Het voorstel van de Europese Commissie om nieuwe gentechnieken (ngt´s) te dereguleren en dus niet langer aan veiligheidstesten, traceerbaarheid of verplichte labeling te onderwerpen heeft al heel wat stof doen opwaaien. De stemmingen in het Europees Parlement waren erg verdeeld, lidstaten raken het maar niet eens in de Europese Raad en nu blijken de expertwerkgroepen van wetenschappers in de verschillende lidstaten ook nog eens tot radicaal verschillende conclusies te komen.
Zo benadrukt het Franse agentschap Anses (l'Agence nationale de sécurité sanitaire de l'alimentation, de l'environnement et du travail) dat het voorstel van de Commissie wringt omdat het verkeerdelijk veronderstelt dat planten die met nieuwe gentechnieken gefabriceerd zijn gelijkwaardig zijn aan planten die voortkomen uit traditionele veredelingstechnieken. Het voorstel van de Commissie om de verplichte veiligheidstesten voor het gros van deze genetisch gewijzigde planten te schrappen is volgens Anses dan ook niet te rechtvaardigen.
Integendeel, het agentschap benadrukt dat de gevolgen van genetische modificaties geval per geval bestudeerd moeten worden vooraleer ze in het milieu en de voedselketen worden losgelaten. Bovendien stelt het agentschap dat het gebruik van nieuwe gentechnieken in de landbouw niet louter een technische maar ook een socio-economische kwestie is. Ze roept dan ook op tot democratisch debat.
Ook de Duitse instantie BfN (Bundesamt für Naturschutz) en de Oostenrijkse UBA (Umweltbundesamt Austria) stelden recentelijk dat planten die met deze nieuwe gentechnieken gefabriceerd werden eerst grondig moeten worden onderzocht voordat er conclusies kunnen worden getrokken over hun veiligheid.
Onzekerheden
De experten van de Belgische Hoge Gezondheidsraad lijken zich daarentegen geen zorgen te maken over het voorstel van de Commissie om het merendeel van deze genbewerkte planten niet langer te testen of op te volgen. Ze benadrukken de ongelooflijke mogelijkheden die deze genbewerkte planten zouden hebben om nieuwe hoogproductieve of hitte-resistente landbouwgewassen te fabriceren, of om het gebruik van pesticiden in de landbouw te verminderen.
Het is daarbij belangrijk de voorwaardelijkheid van deze mogelijkheid te onderstrepen. De Hoge Gezondheidsraad vertrekt in zijn argument van beloften die nog niet waargemaakt zijn en roept deze beloften in om de deregulering van genbewerkte planten te verdedigen. In tegenstelling tot de Franse, Duitse en Oostenrijkse agentschappen ziet de Belgische raad er dan ook geen probleem in om het grootste deel van de genbewerkte planten wettelijk gelijk te stellen aan traditioneel veredelde planten.
Deze positie was al opmerkelijk toen ze van politici kwam, het is nog opvallender als het vanuit een wetenschappelijk adviesorgaan komt. Met deze aanpak schrappen de experten het voorzorgsprincipe en schuiven ze een wetenschappelijke aanpak opzij. Nochtans heeft de geschiedenis al verschillende keren getoond dat dit een gevaarlijk spel is.
Van asbest tot lood, van pesticiden zoals ddt tot het gebruik van cfk’s (chloorfluorkoolwaterstof) in koelkasten (die tot het gat in de ozonlaag zouden leiden): in al die historische gevallen werd het voorzorgsbeginsel door regeringen, bedrijven en soms zelfs door wetenschappers als irrationeel van de hand gewezen. Of er werd gesteld dat het, ondanks de risico’s, toch aangewezen was om deze middelen te gebruiken omdat er geen alternatieven zouden zijn.
Nochtans zal niemand er vandaag over twijfelen dat de risico's in elk van deze gevallen sterk onderschat zijn geweest, en dat is ook door onderzoek aangetoond. Bovendien bleken er, achteraf gezien, meer haalbare alternatieven voorhanden dan destijds werd beweerd.
Vergelijkbare afwegingen doen zich voor bij de huidige regelgeving rond genbewerking bij planten. Het gaat om nieuwe technieken, waarover per definitie heel weinig geweten is. Harvard-professor Sheila Jasanoff benadrukt dat we in dit soort situaties niet enkel de known unknowns maar ook de unknown unknowns in overweging moeten nemen. Het zijn deze laatste die haar het meest zorgen baren.
Het zijn ook dit soort overwegingen die wetenschappelijke experts, onder wie het European Network of Scientists for Social and Environmental Responsibility (Ensser), doen concluderen dat voor genbewerkte planten het voorzorgsprincipe moet toegepast worden. Bovendien bestaan er in het geval van genetisch gemodificeerde gewassen duidelijke alternatieven om rechtvaardige en veerkrachtige voedselsystemen uit te bouwen.
Als verschillende expertgroepen tot praktisch tegenstrijdige conclusies over hetzelfde dossier komen, dringt de vraag zich op waar dit verschil vandaan komt. Onderzoek toont aan dat jarenlange lobbyactiviteiten in België tot een politiek klimaat hebben geleid dat sterk voor deregulering pleit. Bovendien hebben zowel de voorzitter van de expertgroep als verschillende wetenschappelijke leden nauwe banden met de industrie, of zijn ze in het verleden betrokken geweest bij lobbyactiviteiten. Het is niet onwaarschijnlijk dat dit mee het verschil zou verklaren.
Banden tussen wetenschap en industrie
Pieter Spanoghe, voorzitter van de Belgische werkgroep, is in de media vooral bekend voor zijn gecontesteerde positie rond pesticiden. Zo verdedigt hij glyfosaat, een pesticide dat volgens de Wereldgezondheidsorganisatie "waarschijnlijk kankerverwekkend" is, stelt hij dat pesticiden intensieve landbouw mogelijk maken en daarom vanuit milieuoogpunt een goed idee zijn, en dat op vlak van de volksgezondheid alles onder controle is.
Het zijn opmerkelijke stellingen voor een wetenschapper, aangezien de schadelijke gevolgen van glyfosaat overvloedig gedocumenteerd zijn. De Monsanto Papers onthullen dan ook de druk van de industrie op wetenschappers om glyfosaat onschuldig te verklaren ondanks alle bewijzen van het tegendeel.
Ook is Spanoghe al verscheidene jaren organisator van het pesticiden-symposium ISCP aan Universiteit Gent dat door Corteva, BASF, Bayer en Syngenta gesponsord wordt, allemaal agrochemische bedrijven die niet alleen een groot deel van hun winst uit pesticiden halen, maar die ook baat zullen hebben bij de deregulering van planten gemaakt met nieuwe gentechnieken.
Twee andere leden van de Belgische werkgroep, Geert Angenon en Nathalie Verbruggen, ondertekenden mee een lobbybrief aan de Europese Commissie waarin ze oproepen voor de deregulering van nieuwe gentechnieken. De brief werd verstuurd nadat het Europese Hof van Justitie in juli 2018 geoordeeld had dat zulke planten wel degelijk onder de wetgeving over genetisch gemodificeerde organismen (ggo's) vallen.
In de brief, geïnitieerd door het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB), dringt een groep biotechonderzoekers er bij de Europese Commissie op aan om actie te ondernemen, omdat het uitblijven daarvan ernstige economische problemen zou veroorzaken voor de Europese biotechsector. Ze stellen dat nieuwe gentechnieken uitgesloten moeten worden van de bestaande ggo-wetgeving en geven daarvoor vooral economische redenen.
Hervé Vanderschuren, een ander lid van de werkgroep, schreef dan weer een wetenschappelijke opinie in het gerenommeerde tijdschrift Nature waarin hij het voorstel van de Europese Commissie verwelkomde. Hij is ook coördinator van een onderzoeksproject in samenwerking met Syngenta en Corteva.
Twee andere experten, Hans De Steur en Dominique Van Der Straeten, zijn dan weer de medeauteurs van een artikel dat ze recentelijk samen met Mathias De Mesmaeker publiceerden. De Mesmaeker is het hoofd van de Belgische delegatie onder het huidige Belgische EU-voorzitterschap en de enige persoon van de administraties en ministeriële kabinetten die gehoord werd in het kader van dit wetenschappelijke advies.
In dit artikel starten ze van de assumptie dat ggo's wenselijk zijn en onderzoeken ze de attitude van diëtisten tegenover ggo´s. Negatieve houdingen worden daarbij toegeschreven aan emotionaliteit en gebrek aan kennis. Ze negeren daarbij dat naast de politieke debatten de wetenschappelijke controverse nog lang niet voorbij is.
In dit stadium zijn beweringen over de veiligheid van nieuwe gentechnieken louter “hypotheses of overtuigingen”, volgens professor Michael Antoniou. Zoals deze professor moleculaire genetica en toxicologie aan King's College in Londen stelt: op dit moment zijn er simpelweg geen gepubliceerde studies die de risico's van voedingsmiddelen verkregen met deze nieuwe gentechnieken onderzoeken.
Innovatie en democratie
We toonden elders al hoe het Belgische voorzitterschap van de EU zich alles behalve als een neutrale facilitator opstelt in dit dossier. De uitgesproken bias van de enige kracht uit de administratie die gehoord werd in dit advies en van ten minste zes leden van de werkgroep van de Hoge Gezondheidsraad toont nogmaals de sterke politieke vooringenomenheid.
Uiteraard, ‘neutrale’ wetenschappers bestaan niet. Wetenschappers volgen weliswaar geijkte methodes en disciplinaire protocollen, maar het zijn ook mensen met idealen en maatschappijvisies, net als iedereen. Deze beïnvloeden per definitie ook hun onderzoek en de conclusies ervan. Maar daar gaat het hier niet om.
In dit dossier gaat het over meer dan visies. Het gaat over directe economische en professionele belangen en de poging om beslissingen vanuit die belangen te beïnvloeden. Helaas heeft de geschiedenis al meer dan eens aangetoond dat er makkelijk betreurenswaardige beslissingen worden gemaakt als industriële belangen het van gezond verstand winnen. Van lood tot tabak tot de verdoezeling van de klimaatverandering: telkens opnieuw kregen economische belangen de overhand.
De conclusies van het Belgische advies zeggen minstens evenveel over de samenstelling van de expertengroep als over wat er op het spel staat. In tegenstelling tot hun Franse, Duitse en Oostenrijkse collega’s lijkt de Belgische werkgroep onzekerheden te bagatelliseren, zowel wat de bioveiligheid als wat de socio-economische aspecten betreft. Het voorzorgsprincipe wordt als een onnodig obstakel aan de kant gezet.
Het voorzorgsprincipe gaat nochtans niet over het bannen van nieuwe technologieën. Het gaat erover innovaties doordacht richting te geven en daarvoor de nodige tijd en ruimte te nemen, zoals innovatiespecialist en professor aan Universiteit van Sussex Andy Stirling stelt.
Dit is een vertaling van een stuk dat eerder verscheen als Carta Academica in Le Soir en bij Mediapart.