Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Relativiteit en het mysterie van de overmoed

17 november 2021 Koen Smets
overconfidence
Overmoed zit zo diep in onze geest verweven dat je die niet kunt veranderen zonder ook aan andere zaken te raken. (© Freepik)

Natuurlijk is overmoed niet enkel iets wat we zien bij politici. We zijn allemaal wel eens te zeker van ons stuk, om achteraf te moeten vaststellen dat het standpunt dat we onbetwistbaar achtten of de aanpak die beslist waterdicht was toch niet zo onbetwistbaar of waterdicht waren als we dachten. Overmoed is een denkfout – een van de ergste, beweert Nobelprijswinnaar en éminence grise van de gedragswetenschappen Daniel Kahneman. Die is wat hij, mocht hij een toverstokje hebben, als eerste zou elimineren.

Maar hij koestert geen illusies: hij geeft toe dat overmoed “zo diep in de structuren van onze geest zit verweven dat je die niet zonder meer kunt veranderen zonder ook aan andere zaken te raken”. Eén probleem is dat overmoed alom wordt beloond: journalisten en commentatoren die hun publiek zelfverzekerd vertellen hoe de zaken zitten en wat er precies zal gebeuren, zijn veel populairder dan hun meer genuanceerde collega’s. Dat geldt vanzelfsprekend ook voor politici: je krijgt meer stemmen wanneer je 110% zeker bent van je stuk (en zo overkomt) dan wanneer men je als een weifelaar ziet die toegeeft de wijsheid niet in pacht te hebben.

Nochtans is twijfel – met mate dan toch – een nuttige cognitieve toestand, waarin we (nog) niet hebben besloten tussen geloof en ongeloof. Twijfel verhindert ons te snel conclusies te trekken en zorgt ervoor dat we, in plaats van de eerste de beste oplossing te kiezen, meerdere opties overwegen om zo tot betere beslissingen te komen. Tijdens dat proces groeit ons vertrouwen in onze conclusie, wat dan ons eigen interne beloningssysteem activeert – geen publiek nodig!

Neurowetenschapper Pascal Molenberghs en collega’s toonden aan dat hoe groter het vertrouwen van mensen in hun keuzes was, des te sterker de hersenactiviteit die optrad in gebieden die verbonden zijn met beloningen, zoals het striatum. En ook dat is nuttig: zodra we een geschikte oplossing hebben waarin we voldoende vertrouwen hebben, vertelt de beloning ons dat we verder kunnen.

Het lastige is dat dit ons ertoe kan verleiden ons in te beelden dat we meer vertrouwen hebben dan verantwoord is, enkel om een sterkere beloning te ervaren. En dat kan gauw tot overmoed leiden, en gebrekkige beslissingen. Maar als dat zo is, hoe komt dat zo’n maladaptieve eigenschap niet al lang is weg geëvolueerd, en we hem voortdurend zien? Natuurlijk zijn niet alle slechte beslissingen fataal, en kunnen we een lang en overmoedig leven leiden. Maar zelfs dan zouden we vroeg of laat toch onze les moeten leren, dat die overmoed ons maar slecht dient. Waarom gebeurt dat niet?

Alice Soldà, een econoom aan de universiteit van Heidelberg, en haar collega’s onderzochten dit schijnbare mysterie. Meer specifiek zochten ze uit of er misschien voordelen zijn aan overmoed die tegen de kosten ervan opwegen.

Centraal in hun studie was een experiment waarin deelnemers in duo’s werden opgedeeld, en individueel een reeks meerkeuzevragen rond algemene kennis beantwoordden. Elk correct antwoord bracht een kleine geldsom op die in een gemeenschappelijke rekening werd gedeponeerd, waarvan de inhoud aan het einde van het experiment onder beide partners zou worden verdeeld. Na het beantwoorden van de vragen werd hen gevraagd hoeveel antwoorden ze correct hadden, en op een schaal van 0-100% aan te geven hoe waarschijnlijk het was dat ze beter hadden gepresteerd dan hun partner. 

Vervolgens kregen de deelnemers feedback over hun werkelijke prestatie, maar om het ontwikkelen van overmoed toe te laten werd daarbij onzekerheid geïntroduceerd. Wie beter had gedaan dan zijn partner kreeg ofwel een groen signaal te zien (met een kans van 75%) ofwel een rood (met een kans van 25%). In het tegenovergestelde geval werd dit omgekeerd, en was rood meer waarschijnlijk dan groen. Ten slotte gaven de deelnemers een tweede keer de waarschijnlijkheid aan dat ze beter hadden gepresteerd dan hun partner.

Onderhandelen voor slechtere uitkomst

Daarna begon de onderhandeling. Eerst werd aan de deelnemers verteld dat het gezamenlijk verdiende geld verdeeld was in twee ongelijke delen: 70% en 30%, en dat ze als taak hadden met hun partner overeen te komen wie welk deel zou krijgen. Hiertoe moesten ze een boodschap schrijven aan hun partner waarin ze hun claim verantwoordden. Wanneer de partners verschillende keuzes hadden gemaakt (en dus meteen akkoord waren over wie het beste had gepresteerd) was de onderhandeling klaar, en werd het geld verdeeld. Wanneer ze echter allebei aanspraak maakten op het grootste deel (in geen enkel van de bijna 150 duo’s kozen beide partners het kleinste deel!) kregen ze drie extra minuten om tot een vergelijk te komen.

Gedurende deze tijd konden ze met elkaar communiceren via chat (onder een voorwaarde: ze mochten niet onthullen wat de kleur van het signaal was dat ze hadden gekregen). Als een van de deelnemers vervolgens het kleinste deel accepteerde was ook hier de onderhandeling beëindigd, en werd het geld verdeeld. Maar wanneer er nog steeds geen overeenkomst was, werd hen nog een laatste dertig seconden gegund om hun geschil af te handelen. Bij elke seconde werd het bedrag in de rekening echter gereduceerd met 1/30 zodat er na dertig seconden niets restte. Zodra een van de partners het kleinste deel aanvaardde, stopte de klok en werd het restant 70/30 verdeeld.

Iets meer dan 6% van de duo’s was meteen akkoord, ongeveer 36% kwam overeen wie het grootste deel zou krijgen in de tweede fase (14% in de laatste 10 seconden!), en bijna 43% in de laatste fase (33% in de eerste 10 seconden daarvan). Bijna 15% van de deelnemers kwam niet tot een overeenkomst, en ging naar huis met lege handen (!).

Natuurlijk wisten de onderzoekers precies hoe elke deelnemer had gepresteerd, hoe ze dachten gepresteerd te hebben, en hoe sterk hun overtuiging was dat ze het beter hadden gedaan dan hun partner, zowel voor als na de feedback. Zo konden ze de invloed bepalen van overmoed op de financiële uitkomst, via het onderhandelingsproces. Maar de onderzoekers bekeken niet enkel de opbrengst als percentage van de totale hoeveelheid die het duo had verdiend, maar ook als percentage van het werkelijk verdeelde bedrag, rekening houdend met de reductie wanneer de klok tikte.

En dat was zeer verhelderend. De meest overmoedige deelnemers, die het been stijf hielden tot in de laatste fase, incasseerden gemiddeld weliswaar minder geld (en dwongen ook hun partner tot een lagere opbrengst naarmate de klok tikte), maar ze bekwamen wel een groter deel van het prijzengeld dan hun partner.

Met andere woorden, ze verloren zo absoluut geld – wat illustreert dat overmoed tot gebrekkige beslissingen kan leiden – maar ze werden er relatief gezien beter bij. Dit is een mogelijke verklaring voor de alomtegenwoordigheid van overmoed: we zijn geneigd relatieve posities meer te waarderen dan absolute posities. Een veelzeggende paper door Sara Solnick en David Hemenway beschrijft hoe meer dan de helft van de deelnemers aan hun studie de voorkeur zou geven aan een kind met een IQ van 110 als het daarmee meer intelligent is dan andere kinderen, dan een kind met een IQ van 130 als de andere kinderen nog slimmer zijn.

Meer dan 50% stelde ook dat ze liever zelden een pluim van hun baas zou krijgen dan meer frequente woorden van lof, zolang het maar vaker is dan hun collega’s, en zelfs dat ze liever 50.000 dollar zouden verdienen als hun gelijken 25.000 dollar verdienden, dan 100.000 dollar als hun gelijken een salaris van 200.000 dollar kregen.

Overmoed heeft in dit experiment duidelijk een absolute kost – op het eerste zicht leidt het dus tot een slechte beslissing. Maar als we bereid zijn die kost te betalen voor het relatieve voordeel méér te krijgen dan iemand anders, dan is het wellicht niet zo mysterieus dat overmoed zo veel voorkomt. Ik bedoel, dan is dat 110% zeker.