mond opengaan bij wie het ongekende zoekt en dat vindt in het oude, het zeer oude – onder het stof van wiegedrukken, de reuk van ragoûts, brouets en pasteien, bij de tijd gebracht door de moderne warmte van kookplaten in retro-keramiek. Aarzelen doet hij tussen een pastei van wortelen in sap van onrijpe druiven en beignets van pompoen met azijn en honing. Maar omdat aarzelen niet zijn sterkste kant is, trekt hij een trui aan en zegt tegen zichzelf dat hij wel ter plekke zal kiezen aan de hand van de staat van de groenten. Deur dicht, trappen af, in dertig seconden is hij op straat.

4 Tine

‘Wat een straf om, zoals mijn grootmoeder, officieel Celestine te heten, van de orde van de ‘hemelsen’, als je je leven onder de grond moet doorbrengen.’ Zij die zich deze zuurzoete bedenking maakt, draagt die voornaam al 37 jaar en bestuurt metro’s al ruim 10 jaar. Ze mompelt het half glimlachend: ‘Ik realiseer me dat eigenlijk pas nu, geen onderaardse maar een bovenaardse naam, voorzeker omdat ik blond ben.’ Behalve dat zo’n vooroordeel, zoals iedereen weet, alleen maar van toepassing is op vrouwen met lange haren, die bevallig hun schouders kunnen ophalen en laten terugvallen in de beste blondinestijl. Maar Tine heeft het kapsel van een halve jongen, en behoort daarmee tot de blondines die ontsnappen aan voorspelbare moppen. Maar dat is het enige waaraan ze ontsnapt. Allemaal leven we in een tunnel, metrobestuurders of niet. Vroeg opstaan om je brood te verdienen met dagelijks labeur, doodgewerkt weer thuiskomen, om dan een beetje te leven. Het leven, la vie en rose, la vie en noir, c’est la vie, soms maak je in dat leven zelfs kinderen, word je verliefd – zonder jou is m’n leven niks – geloof het of niet, krankzinnig wat je allemaal doet wanneer je geen tijd hebt om iets te doen. Werk, moderne godheid, die zonder ophouden moet aanbeden worden, want levert rantsoen. Werk, zo heeft de PM, de Meester-President, gisteren in zijn kerstwensen gezegd, Werk is een waarde, een Fundamentele Waarde. Niet zoals Lediggang, moeder van alle ondeugden, en van alle problemen voor elke regering. Dus is Tine die morgen, voor het krieken van de dag, in haar metro afgedaald, met het nieuwe gevoel dat ze er zich gaat begraven. En met een korte gedachte aan haar buur beatnik, die nog altijd heel de dag zwerft, zonder te beseffen dat hij weldra zal achterhaald worden door de waarde Werk, dat hij maar oppast! Lijn 13 van de metro is een nachtmerrie: helse kadans, propvolle wagons, rechtlijnig traject van een doodvervelende monotonie. Perrons waarop reizigers zich verdringen tot op enkele centimeters van de rand, die zijn het spookbeeld van alle bestuurders. Er zijn glazen voorzetdeuren beloofd, die worden elders al getest, maar in de plaats komen steeds weer sukkels en sullen in oranje hesjes, die de reizigers de rijtuigen induwen. En dan word je geacht je tijden te respecteren en uitleg te geven voor de minste vertraging. Tine doet moeite om recht voor zich uit te blijven kijken. Ze ziet weer het grimassend gezicht van de PM, hoort weer de woorden die in lus terugkeren, vervormd door de geluiden en schokken van de metro: Arbeid, Fundamentele Waarde, Vlaamse Waarde, Vale Waarde, Valse Waarde, Ware Vlaanderen… Voor een goed begrip: de PM is de Politicus Maximus, de Opperpoliticus van het land. Doet niet aan besturen, maar aan bijsturen. Richt en snoert de MP, de mini-ster-president en diens ministers in Vlaanderen, zowel als de eerste minister en diens regeringsleden in België. De PM heeft geen (grond)wettelijk statuut, hij kan daarom zijn PM cumuleren met een partijvoorzitterschap en een ander politiek ambt, bijvoorbeeld burgemeester (meester van een burg) of burgermeester (meester van burgers). 

5 Lucien

Laatste sigaret. De kwajongens en -meisjes van de vierde wachten ongetwijfeld al op hem, altijd op hun qui vive– dat is het voordeel van de leeftijd dat ze om 8u ’s morgens al opgewekt een klaslokaal met bleek neonlicht binnengaan. De beste sigaret van de dag, beter nog dan de eerste koffie: hij inhaleert buiten, sinds luchtbezoedelaars de leraarskamer ontzegd is. Hij betreurt dat verbod wel, hij mocht graag verwarmd roken, maar de kou herinnert er hem tenminste aan dat hij een soort held is, iemand die behoort tot de volhouders, sigaret in de mondhoek totterdood, kwestie van principe, geen sport, geen gedoe om de nieuwe universele lijn te volgen, de lijn die, tussen twee footings door, verplicht tot een stormloop op bio-winkels, speurend naar vezels en vitaminen, anti-oxidanten en mineralen, vegetale eiwitten en complexe glucines, die, samen met zoutarme sojasaus en ronde rijst, gezondheid, vreugde en goed geweten garanderen, en vooral een lang leven – een nog langer leven, wat een verschrikking, en zonder alcohol, zonder hartig vlees – arm mensdom, dat zichzelf verliest in verfoeiing van zijn genoegens, bezig met zichzelf te haten, zichzelf smaakloze regimes op te leggen, zonder genot, maar zo gezond voor zichzelf, voor de Aarde, al die pseudoecoherauten van de Natuur, een zoete Natuur ingekrompen tot twee of drie stereotypen: foto’s van babypanda’s, babybeertjes, babyvogeltjes en andere lieve dingetjes die moeten beschermd worden; foto’s van arme maar waardige vrouwen, gehuld in pittoreske lompen in tropische zonsondergangen, magnifieke wezens in mooie landschappen, esthetisch genoegen gewaarborgd… Stop. Die zurige gedachten overvallen hem vroeger en vroeger ’s morgens, hij moet gaan opletten, de kinderen wachten op hem, opletten dat hij niet verglijdt tot grienen, dreinen, zeuren, een beetje over zichzelf waken, zij verdienen beter dan een bittere leraar, nog ene, het beroep is er vol van. Lucien is graag leraar. De mensen vinden dat vreemd, zij hebben liever dat onderwijsvakbonden mopperen en klagen, hun malaise breed uitsmeren, dan kunnen zij weer zeggen dat zij dit beroep alleen maar gekozen hebben voor de vakanties, en dat ze voor de rest brompotten zijn. Zo’n etiket is gemakkelijk, gerieflijk, laten we er maar niet aan krabben. Nochtans is Lucien dol op zijn klassen, op die bruisende adolescenten die hem uitputten, ja, maar die hem meer stimuleren dan de ouwe knarren en korsten met wie hij zou werken als hij boekhouder, informaticus of inkoper in een grootwarenhuis was. Het is veeleer de rest van de wereld die hem te moede is. Hij duwt de deur van lokaal 407 open. De leerlingen zijn er al. Tommy, Bilal, Andrea, Khadija, Jordan, Maëlle, Aylan, Sandra en de anderen, ze wachten op hun leraar. Daar is hij.

6 Charles

Een deur die dichtklapt. Dat moet Adelina zijn. Lusofoon?, had die ezel van een Theo gevraagd, in de ministerraad. Armtierige vent, gebombardeerd tot fractieleider en daarna regeringslid, maar dom en kwaadwillig, onwetend en ongeletterd bovendien. Lusofoon, ja!, ze is Portugese, had hij neerbuigend gepreciseerd. Ah, ik was uw precieuze taal vergeten, had die kloot geantwoord. Charles zucht en zegt bij zichzelf dat hij deze morgen een beetje tijd zal nodig hebben om uit het water te komen. Eerst het bed uitglijden om Adelina te zeggen, dat ze niemand tot bij hem doorlaat voor hij ietwat uit die verdoving, die vertraging van geest geraakt is. Zelden dat hij zijn tijd neemt, zelden dat hij een paar minuten gerust gelaten wil worden. Ik ben er voor niemand, ik weet het, de telefoon gaat, laat ‘m gaan. Weet je, Adelina, ik zou graag hebben, echt graag, dat je die koekjes, die met crème, nog eens maakt, die van Kerstmis vorig jaar, die waren zo heerlijk, met dat vleugje kaneel. Ik ga nog een beetje liggen, een beetje maar, nee, nee, ik ben niet ziek, ternauwernood een beetje moe, er zijn die oorsuizingen, maar zeg maar dat ik ziek ben, dan laten ze me gerust, en jou ook, om je koekjes te bakken, ik schuim al! Charles was beginnen schrijven op een dag dat hij zich heel alleen gevoeld had. Om een leegte te vullen: woorden zijn als stopverf, als cement, om te vermijden dat water sijpelt tussen de dingen, de mensen of de gevoelens. Daarna was hij ermee doorgegaan en er verzot op geworden. Zijn papiertjes hadden uiteindelijk de aandacht getrokken en deden sindsdien imbecielen en theofielen grinniken. Als ze zouden weten. Als ze zijn geluk zouden kennen. De luxe je leven te kunnen uitvinden en tegelijk beleven. Als hij Theo nog sereen in de ogen kon kijken, dan omdat hij hem al had opgehangen, gevierendeeld, vernederd, vertrappeld in talloos veel verhalen, inderhaast neergekrabbeld, voor het plezier, voor het leedvermaak, voor de schoonheid soms ook. Alhoewel, schoonheid… Dat had hij zich ooit in het hoofd gehaald wanneer hij ermee begonnen was, maar al vlug had het dagelijks leven, de kleingeestigheid en het piepend raderwerk ervan, de bovenhand hernomen, en was schrijven voor hem vooral een manier van overleven geworden. Hij schrijft allerlei soorten verhalen. Wrede, boosaardige poëzie, maar ook heldendichten, waarin hij vastberaden schittert. Zwier en branie, dapperheid en moed – een waar feest!

7 Mon

Een pastei met wortelen en sap van onrijpe druiven. Mon loert naar de producten op de schappen. Appetijtelijk, jawel. Maar helemaal niet wat wortelen waren in de Renaissance: van wisselende kleur, dichter bij de pastinaken dan deze dikke, bolle en vooral intens oranje groenten. Hoe kun je zo oranje zijn? Dat is een kleur die een beetje vulgair is dezer dagen, na het treurige misbruik ervan in de jaren '70, maar voor wortelen kan ze aanlokkelijk blijven. Een oranje pastei, waarom niet? Ten slotte moet een gerecht niet als dit of dat zijn, niks is verplicht in een kunst die alleen maar kortstondige, vluchtige, vergankelijke werken kan opleveren, die gegeten, gekauwd, verzwolgen worden zodra ze gecreëerd zijn. Mon kiest voor de wortelen, hij zal de oranje vulgariteit wegwerken door toevoeging van een scheut citrussap en een mespunt komijn. Maar hij begint opnieuw te twijfelen. De markt lijkt abnormaal verlaten, de kraampjes zijn weinig talrijk, de schappen en stalletjes karig gevuld. En de gezichten van de verkopers op onvriendelijk. Die klanten niet toeroepen, niet extatisch doen over de versheid van hun waar of de onklopbaarheid van hun prijzen, nee, allemaal bekijken ze vies de enkele humeurige klanten. Hij, Mon, waart gewoonlijk wel met schrikaanjagend gezicht door deze altijd rumoerige en vrolijke markt. Hij, die niet genoeg slaapt en altijd klaagt over de kilte of de warmte, en zijn bed dat hij mist. Zij, de marktkramers, zij lijken altijd onverwoestbaar levendig en vrolijk, stentorstemmen en ongezeglijke smoelen, zij vergloeien en verwarmen zich met bier en wittekes. Iets klopt niet, maar wat? Mon spreekt de groenteman erover aan, een jonge gast die ongetwijfeld de aanbevolen vijf vruchten en groenten per dag consumeert, maar die desondanks – waarom zou het leven rechtvaardig zijn? – een fastfoodvel vertoont. Niks aan de hand, nee, niet dat ik weet, da’s drie euro. Nog iets? Nee, niks meer. Mon heeft gehoord hoe de visvrouw daarstraks luid tegen de keurslager zei dat de PM een jaar vol hoop aangekondigd had. Ze moet het gehad hebben over die fameuze toespraak van 31 december die verdaagd is naar 4 januari. Waarom al die trammelant met data? De 31ste, de 1ste, de 4de, ach, het volk maalt er niet om, heeft er zelfs schijt aan. Het volk kan die paar dagen niet schelen, allei, we gaan niet zeveren en ambeteren, de PM moet zijn vakantie in de zon niet bekorten voor een televisietoespraak, al dat gedoe, laten we modern zijn, hervormen, stof wegblazen,taboes doorbreken, gewoonten veranderen, mentaliteiten schrobberen, vooruitgaan, m’n waarde gewestgenoten. De 4de januari kondigde de Politicus Maximus, namens de minister-president en alle mini-sters, dus hoop aan.

8 Tine

Aankomst in het station. Stop. Deuren open. Wat nu? Beetje wachten, het signaal laten horen, deuren sluiten, vertrekken? Vertrekken voor weer een ronde, twee, drie… Tine ziet de reizigers uitstappen, velen gaan weer open lucht happen, ontsnappen uit de tunnel waarin zij nog ettelijke uren moet blijven. Ze volgt ze, ziet ze uitstappen op het perron, stappen, weggaan. Uitstappen op het perron, lopen, buitengaan. Zij ook stapt het perron op – haar grote zak schuin over haar rug, het portier van haar cabine afgesloten. Zij stapt naar de uitgang. Ze volgt de mensen die naar de straat opklimmen, ze mengt zich onder de mensen die hun conversatie voortzetten of zich onder muzikale perfusie houden. Ook zij is nu buiten. Op dat levendige plein dat ze bijna elke dag ondersteekt zonder het te zien, opgesloten in haar cabine, waar ze van de wereld boven alleen maar brokjes ontvangt via de mannen en vrouwen die ondergronds gaan: het weer bijvoorbeeld, staat op hun kleren ingeschreven, net als de rijkdom of de armoede van de buurt waar ze in- of uitstappen. Vooruit met de geit. Op het Muntplein zet Tine zich in beweging. Na braaf gepauzeerd te hebben bij de verkeerslichten, steekt ze de Anspachlaan over, maar maakt dan bruusk rechtsomkeer, naar de Nieuwstraat. Smallere straat, lelijke straat. Ze loopt terug, zuidwaarts. Als je niet weet waarheen, zet dan je steven naar het zuiden, dan heb je nog alle tijd om je te bedenken, wist haar grootmoeder. Kijk, oma, ik volg nog altijd je raad, ik loop nu in een sombere en kille straat, waar de pollutie van bussen en al wat rijdt sinds lang neergeslagen en vastgezet lijkt, tussen grijze gebouwen met soldenwinkels, maar ik ga zuidwaarts, en zal me later bedenken.

9 Lucien

Routine zet zich vlug vast in een klaslokaal. Een beetje als in een bejaard koppel. Soms is alles alleen maar verzenuwing, provocatie, aandrang tot oorvijgen. Maar meestentijds ken je elkaar, en ook al irriteer je elkaar af en toe, dan weet je elkaar toch naar waarde te schatten en ben je eigenlijk een haven, of toch een kaai voor elkaar. De leerstof van deze morgen geeft echt de warmte van een familiale cocon. Het loopt op wieltjes. Dan stelt Sandra een vraag. Ze heeft, tot ieders verbazing, gisteravond de wensen van de PM op televisie gezien. (Wat? Heb jij naar die clown gekeken?) Hij heeft iets gezegd, over een wet die hij naar de letter en naar de geest zal toepassen en zij begrijpt dat niet goed, dat van die letter en die geest. Ja, reageert Lucien, dat is een onderscheid dat wel eens gemaakt wordt, men zegt dat de letter van de wet doodt wanneer ze niet naar de geest toegepast wordt. Het is een beetje als wat ik daarnet geantwoord heb aan Tommy, die me zijn huiswerk afgeeft met drie weken vertraging, omdat ik zo goed geweest ben om jullie te zeggen dat ik niet te streng zou zijn voor lichte vertragingen. Tommy zegt dat zijn vertraging klein is, ik zeg dat ze enorm is, alles is kwestie van interpretatie. Je kunt vitten en haren klieven over het woord ‘licht’, de letter, of je proberen te houden aan wat ik jullie daarnet heb willen zeggen, de geest. Jaja, akkoord, maar men zegt ons heel de tijd dat de wet de wet is, dat je daarover niet moet discussiëren, dat de wet in marmer gehouwen is, maar in feite is het een andere truc, van de onbetrouwbare soort, ook weer een kwestie van interpretatie, de ene keer de geest, de andere de letter, het hangt er allemaal van af, van wat? De tussenkomst van Bilal lokt diverse reacties uit, maar Lucien kanaliseert alles minzaam. Hij luistert. Afin, hij luistert niet echt, hij doet alsof hij luistert, laat de draad los, volgt nog enkel vaag, laten we zeggen, de geest van de discussie, maar is de letter volledig uit het oog verloren. En begint zich plots af te vragen of hij er wel goed aan doet daar te blijven, onder het neonlicht, of hij niet wat afstand zou moeten nemen, naar de rokerszone gaan, de poort van de school uit. Hij doet een stap naar de deur. Een tweede stap. En nog een. En alsof het vanzelf gaat, legt hij zijn hand op de klink, draait zich naar de leerlingen en zegt: ik laat u, tot ziens.

10 Charles

De koekjes worden gebakken. Charles dagdroomt. Hij ziet zich terug als student, flaneert door Brussel, jaren 90. Hij denkt terug aan die meneer die hij toen tegengekomen is, die zei, voilà, we gaan een weg aanleggen, een lange weg, om de Wetstraat, die toch wel veel te kort is, uit te rekken, uit te rollen tot aan de zee, kwestie van de Brusselaars een beetje perspectief te bieden. De zee aan de einder van het asfalt, kwestie van te kunnen herademen. En Brussel ja, dat zou best verlengd of verlegd worden naar de Ardennen, de Brusselaars zouden daar wat luchtiger kunnen leven. Dat spreekt toch allemaal voor zich. Het spreekt inderdaad vanzelf, maar niemand die het voorstelt, niemand die er nog aan denkt, je gaat nog geloven dat vanzelfsprekendheden niet veel mensen meer interesseren. Hij, hij wil sommige onrechtmatigheden rechttrekken, een aantal schandelijkheden die ons fier landje in de loop van de tijd verzameld heeft. Weinigen die bijvoorbeeld weten dat de vrouw van de Onbekende Soldaat nooit enig pensioen getrokken heeft. Alleen De Zwever, die meneer van toen, deed verontwaardigd over de kwestie, wou de vergetelheid herstellen. Hij was bezorgd om de kleine man en vrouw, hij gaf ze in zijn programma oprecht aandacht. Aandacht volstond niet, energieke maatregelen zou hij nemen als hij tot premier verkozen was. Een van zijn blikvangende maatregelen, afschaffing van het pauperisme na 10u ’s avonds, deed veel inktpotten overlopen, maar weinig commentatoren wisten de draagwijdte en het resoluut vernieuwend karakter van het voorstel naar waarde te schatten. Hij was ook de enige die roltrottoirs voorstelde, om het werk te verlichten van de prostituees – die andere onbeminde misdeelden. Hij wou ze hun ware waardigheid teruggeven. De politieke scène kent vandaag geen De Zwevers meer, alleen nog maar stomme ezels: die hebben het over pragmatisme, realisme, aanpassing aan de economische en sociale Context, zonder nog één voorstel om die context te veranderen. We moeten ons aanpassen aan de omgeving en die vooral niet doorkruisen, niet in de rug duwen, ook niet een klein beetje, opgepast, laten we de context niet wakker maken, niet voor het hoofd stoten, hij zal rood aanlopen, en dan, oei oei, hel en verdoemenis, de gevolgen zullen onvoorzienbaar maar wel voorzienbaar rampspoedig zijn, derhalve is voorzichtigheid geboden, laten we alleen maar afgemeten rijden op de heel kleine afgebakende wegstrook, nauwgezet de witte lijnen volgen, geen ongeluk riskeren, dan kan de Context op zijn twee oren slapen. De Zwever, die bekommerde zich niet om de context. Die beloofde onvervaard de invoering van een feestdag de dag na elke feestdag. Die bleef stoutmoedig, weigerde zijn programma te detailleren, uit schrik dat het hem, nog voor zijn verkiezing, zou ontstolen worden. Je kunt nooit voorzichtig genoeg zijn met politici. Hij heeft zich bij alle soorten verkiezing kandidaat gesteld, ondanks het hardnekkig en luidruchtig verzet van de anti-Zwevers. Zijn beste score, bij een federale verkiezing, liep op tot 151 stemmen. Gevolg: de Wetstraat reikt niet tot de zee. Ander gevolg: politieke toespraken, eindeloos, van politieke kannengieters, van pragmatische ezels. En de minister die terugspreekt. Meanderende zinnen die over hetzelfde onderwerp lijken te gaan, maar die bij nader inzien uit de handleiding voor de montage van een Pax garderobekast van Ikea blijken te komen, zo eentje met complexe dubbele schuifdeuren. Nog een gevolg: de Context snurkt nog altijd vreedzaam, zonder dat iemand er ooit nog aan denkt hem een beetje opzij te duwen: dikke luilak, je ligt in onze weg, je verdikt met de dag, en de zee verwijdert zich dag na dag van de Brusselaars, jij,zwaarlijvige context, jij belemmert ons het zicht, neemt alle plaats in, paffer, terwijl de weduwe van de Onbekende Soldaat haar ellende draagt door trieste straten, voor en na 22u, de mensen merken het niet, ze hebben wel andere zorgen, ze werken zo veel en zo lang, zelfs de dag na een feestdag, ik zeg het u, terwijl ze almaar dunnere lucht moeten inademen. En toch… Ons is de zee beloofd.

11Mon

De wereld gedraagt zich vanmorgen enigszins verbijsterd – een houding die Mon wat graag helder zou kunnen identificeren, kwestie van met een licht hart te kunnen huiswaarts keren en zich in alle gemoedsrust aan zijn oranje pastei te kunnen wijden. Goed, een karig voorziene markt, een ronduit knorrige sfeer, mensen die smoelen trekken, gotjes, ze hebben er het recht toe, niks verbazingwekkends, misschien maal ik mij de hersenen te veel voor twee keer niks. Net als elke Brusselaar op zoek naar een antwoord, besluit Mon halt te houden in het café op de hoek. Heilzame stap die almaar moeilijker lukt in buurten die recent opgelapt zijn, waar sommige ouwe staminees opgeknapt zijn, stijl bobo, met een duidelijke voorkeur voor auberginetinten, zetels in plaats van stoelen, kunstzinnig gezeefde lichten en – onvergeeflijke ketterij – geen toog. In zo’n kader krijgt de geest het zwaar en het gezicht een doodskleur. Mon heeft nog dicht bij huis een echt café, bevolkt door zijn traditionele pijlers, vasthoudend aan een traditionele toog, waarachter een baas heerst die alles heeft wat een cafébaas moet hebben, moustache, vaatdoek over de schouder en prompt commentaar op alles. Hij stapt er binnen, gaat recht naar de toog, een koffie alstublieft, spitst de oren, hier weet men alles en spreekt men over alles. De cafébaas, half over de toog, is in discussie met twee kerels. De eerste verwerft zich wat centen door de honden van oudjes in de buurt uit te laten, de andere verdient zijn leven niet, is een van de onbegrepen kunstenaars uit de buurt. Niemand heeft hun voornamen ooit gekend, Mon groet ze met een hoofdknikje. ‘Ik, ik heb die zet van dat uitstel tot 4 mei niet verteerd.’ ‘Bah, we komen er toch mee weg, niet? Of het nu die dag of een andere is…’ ‘Nee, ik kom er niet mee weg, meneer, ze houden ons voor stomme kloten. We vragen hem toch niet veel, alleen maar dat hij er is op 31 december, en ons een korte speech geeft, heel lang moet dat niet zijn, 10 minuten, maar nee, hij heeft geeneens 10 minuten voor ons, gelooft gij dat, gij? Waarom zouden we dan die paljas blijven verdragen, ons uit de naad blijven werken voor hem?’ ‘Je hebt gelijk, per slot van rekening, het leven is geven en nemen, donnant donnant, recht en plicht, als jij mij respecteert respecteer ik jou ook, anders gaat het om zeep.’ ‘Voilà, dat is het, het is om zeep.'  

12 Tine

Zij is nog altijd op de loop, de ogen geloken: de Nieuwstraat, ingekapseld tussen te hoge gebouwen, doet nu eenmaal de ogen niet opslaan, de neus niet verheffen. De winkels zijn bijna allemaal gesloten vandaag, in volle week, de geranten lijken zich een geïmproviseerd dagje vrij gegund te hebben, een welgekomen time out. De straat wordt er nog luguberder door. Tine vermijdt de reten in het trottoir, zoals ze als kind deed. Haar geest, zwieriger dan gewoonlijk, zwerft rond en keert weer naar vergeten spelletjes. In een hoek aan de Finistèrekerk ontwaart ze een flikkering. Haar geest springt op de gelegenheid en gunt zich een nieuwe zwenking naar vroeger, naar haar fantasietjes als klein meisje: op een dag zou ze een ring vinden, een ring met een heel grote edelsteen. Vandaag beeldt ze, 37 jaar, zich in dat ze eindelijk dat juweel gaat oprapen, dat juweel dat daar in de hoek fonkelt, en vandaag gaat ze doen wat je in zo’n geval moet doen: erover wrijven tot er een dikke wolk uit oprijst, die versnelt, al vlug een kleine tornado wordt, nog versnelt, tot de finale explosie. Waarna de rook oplost en plaats laat voor een opmerkelijke man: groot, slank en niettemin sterk, glimlachend, met sprankelende ogen. ‘Dag. Ik ben de geest van de ring.’ ‘Pardon?’ (De scène, hoewel menigmaal verbeeld, blijft daarom niet minder pakkend – dromers zijn nooit geblaseerd.) ‘Ik ben de geest die uit de ring ontsnapt elke keer als je erover wrijft. Je hebt recht op drie wensen, en die zullen vervuld worden zodra je de ring weer weg, ver weg geworpen hebt , zodat iemand anders hem op een dag weer kan oprapen.’ ‘Ik kan echt vragen wat ik wil?’ ‘Ja. Wat zijn je drie wensen?’ Tine aarzelt. Volwassenheid was tot nu toe telkens weer een wanhopige logenstraffing van al wat sprookjes haar geleerd hadden: de Prins op het Witte Paard blijkt nergens te bestaan, padden veranderen nooit in schone jongelingen, geen fee komt ooit moede en slecht opgedirkte meisjes omtoveren in prinsessen. Men doet kinderen dromen, en dan moeten die zich vervolgens de rest van hun leven aan die zoete illusie schuren en schaven. Maar, deze morgen, treft ze zowaar wel een geest, een magische geest en nog wel een verdraaid aardige verschijning ook, die mij zelfs het kunstje met de drie wensen voorschotelt, knijp mij, ik droom, het is heerlijk. ‘Oké. Ik zou graag mijn vermoeidheid ergens achterlaten en nergens weervinden.’ ‘Vervuld.’ ‘Ik zou mijn dagen niet langer willen doorbrengen in een lange tunnel.’ ‘Vervuld.’ ‘Drie: ik zou graag een beetje meer onder de mensen komen, vrienden en vriendinnen hebben met wie ik een hele hoop dingen doe, kleine dingen, maar als het kan ook grote dingen, niet noodzakelijk het Grote Ding, le Grand Soir, maar toch, een paar dromen, enkele mythen, broeder- en zusterschappen – ik weet niet of ik duidelijk ben.’ De geest veroorlooft zich een kleine glimlach. ‘Het is heel duidelijk. Vervuld.’ Tine bekijkt de geest. Mooie man. Verdomme, een man. Helemaal vergeten. Een man had ze zich ook kunnen wensen. Te laat. Dat is het probleem met wensen. Je krijgt nooit de tijd om je erop voor te bereiden. Iedereen is gehaast, zelfs geesten.

13 Lucien

Eentje opsteken, op weg naar het metrostation, de gedachten op wandel, je laten meevoeren door de stroom reizigers, de wagon binnenstappen, gaan zitten op een klapstoeltje, rustig wachten, regelmatig schokken, stads gewieg, vertrouwd geknars. Plots: stop. De mensen die recht staan verroeren zich niet. Onregelmatig rijden behoort tot de dagelijkse routine. Maar de stop blijft duren, zonder uitleg. Niemand die een vraag stelt, iedereen blijft zitten, in gedachten elders, nauwelijks betrokken. Voortrijden of blijven staan, het lijkt ze niet te deren, denkt Lucien bij zichzelf, en deelt ook dat gevoelen. Alleen dat jonge kaderlid, zwart pak, graatmager, kort haar, klein brilletje, maakt zich nerveus in zijn gsm: ‘Je weet het Ivan, het is altijd hetzelfde, voor hoeveel geld wedden dat het weer een stoot is van die mannen, het is ze niet genoeg om ons ettelijke keren per jaar te gijzelen met hun stakingen, die moesten verboden worden, nee, ze verknoeien heel de boel heel de tijd, nu weer, mijn metro staat stil, zit vast, zeker weten dat een van die idioten aan het onderhandelen is voor een bijkomende rookpauze, en wie is weer de pineut? Mensen als ik, de werkers, de echte werkers, de harde werkers – nog altijd geblokkeerd, als ik een syndicalist tegenkwam, zou ik zijn bakkes tot moes kloppen.’ Lucien hoort het jonge kaderlid aan, stapt dan uit, naar boven, naar de uitgang, naar de rookzone, de lucht moet er beter in te ademen zijn.

14 Charles

De telefoon blijft rinkelen. Die zou beter afgelegd worden. Maar het gerinkel heeft iets hypnotisch, het scandeert de verdoving waarin Charles zich laat dragen, het is een alarmsein, een sirene of een zeer schone vrouw, denken aan sirenenzang, je laten meevoeren, de Aarde vergeten, de stroming zal je meenemen, de nevellucht zit vol zoete geuren, kaneel en zilt. Gehoorzame soldaat is hij. Die ’s morgens opstaat, ’s avonds gaat slapen, van ’s morgens tot ’s avonds zijn leven leidt. Het is de orde der dingen, denkt Charles, die is zo gemaakt, van zonsopgangen en -ondergangen, een onbeweeglijke orde, een loop der dingen, die door de vingers glijden en langzaam uitdruipen, stukjes leven die in alle richtingen wegvloeien. Al die luttele eindjes die verloren gaan, die je vergeet, die je zou moeten bijhouden, sommige toch. Denk even: er wordt aangebeld, het is voor een levering. Ik doe open: het zijn een hoop vormeloze zakken. In die zakken alle eindjes van je leven die je verloren waande. Ze hebben natuurlijk alles door elkaar verzameld en verzakt, grote eindjes, kleine eindjes, alle soorten duimpjes en pulkjes van het leven, een onwaarschijnlijke hoop. Wat ga je dan daarmee doen? Ondoorschijnende zakken die je appartement versperren? Een zotte bazaar, een afschrikwekkende karwei van uitschudden en rangschikken, wat moet je ermee, met al die levenseindjes? Een zak even openen, en je ziet meteen dat niet alles roze is daarin, alles uitspreiden over het tapijt, walgelijk. Kom, mijn besluit staat vast: weg ermee, ik sta ze af aan mijn biograaf, hij mag ze sorteren, dat is trouwens zijn werk, het zou er nog moeten aan ontbreken dat ik mijn leven zou verpassen door ouwe levenseindjes te klasseren, wanneer zou ik het ten andere moeten doen tussen opstaan en slapen gaan, denken ze dat ik niks anders te doen heb, opstaan, slapen gaan en tussenin leven. Die zakken, alleen al het zicht put me uit, mat me af, ik ben moe, dood, nee, die zakken kan ik er niet meer bij doen, ik heb al te veel werk, opstaan, slapen gaan en daartussen leven.
 

15 Mon

Eerst de fond. De meeste mensen kopen hun beslag al kant en klaar, en denken daarmee te kunnen kokkerellen. Alsof architecten hun funderingen kopen in kits, klaar om in de grond te planten. Zoveel lichtvaardigheid is beangstigend. En deeg, eenmaal bereid, geeft een korst. En de korst van een taart, die is fundamenteel. Zoals iedereen weet, is de mensheid opgedeeld in twee grote families: zij die de korst van taarten opeten, en zij die ze laten liggen. Fenomeen uit en te na gekend, maar daarom niet minder onverklaard. Geen enkele serieuze poging tot interpretatie tot op vandaag.

Mon heeft korsten altijd gegeten, hij kan zich niet voorstellen dat hij die kleine knapperige brokjes zou terzijde schuiven. Hij kijkt altijd met een blik van verdenking naar al diegenen die er zich, subtiel of brutaal, van ontdoen. En hij raakt geïrriteerd elke keer als hij recepten tegenkomt voor quiches zonder deeg – waarom dan geen soepvlees zonder rund of paella zonder rijst? Waarom moeten korstonthouders zo nodig komen met zo’n absurde recepten? Blijft dat als er één terrein is waar de posities zo ferm en de meningen zo onomstotelijk zijn, dat van de korst is. Mannen, vrouwen, bejaarden, jongeren, rijken of armen, we zijn niet gelijk voor de korst.

Mon steekt zijn hand uit naar de radio, duwt op de knop, een beetje muziek zal de kwestie tot bedaren brengen.

Het bromt, dat is alles. Stomme radio. Nieuwe batterijen van nog maar een week geleden. Tenzij er weer staking is. Maar het gebrom en geknetter is algemeen, geen enkel station is te beluisteren – algemene staking, hij zou er toch van gehoord hebben. De mannen in het café zouden het erover gehad hebben, zouden niet blijven zeuren zijn over de toespraak van de PM.

Er was dus een toespraak geweest, en daarna niks meer, doodse vlakte, zielloze routine, dagen die elkaar opvolgen en op elkaar gelijken. De batterijen blijven het niet doen. Alhoewel. Mon vindt uiteindelijk toch iets. Een station dat de meest ouwelijke muziek laat horen, muziek die zich onomwonden schatplichtig toont aan de figuur van de PM en de partij van de Burgermeester. Vreemd.

De batterijen moeten van elke schuld vrijgepleit worden.

16 Tine

Jaren geleden dat ze zich nog zo werkeloos gevoeld heeft. Ben je volwassen, is je tijd altijd geteld: voor werken, voor carrière, voor vakanties, voor vrienden, voor liefhebben en kinderen, daarvoor moet je tijd hebben, veel tijd. Je moet ook iedereen doen geloven dat je niet gierig wil zijn met je tijd, terwijl je toch vreselijk inhalig bent: je berekent, je pingelt af, een beetje meer tijd, een beetje minder, geen tijd, ik loop, jij rent, hij holt, de tijd achterna, moe.

Laten we de tijd bedriegen, denkt Tine, laten we hem verbeuzelen, verprutsen, voorbijslenteren.

Aan het werk! Aan het werk! Aan het werk!, schreeuwt de PM lang en hard, ik wens u allen een leven van labeur, een vermoeiend leven, en als u de ganse dag opgesloten zit onder de grond in een kleine cabine, jammer voor u, een leven van labeur, zeg ik u.

Maar het is mijn leven, en waarom zou meneer de PM me dat afpakken, mijn leven willen schoonmaken zoals hij dat met een vis zou doen, de ingewanden eruit halen, alles wat niet naar roze ruikt en niet presentabel is, en daarmee is het beestje goed voor het offer, op het altaar van het labeur, waar je, dat is geweten, alleen maar bloed, zweet en tranen aantreft. Een leven van labeur, labeur van een leven, diefstal van het leven. Voor mij het labeur, voor u de diefstal, ieder zijn rol, altijd dezelfde.

Dag meneer, mijn leven zint me niet meer, ik denk dat ik niet het goeie model gekozen heb, ik zou het graag ruilen, ik heb het ticket niet meer maar u ziet wel dat het ongetwijfeld van bij u komt. Maar natuurlijk, mevrouw, onmiddellijk, het model labeur bevalt u dus niet? Nee, ik ga het model dief proberen, als u er nog een hebt. Ha, u hebt geluk, hier is er een, het laatste, ze gaan weg als warme broodjes, we zijn geplunderd, een waanzinnig succes. Dankuwel, meneer, dat zit perfect. Alstublieft, mevrouw, mooi dievenleven gewenst. Merci meneer, tot ziens.

Tine denkt dat ze op een dag zoals vandaag wel iets zou kunnen stelen, ontfutselen, aftroggelen. Ja, stelen na gewerkt te hebben, stelen als keuze, stelen uit ergernis, maar ook uit plezier of uit overtuiging, zoals in die roman die ze ooit gelezen heeft, lang geleden, De Dief, formidabel, soort anarchistische vader van Arsène Lupin, zonder diens elegantie, maar die wel kordaat zei – ongeveer, moet de juiste woorden opzoeken: sommige dieven zetten alles terug op hun plaats in de huizen waar ze inbreken, ik nooit.

Waarom niet? Nu ze erover nadenkt, zou ze wel een juweel kunnen meegrabbelen. Als je dan toch iets wil stelen, doe dat dan niet minnetjes, een beetje branie kan nooit kwaad. Een diamant? Nee, te vulgair. Liever goud, of een mooie, kostbare steen, ja, een compleet sieraad,  om prinses te worden, je ziet je meteen veranderen, prinsessen leiden formidabele levens, zij hebben alvast tijd, alle tijd. Niet vergeten ook een ring mee te nemen, een mooie ring, ringen bergen soms verrassingen.

17 Lucien

Juist: half protesteren heeft geen zin. Beetje protesteren, kieskauwen, als een boer met kiespijn. Waarom? Woorden – Lucien is ze een beetje moe. We moeten ze vaker opzijschuiven, de handen uit de mouwen steken. Er is veel materie om te bewerken: hout, steen, aarde. Zucht: zoek maar eens een kei in de straten van Brussel. Veel couragie.

Het trottoir waarover hij loopt, ziet er wel drollig uit. Beklad met slierten van gebroken eieren, van vastgeplakte bloem en scheerschuim. De bodem steekt schril af tegen de strenge gevel van de aangrenzende school. Natuurlijk weet Lucien wel dat scholieren en studenten niks liever doen dan elkaar regelmatig met slijmerige goedjes bevechten, bij het begin van het schooljaar, met carnaval… Kennelijk zijn de festiviteiten dit jaar verschoven. Er zijn geen seizoenen meer, geen kalender, sinds alles, ook de tijd, in de war is.

Voorbijgangers stappen vertraagd voort, zetten met gefronst voorhoofd hun voeten omzichtig rond de vlekken. Plak en slijm zijn geduchte wapens. Lucien heeft ooit meegemaakt hoe een van die onvermoeibare activisten zijn heroïsche kunst van de taartaanslag bedreef. Niemand is immuun voor slagroom. Hij ziet de scène opnieuw, en vindt dat ook hij wel eens, zo delicaat mogelijk, vette room zou willen platdrukken op het gezicht van een verbijsterde ergermens.

Hij steekt de straat over, gaat de supermarkt daar binnen, kiest zich slagroom en kartonnen borden uit, niemand bij de kassa, niemand ten andere tussen de rekken, het is een spooksupermarkt, als een verlaten filmzaal, alleen maar één kassierster, zij lijkt wel elders, ze bekijkt hem aarzelend en besluit dan toch zijn artikelen op de kassaband te nemen, scant ze snel en geeft ze hem met afwezige blik terug.

LEES OOK