Beginnen doen we bij de voortdurende begripsverwarring. We zagen al eerder dat vooral Joodse intelligentsia van rechtse signatuur kritiek op Israël, of kritiek op een bepaalde politiek of daden van het Israëlische leger, verwarren met antisemitisme, wat een ander woord is voor Jodenhaat: het haten van mensen louter en alleen omdat ze – qua afkomst en/of cultuur – Joods zijn.
We hebben hier te maken met de drogreden van de foutieve omkering. Het ligt voor de hand dat antisemieten kritiek zullen leveren op de aanpak van de Gazacrisis, maar deze redenering omkeren is een (al dan niet moedwillige) redeneerfout van het genre: laaggeschoolde mensen houden vakantie aan de Belgische kust, jij bent op vakantie aan de Belgische kust, dus je bent laaggeschoold.
En waarom kunnen we deze redenering niet omdraaien? Omdat – en nu halen we er de wiskundige verzamelingenleer bij – beide verzamelingen in onderstaand Venndiagram (een met antisemieten en een met critici van Israëls aanpak) elkaar niet dekken.
Meer nog: de antisemieten zijn maar een deelverzameling van de critici. Als je dit visueel bekijkt, zal blijken dat alle antisemieten dus inderdaad Israël bekritiseren, maar niet alle critici van Israël in de verzameling van de antisemieten vallen.
Overigens: we leerden dit in mijn tijd – eind jaren 1970 – in het eerste middelbaar.
Over de relatieve grootte van de ovalen kan worden geredetwist, maar het minste wat je hieruit kan afleiden, is dat als iemand kritiek levert op Israël de eerste reflex niet moet zijn om ervan uit te gaan dat, maar om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn dat deze persoon antisemitische ideeën koestert of niet. Met andere woorden: of de geuite kritiek gebaseerd is op het Jood zijn van degenen die hij bekritiseert, of op diens uitspraken of daden.
(Aanzetten tot) haat
Een ander begrip dat wel erg hard wordt opgerekt is dat van het 'aanzetten tot haat'. In tegenstelling tot wat velen schijnen te denken, is het uiten van haat niet hetzelfde als het aanzetten tot haat. Als ik beweer dat ik lever op mijn bord haat, pleit ik niet voor het afschaffen van alle gerechten met lever, ik wil ze alleen niet nuttigen.
Als iemand zou zeggen Joden te haten, uit die een persoonlijk gevoel. Die uitspraak kan een blijvende emotie uitdrukken of in een opwelling geschreven zijn, zoals een tiener wel vaker roept dat hij zijn vader of moeder "haat" als die iets verbieden wat de tiener erg graag wil, waarna die mokkend het onrecht verwerkt met alle dingen waar mama en papa eerder "ja" tegen hebben gezegd (smartphone, Playstation, vakantie met vrienden, …).
Het zal duidelijk zijn dat aan een opwelling weinig aandacht besteed moet worden. Als het echter de uitdrukking van een blijvende emotie betreft, is enige aandacht gewettigd.
Als iemand dus bekent antisemiet te zijn – en het dus niet een vluchtige frustratie of stoerdoenerij betreft – maar verder geen oproep volgt om die mening over te nemen, of een hele argumentatie waarom alle Joden zouden moeten verdwijnen, is het geen aanzet tot haat. Evenmin als iemand die beweert niet te houden van jazz aanzet tot het verbieden van jazzmuziek – tenzij ironisch, ook al zo'n moeilijk begrip dezer dagen.
De hier gehanteerde drogreden is de stroman. Je vertekent de boodschap van de zender, die wel storend, maar verder niet echt bestrijdbaar is – iedereen heeft recht op zijn eigen gevoelens: Die Gedanken sind frei – tot iets dat gemakkelijker kan worden aangevallen.
Als iemand zijn haat voor een groep mensen uitspreekt maakt hem dat voor mensen die die afkeer niet delen en mensen die deel uitmaken van de gehate groep uiteraard onsympathiek. En ja, het kan zijn dat het uitspreken van haat een risico tot geweldpleging inhoudt, maar ook hier geldt weer de drogreden van de foutieve omkering. Het is niet omdat een terrorist de mensen die hij aanvalt haat, dat iedereen die deze mensen haat een terrorist is.
Het is legitiem iemand na een uitdrukking van haat onder de loep te nemen om te achterhalen of er niets ergers achter zit, maar het is volslagen onzin om alleen op basis van een uiting van haat aan te nemen dat deze persoon een bedreiging vormt. Een racistische huisbaas – in de zin dat hij mensen van een bepaalde afkomst minder waard acht – die zijn huis toch aan een allochtoon gezin verhuurt maakt zich niet schuldig aan discriminatie. Waakzaamheid is dus oké, maar jumping to conclusions niet.
En dan – en nu wordt het subtiel, niet het sterkste punt van (sociale) media, maar helaas blijkbaar ook niet van opiniemakers – is er nog de aard van het medium waarin een boodschap verschijnt.
Een politiek pamflet, op papier of versimpeld tot post op sociale media, is een conatieve tekstsoort: men probeert de lezer tot actie aan te zetten. Een haatboodschap in zo'n tekst draagt dus een veel groter risico om "aan te zetten tot haat" – al kan men dat ook hier niet voetstoots aannemen, alles hangt van de verwoording af.
Ook een opiniestuk probeert te overtuigen en kan daarbij indirect ook een aanzetten tot zijn, alweer afhankelijk van de inhoud.
Maar Herman Brusselmans schreef geen opiniestuk, Facebookpost of pamflet, wel een column in Humo, een van de vele, die hij doorgaans en ook nu weer vult met wat Kamagurka ooit treffend "sfeervol bullshitten" noemde. Wie het werk van Brusselmans en Brusselmans zelf kent, weet dat er een ongelooflijke kloof gaapt tussen wat hij schrijft en hoe hij is.
Brusselmans bedient zich zeer vaak van een stijlfiguur, die mijn leerlingen leren kennen onder de naam hyperbool (niet te verwarren met de wiskundige hyperbool). Een hyperbool is een overdrijving, de basis van elke satire. In veel van zijn romans en columns worden personen de vreselijkste zaken toegewenst, die Brusselmans als persoon nooit in de praktijk zou willen of durven brengen. Zijn geweld beperkt zich tot woorden: zijn enige wapen is zijn tekstverwerker.
In wezen kan men Brusselmans' columns lezen als een satire op de stream of consciousness – de losse, vaak tegenstrijdige, allemaal even (on)belangrijke gedachten en indrukken die dagelijks door het hoofd van een mens (vertegenwoordigd door Herman Brusselmans' satirische alter ego) passeren. Een van die gedachten verwoordt Brusselmans als volgt:
Op aangeven van doorgaans erg alerte Joodse opiniemakers werd Brusselmans door velen onmiddellijk als antisemiet gebrandmerkt. Unia diende zelfs een klacht in. Humo verdedigde de column aanvankelijk nog, maar Humo maakt deel uit van een commercieel bedrijf, en onder druk van de bobo's die op de centjes passen, werd de column toch maar offline gehaald, want het zou eens moeten schelen in de verkoop.
Dit is een perfect voorbeeld van het hierboven besproken slordig lezen en redeneren, gecombineerd met miskenning van het gebruikte medium. Herman Brusselmans' zin – hoe agressief ook – is geen uiting van antisemitisme en zet niet aan tot geweld tegen Joden.
- Niet antisemitisch omdat:
de haatboodschap duidelijk gelinkt is aan specifiek gedrag en niet aan het Joodzijn. Brusselmans heeft een bloedhekel aan de manier waarop Israël in Gaza talloze onschuldige burgerslachtoffers maakt en verplaatst zich zeer empathisch in de kinderen die daar hun ouders verliezen. Het is waar dat hij zijn agressieve uitspraak richt tegen alle Joden die hij tegenkomt, maar het feit dat hij dat in de volgende zin nuanceert met:
bewijst dat het hier om het rapporteren van een emotionele opwelling gaat: een reflexmatige emotie, die hij daarna voorbeeldig verstandelijk intoomt. Aan het eind van de column geeft hij duidelijk aan dat de hele column eigenlijk gewoon een satirische stream of consciousness is:
- Geen aanzetten tot geweld omdat:
Wie Brusselmans' columns (en romans) kent weet dat een mes in de keel rammen brusselmansiaans is voor een bloedhekel hebben aan. Een hyperbool dus, zijn handelsmerk. Bovendien zegt Brusselmans nergens dat de lezer of om het even wie zijn voorbeeld zou moeten volgen. Hij zet dus niemand aan tot het 'geweld' dat op zich al niet meer is dan een hyperbool voor afkeer. Alleen al de inbedding in een satirische stream of consciousness berooft deze zinnen van elk conatief effect.
Herman Brusselmans is dus enkel een antisemiet in de ogen van iemand die een stroman maakt van wat hij schrijft, de foutieve omkering maakt dat iemand die een gevoel van haat uit automatisch een terrorist is, en die niet begrijpt hoe een (Brusselmans)column werkt.
Wat Herman Brusselmans hier opschrijft is wat ieder van ons weleens ervaart. Iets treft ons zo fel dat ons reptielenbrein in een eerste emotionele reactie zeer extreem reageert. Enkelingen slaan meteen dwars door een deur heen of doen iets waarvoor Jef Vermassen achteraf in de rechtbank 'onweerstaanbare drang' moet pleiten.
Velen smijten hun eerste reactie tegenwoordig rauw op sociale media. De meer bedachtzamen onder ons ademen een paar keer diep in, nuanceren hun eigen reactie en formuleren – al dan niet online – een gerichtere kritiek op de 'ware schuldigen'. Dat is dus precies wat Brusselmans deed.
(Geen) satire
Arnon Grunberg viel in een opiniestuk in De Standaard de verdedigingsstrategie het is maar satire aan door te wijzen op een tekst van Harry Mulisch die aan het adres van zijn rivaal Gerard Reve ooit schreef dat satire soms geen satire meer is. Dat klopt, alleen is dat in dit geval geen terechte kritiek.
Wanneer is satire geen satire meer? Als het een schaamlapje is. Zo werden de racistische memes van Schild en Vrienden ook verdedigd met de kreet dat het "maar satire" was. Een agressieve of choquerende meme kan inderdaad een hyperbool en dus satire zijn, maar niet als de inhoud voor de afzender geen hyperbool maar een politiek programma is.
Uiteraard wil een satiricus commentaar geven op de werkelijkheid, maar hij beseft dat zijn satire en zijn eventueel gesuggereerde remediëring hyperbolen zijn en als dusdanig moeten worden geïnterpreteerd. Als hij het even extreem meent als hij het schrijft, dan is het geen satire meer. Dat is, zoals hierboven uitgelegd, bij Herman Brusselmans' column niet het geval. Bij Schild en Vrienden-memes wel, heeft de rechter geoordeeld.
Welke kritiek op zijn column zou dan wel legitiem geweest zijn? Men had kunnen wijzen op het hierboven geschetst hypergevoelige klimaat vol stromannen en foutieve omkeringen, die schering en inslag zijn in het publieke discours. Bovendien zijn er vandaag oneindig veel meer 'opiniemakers' of tenminste '-uiters' dan voor de tijd van de sociale media. Velen zijn niet vertrouwd met de wetmatigheden van satire, het werk van Brusselmans en zijn voorliefde voor overdrijving.
Men zou dus de vraag kunnen stellen of het 'opportuun' was om zich in dit geval over te geven aan zijn voorliefde voor hyperbolen. Een minder agressief beeld, hoe satirisch ook, dan dat mes had misschien al volstaan om buiten schot te blijven.
Maar dit is, hoe je het ook bekijkt, toegeven aan/capituleren voor de waan van de tijdsgeest. Die geeft voortdurend de impliciete boodschap dat de betekenis van een boodschap niet wordt bepaald door degene die ze brengt, maar door de ontvanger. Een tekst betekent wat de lezer erin ziet.
In een tijd van verminderd begrijpend lezen voorspelt dat weinig goeds. Want er zal altijd wel iemand zijn die zich ergens aan ergert, hoe onschuldig ook. De kreet dat je niets meer mag zeggen is ongetwijfeld zelf een stroman, maar het zijn incidenten als dit die wel die indruk doen ontstaan.
Dit opiniestuk had van de redactie van Humo moeten komen, maar in het huidige commerciële perslandschap is dat een utopie geworden. Als genoeg mensen een verkeerde mening hebben, wordt dat voor de persgroepen de 'heersende waarheid', dat wil zeggen: de mening die het meeste oplevert.
De enige legitieme reactie op Brusselmans' column is uitleggen hoe het zit, hoe de codes van verschillende tekstsoorten werken, in de hoop dat de intentie van de auteur weer zijn legitieme plaats krijgt in het bepalen van de betekenis van zijn teksten. Bij deze.
"Ik zie een beeld van een huilend en schreeuwend Palestijns jongetje dat helemaal buiten zinnen om z'n onder het puin liggende moeder roept, en ik beeld me in dat dat jongetje m'n eigen zoontje Roman is, en de moeder m'n eigen vriendin Lena, en ik word zo woedend dat ik iedere Jood die ik tegenkom een puntig mes los door de keel wil rammen."
Hebben zij die Brusselmans van antisemitisme beschuldigen de hele paragraaf, bewust?, gereduceerd tot :
"ik ...[wil]... iedere Jood die ik tegenkom een puntig mes los door de keel ... rammen"
De reden hiervoor is dat deze mensen dit doen met elke kritiek op Israël's beleid. De echte vraag is hier wie is de antisemiet en niet wie heeft er een probleem met begrijpend lezen.
De rest van de controverse is dat na zo een ongefundeerde aanval niemand het nog aandurft om daar tegen in te gaan en de zionistische lobby op hun bewust foute zienswijze aan te spreken omdat we weten dat die dan nogmaals de beschulidiging zullen uiten en ditmaal aan het adres van wie het tercht wijst.