Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Niet het beste streefdoel

5 augustus 2022 Koen Smets
doel darts
Welke streefdoelen zijn effectief en welke niet? (DALL-E)

Moeilijk te geloven dezer dagen, nu we om het even welk radioprogramma of muziekje, wanneer we dat maar willen, kunnen streamen naar een toestel dat in onze broekzak past, maar toen ik ongeveer 12 jaar oud was, droomde ik van mijn eigen transistorradio. Letterlijk.

Gelukkig was ik rond die tijd het spenderen van mijn zakgeld aan snoepgoed aan het ontgroeien, en tegelijk nog niet toe aan het kopen van grammofoonplaten (CD’s moesten nog worden uitgevonden). Daardoor had ik een reële kans om genoeg bijeen te sparen om het object van mijn verlangen te kunnen kopen. In een grootwarenhuis dat, handig genoeg, pal op mijn fietsroute tussen thuis en school lag, stond een brede collectie van draagbare radio’s te kijk. En zo kon ik met grote precisie mijn spaarstreefdoel bepalen.

Gemotiveerd door een streefdoel

De bankbiljetten en munten die zich opstapelden in een oud sigarenkistje dat dienstdeed als spaarpot, hielden mijn vooruitgang naar dat streefdoel bij. En dat werkte als een magneet op mijn zakgeld. Het was bijna alsof ik ervan genoot het niet uit te geven, en het integendeel in dat kistje te sparen.

radio
Ach, de offers die ik moest brengen om mijn spaardoel te bereiken zodat ik dit juweeltje het mijne kon noemen… (Coolfiredevil.D (YouTube))

Zo’n doelstelling kan een krachtige motivatie zijn. Van een nog vroeger tijdperk herinner ik me de zegeltjes die we bij elke aankoop kregen bij de kruidenier, samen met ons wisselgeld. Nu en dan vond er dan een soort ceremonie plaats bij ons thuis, waarbij mijn moeder de tot dan toe verzamelde strips met zegels, een boekje en een klein sponsje tevoorschijn haalde. Wij kinderen mochten dan om de beurt die reepjes zodanig scheuren dat ze netjes pasten in het rechthoekige schabloon op de pagina’s van dat boekje, en ze er zelf in plakken!

Wanneer alle zegeltjes die we hadden erin waren gekleefd, telden we hoeveel er nog nodig waren om het streefdoel te bereiken, om dan met het volle boekje bij de winkel een fikse korting te krijgen – en weer een nieuw boekje. Echte getrouwheidszegels zijn intussen verdwenen, maar bij koffiezaken en kappers wordt bijvoorbeeld nog wel eens een kaartje gebruikt waarop je bij elke aankoop een stempel erbij krijgt, en die recht geeft op een gratis drankje of knipbeurt wanneer ze vol is.

Zowel professionele- als amateurlopers streven er niet zozeer naar hun persoonlijke besttijd te verbeteren, maar ze stellen zichzelf streefdoelen. Eric Allen, een econoom aan de universiteit van Berkeley en collega’s analyseerden meer dan 850.000 eindtijden van marathons, en in hun paper tonen ze hoe die, ondanks het feit dat ze min of meer normaal verdeeld zijn, een opmerkelijke asymmetrie vertonen bij ronde getallen, het meest uitgesproken rond exact vier uur.

In elk van de minuten eindigend op 3u58, 3u59 en 4u00 bleken er ongeveer 100.000 lopers te zijn gefinisht, terwijl in de minuten die daar net op volgden (eindigend op 4u01, 4u02 en 4u03) er slechts zo’n 70.000 waren. Er waren gelijkaardige (maar kleinere) asymmetrieën tot zelfs elke 10 minuten.

Nog een laatste voorbeeld: wie aan het sparen is voor een voorschot op de aankoop van een woning, of dat ooit heeft gedaan, zal beslist ook het belang van een streefdoel herkennen – net als ik destijds met mijn radio.

Streefdoelen geven ons iets waarop we ons kunnen richten, en in het bijzonder moedigen ze ons aan een tandje bij te steken wanneer we naderbij komen. Dit is niet enkel zo in ons persoonlijke leven, maar ook in organisaties. Streefdoelen voor productie, verkoop, of zelfs kostenreductie zijn alomtegenwoordig in de handel en industrie. Openbare instellingen hebben doelstellingen voor het innen van belastingen, of voor het aantal hogeschoolstudenten.

Vaak betreft het minima die moeten worden behaald of overschreden. Maar er zijn ook maxima, die niet horen te worden te boven gegaan, waarbij het dan gaat over ongewenste fenomenen, zoals fabricagefouten, arbeidsongevallen, misdaad of verkeersdoden. In tegenstelling tot veranderlijken waarbij het de bedoeling is een hoge waarde te bereiken (en waar een uitkomst die het streefdoel overtreft goed nieuws is), is hier een theoretische ideale uitkomst: nul.

Zou het dan misschien zinvol zijn dat als streefdoel voorop te stellen, en zou zo’n doel beter werken dan een hogere waarde? Sommigen beweren van wel, zoals Luca Dellanna, een ingenieur en consultant. In een blogpost pleit hij voor nulstreefdoelen (bijvoorbeeld ‘zero Covid’), en voert daarbij voorbeelden aan uit de industrie (zoals kwaliteitszorgprogramma’s rond ‘Nul defecten’ of campagnes rond ‘Nul arbeidsongevallen’). Ik ben niet zo zeker. Dellanna levert geen bewijs voor zijn bewering dat een nulstreefdoel werkelijk beter werkt, en ik vrees dat ze op meer dan een manier tegen de menselijke natuur ingaan.

Absoluut en onvoorwaardelijk

Doelstellingen werken het best wanneer ze in de praktijk ook echt haalbaar zijn. Polsstokspringers mikken niet op een sprong van 10 meter, en noch sprinters, noch marathonlopers proberen in een tijd van nul seconden te finishen. Daar is een goede reden voor, net zoals waarom je geen productie- of verkoopstreefdoelen ziet van een miljard auto’s per dag of een triljoen euro per kwartaal, of geen voornemens om ziekteverzuim helemaal tot nul terug te brengen.

Een streefdoel dat niet realiseerbaar is in de praktijk motiveert immers niet. Erger nog, mensen gaan dan vaak het zogenaamde what-the-hell-effect vertonen, dat wordt geassocieerd met aspiraties die wilskracht vereisen (zoals een dieet). Wanneer we inzien dat we ons streefgewicht niet gaan halen, gooien we de handdoek in de ring en grijpen we weer naar de koekjes.

Deze reactie is geworteld in een diepere tendens. We verkiezen doorgaans taken succesvol af te werken, en geraken meer gemotiveerd wanneer het doel in zicht komt. Maar tegelijk, wanneer het duidelijk wordt dat ons doel onbereikbaar is, geven we op en besluiten we – geheel rationeel – niet langer onze energie te verspillen aan een futiel streefdoel. Journalist en auteur Oliver Burkeman stelt het helder: “Het what-the-hell-effect wordt veelal terecht geïnterpreteerd als een argument voor het stellen van meer realistische doelstellingen.”

zero
Er zit een gat in mijn streefdoel. (DALL·E)

Bovendien benaderen we streefdoelen, ook al zijn ze ogenschijnlijk absoluut, vanuit een relatief perspectief. Een verkoper is minder begaan met het aantal auto’s die moeten worden verkocht, dan met hoeveel meer er nog moeten worden verkocht om het streefdoel te halen. En dat gaat niet met een nulstreefdoel. Daar is immers geen vooruitgang, geen verschil tussen de huidige situatie en de doelstelling. Bij de eerste overtreding heb je je doel al gemist, en kan het alleen nog slechter gaan. Ook dat werkt motivatie niet in de hand.

We weten natuurlijk best dat productiefouten, ziektedagen, verkeersslachtoffers en dergelijke niet goed zijn, en dat ze best worden vermeden. Daaraan hoeven we niet te worden herinnerd door nulstreefdoelen. Maar wanneer die worden gebruikt, worden ze als snel onvoorwaardelijke, absolute doelstellingen zonder dat je het merkt. Elk arbeidsongeval, elk kind dat om het leven komt in het verkeer, elk geval van Covid-19 is er een te veel, en dat ontkent de afwegingen die hier altijd en onvermijdelijk bij zijn betrokken.

Ze doen ons vergeten dat een nulstreefdoel behalen offers vereist en gevolgen heeft, die we niet noodzakelijk willen of kunnen dragen. Beeld je in dat de onderhoudsploeg in een fabriek er moet voor zorgen dat er nul uren uitvaltijd zijn. Hoe helpt zo’n streefdoel hen bij het plannen en uitvoeren van hun onderhoudsactiviteiten?

Dat lijkt misschien wat vergezocht, maar wat dacht je van de nieuwste verkeersveiligheidscampagne in België? De naam ervan, All for Zero, wordt letterlijk naar voren geschoven als “niet zozeer een concept, wel een echt doel! […] de ambitie om het aantal verkeersdoden tegen 2050 tot nul te reduceren”. Dit getuigt van een opmerkelijk gebrek aan besef van de complexiteit van de afwegingen die betrokken zijn bij het terugbrengen van verkeersdoden, laat staan wat er werkelijk nodig is om dat aantal tot nul te reduceren.

De campagne heeft geen schijn van kans die ambitie waar te maken, maar tezelfdertijd is het risico reëel dat de pogingen ertoe desondanks tot allerlei negatieve externaliteiten gaan leiden – offers en gevolgen die door anderen worden gedragen, en waarvoor de beleidsmakers weinig oog hebben.

Wanneer we echt begaan zijn met het reduceren van defecten, ongevallen en overlijdens, dan bestaat een betere aanpak erin slogans opzij te leggen en ons verstand in actie te zetten. Als we de voornaamste oorzaken van het probleem identificeren en ze systematisch aanpakken, dan kunnen we veel beter met en niet tegen de menselijke natuur werken en realistische, motiverende streefdoelen formuleren, die de huidige situatie als referentie gebruiken, en zo frustratie, het what-the-hell-effect, en uiteindelijk het mislukken van ons opzet vermijden.

LEES OOK