Vergeten denkers voor de toekomst

door Linde De Vroey
Vergeten groene denkers: collage met daarop in wijzerzin foto's van Aldo Leopold, Rachel Carson, Wendell Berry en Henry David Thoreau.
Vier grondleggers van de ecologische beweging: Aldo Leopold, Rachel Carson, Wendell Berry en Henry David Thoreau (in wijzerzin). (Foto: GFDL Jonathunder)
Apache Magazine

Dit artikel verscheen eerder in Apache Magazine #14. Je kan dit themanummer over verslaving nog steeds in huis halen. In onze webshop koop je het nu bovendien voor 10 euro in plaats van 13,5 euro.

Op 4 juli 1845 verliet een jongeman met de naam Henry David Thoreau zijn comfortabele woonst in het stadje Concord, Massachusetts. Hij trok naar een houten eenkamerhuisje dat hij zelf gebouwd had in de bossen aan Walden Pond, een meertje een paar kilometer verderop. Hoewel het voor Thoreau slechts een dik halfuur wandelen was van Walden naar Concord, markeerde deze beslissing een nieuwe fase in zijn leven. Ze luidde, achteraf gezien, ook een nieuwe fase in voor de filosofie, en voor het denken over mens en natuur.

Thoreau zou twee jaar, twee maanden en twee dagen in Walden blijven. Het verslag van dit verblijf publiceerde hij bijna een decennium later in Walden, or Life in the Woods (naar het Nederlands vertaald door Anton Haakman). Hoewel Walden aanvankelijk slechts matig succes oogstte, groeide het na Thoreaus dood uit tot een boek dat de ontwikkeling van de milieufilosofie, de wildernisbeweging, het natuurbeheer en de Amerikaanse culturele identiteit voor altijd zou bepalen.

Hoewel wij ons op een andere plek bevinden, kan het soort verankerde denken van onder meer Henry David Thoreau en Rachel Carson ook hier en nu inspireren om de ecologische crisis vanuit een ander perspectief te bekijken

Walden is tegelijkertijd een handleiding voor avonturiers, een natuurhistorisch verslag, een praktische gids voor een simpel leven, een pleidooi voor individualisme en een cultuurkritisch manifest. Met Walden zette Thoreau de krijtlijnen uit voor de latere milieubeweging: van de passionele liefde voor wilde natuur tot de nadruk op nauwkeurige observatie en wetenschappelijk experiment; van een individuele zoektocht naar eenzaamheid en zelfontplooiing in de bossen tot een scherpe maatschappijkritiek.

In de twintigste eeuw vervlochten nieuwe pioniers van de milieubeweging deze lijnen met hun eigen gedachtegoed tot antwoorden op de uitdagingen van hun plaats en tijd. Aldo Leopold, bosbeheerder en boer in het Amerikaanse Midwesten tijdens de jaren 1930 en 1940, was een passioneel verdediger van wildernisbescherming en de duurzame landbouw. Rachel Carson, maritiem bioloog in Maryland, vocht in de jaren 1960 tegen de vernietigende impact van de agrochemische industrie op het Amerikaanse platteland. Wendell Berry ruilde een positie aan de universiteit van New York in voor een boerderij in Kentucky, waar hij tot vandaag woont en schrijft over het belang van een gezonde relatie tussen mens en land.

Deze denkers zijn de ruggengraat van een filosofie waarin milieuvervuiling en existentiële vervreemding dezelfde oorzaak kennen, wildernis en landbouw naast elkaar bestaan, en de mens weer deel wordt van het ecosysteem. Maar bovenal zijn dit denkers die schrijven vanuit concrete plekken: de bossen van Walden, de zandvlakten van Wisconsin, de zeebaaien van Maryland, de prairies van Kentucky. Hun gedachten wortelen in het land en spreken met de stem van dat land zelf.

Hoewel wij ons op een andere plek bevinden, kan dit soort verankerde denken ook hier en nu inspireren om de ecologische crisis vanuit een ander perspectief te bekijken – zeker in een tijd waarin klimaatangst en schuldgevoel de kop opsteken, NIMBY (not in my backyard) een veelgehoorde kreet is, en de terugkeer van de wolf en het stikstofbeleid van de regering de relatie tussen landbouw en natuurbescherming scherp stellen.

Een economie van de eenvoud

Henry David Thoreau
Henry David Thoreau (Wikimedia Commons)

Het verhaal van de milieubeweging begint in Walden, in de noordoostelijke Amerikaanse staat Massachusetts, waar de kolonisten in 1845 de wolven en beren al lang verdreven hebben, de trein door de wouden raast, en die bossen kaal gekapt worden om hout voor de spoorweg te leveren – de spoorweg die de Amerikaanse expansie naar het Westen zal versnellen.

Vanuit zijn zelfgebouwde houten huis aan Walden Pond ziet de achtentwintigjarige Henry David Thoreau (1817-1862) het allemaal gebeuren, en zoals zoveel figuren die vrijwillig de rand van de samenleving opzoeken, vraagt hij zich af waar zijn tijdgenoten in godsnaam mee bezig zijn.

Thoreau zag zijn verblijf aan Walden Pond vooral als een “experiment” om te ontsnappen aan de levens van “stille wanhoop” die zijn tijdgenoten leiden, waarin materiële rijkdom en sociale status het leven nodeloos ingewikkeld maken. Zijn experiment wordt ingegeven door een verlangen naar een eenvoudig leven in de natuur: vrij van alle overbodige, artificiële behoeften, verwachtingen en verplichtingen.

Walden opent niet toevallig met een lang hoofdstuk getiteld Economy, waarin Thoreau tot vervelens toe vertelt hoe hij in zijn basisbehoeften voorziet – en hoe hij dat beter, goedkoper en eenvoudiger doet dan zijn tijdgenoten. “Eenvoud! Eenvoud! Eenvoud!”, pleit hij. “Laat je in met twee of drie zaken, niet met honderd of duizend, tel in plaats van een miljoen een half dozijn, en maak je boekhouding op de nagel van je duim.”

Alcohol, koffie en vlees vindt hij overbodig, mode vindt hij irrelevant, te veel meubilair kan enkel stof vergaren, en in de tijd die je moet werken om een treinkaartje te kunnen betalen, was je beter te voet naar je bestemming gelopen.

Economy is een hoofdstuk waar veel lezers hun tanden op stuk bijten, maar wie zich erdoor worstelt komt er achter dat economie niet zomaar een bijzaak is in Thoreaus filosofie. Integendeel, een economie van de eenvoud is de voorwaarde voor het welslagen van zijn experiment. De vereenvoudiging van zijn economische situatie laat hem de ruimte om zich enkel met het wezenlijke bezig te houden.

Thoreaus bekende credo – “Ik ging de bossen in omdat ik bewust wilde leven” – is onlosmakelijk verbonden met een transformatie van zijn economische situatie. Tegelijkertijd baant deze eenvoudige economie ook de weg voor een meer ecologisch denken.

Thoreau bekritiseert niet alleen het doen en laten van zijn tijdgenoten in de maatschappij, maar ook de impact van hun gedrag op de natuur. Hij levert scherpe kritiek op zijn buren: boeren die in plaats van appels dollars aan hun fruitbomen zien hangen, en die zelfs hun eigen land enkel kennen “als rover”. Met welk recht, vraagt Thoreau zich af, gaan deze rovers daarna zover dat ze de vijvers en velden op “hun” domein zelfs hun eigen naam geven?

Geconfronteerd met de alomtegenwoordige impact van de mens verdedigt Henry David Thoreau net de waarde van wilde dingen

In Thoreaus reflecties ligt een scherpe kritiek op zowel de kapitalistische economie als het private eigendomsrecht verscholen. Het probleem is niet dat zijn tijdgenoten de natuur gebruiken om zich van hun levensbehoeften te verzekeren, maar dat ze onder invloed van dit systeem te veel willen, de natuur exploiteren om ze vervolgens volgens de marktwaarde te verkopen.

Thoreau is een van de eerste auteurs die schrijft in en over een tijd waarin industrialisering en technologische vooruitgang diepe sporen beginnen te trekken in de omgeving. Geconfronteerd met deze alomtegenwoordige impact van de mens, verdedigt Thoreau net de waarde van wilde dingen: van bossen laten groeien en weiden ongecultiveerd laten, van de natuur de natuur laten zijn zonder haar te willen veranderen, aantasten of bezitten.

Met de nodige relativering merkt hij op dat “de zon zonder onderscheid neerkijkt op onze gecultiveerde velden en onze prairies en bossen”. Met zulke uitspraken veegt hij het normatieve onderscheid tussen wildernis en civilisatie van de baan.

Het zijn gedachten die niet voortkomen uit reflecties over de natuur, maar uit een leven te midden van de wilde dingen. Thoreau deelt zijn huis met eekhoorns en mieren, en is er trots op dat zijn “tuin” zich in het bos bevindt. Hij laat dat bos overigens zelf niet ongerept, maar kapt bomen voor brandhout en gaat vissen – en hoewel hij zelf een grotendeels vegetarisch leven verkiest, geeft hij toe dat jagen goed kan zijn voor “educatieve” doeleinden, om jonge mensen vertrouwd te maken met de natuur.

Voor deze vertrouwdheid hoef je echter niet ver te gaan. In weerwil van de hardnekkige mythe dat Thoreau in een afgelegen wildernis leefde, bevond Walden zich in realiteit aan de rand van de bewoonde wereld, op amper een halfuurtje lopen van Concord. Thoreau beschrijft hoe hij meermaals per week het dorp bezoekt, bij familie gaat eten, zijn was afgeeft, en op zijn beurt bezoekers in Walden ontvangt.

Dat doet allemaal geen afbreuk aan zijn experiment, maar verleent het een nieuwe relevantie: niemand hoeft te pretenderen geheel onafhankelijk te zijn om meer vrijheid te vinden. Thoreau ontpopt zich trouwens ook tot landbouwer, zij het meer uit interesse dan uit noodzaak.

De milieubeweging start bij Thoreaus experiment in Walden en in zekere zin is bijna elke ecologische denker vandaag nog steeds schatplichtig aan deze eerste kapitein

Hij plant lange rijen aardappelen en bonen, maar tijdens het schoffelen vraagt hij zich af met welk recht hij zichzelf dat land toe-eigent en de aarde dwingt om “bonen te spreken” in plaats van onkruid. Vanuit een gelijkaardige overweging kan het hem weinig schelen wanneer een marmot met een deel van zijn oogst gaat lopen – want hebben de dieren daar niet evenveel recht op als de mens? Thoreau noemt zijn bonenveld dan ook schertsend een “half-gecultiveerd” veld, waar hij zelf als half-gecultiveerde, half-wilde mens evenzeer thuis is als de dieren.

Thoreau was in zijn tijd een zonderling, en werd zelfs door zijn beste vrienden zo aangekeken. Toen hij in 1862 stierf aan tuberculose, erkende zijn vriend en mentor, de filosoof Ralph Waldo Emerson, op Thoreaus begrafenistoespraak zijn uitzonderlijke talent, maar betreurde hij dat hij “geen enkele ambitie had” en slechts “de kapitein was van een bosbessen-genootschap”. Emerson had er niet verder naast kunnen zitten.

Thoreaus invloed groeide na zijn dood uit tot een volwaardige stroming in de filosofie, die nog steeds elke dag aan relevantie wint. De milieubeweging start bij Thoreaus experiment en in zekere zin is bijna elke ecologische denker vandaag nog steeds schatplichtig aan deze eerste kapitein. Met denkers als Aldo Leopold, Rachel Carson en Wendell Berry, bevindt Thoreau zich vandaag in goed gezelschap in zijn “huckleberry party”.

Een ethiek voor het land

Aldo Leopold
Aldo Leopold (CC BY 2.0 DEED Pacific Southwest Region 5 (Wikimedia Commons))

Van Walden loopt het spoor naar de zandvlakten van Wisconsin in het Amerikaanse Midwesten. Daar verscheen in 1949 postuum een bescheiden werkje van de hand van bosbeheerder Aldo Leopold (1887-1948), getiteld A Sand County Almanac.

Leopold en zijn familie kochten er enkele decennia eerder een vervallen boerderij, waar ze zich vestigden in een oud kippenhok dat ze ombouwden tot woonhuis en waar ze zich wijdden aan het herstel van het omringende, door jaren van intensieve landbouw uitgeputte land. Ze doopten de boerderij liefdevol The Shack, het hutje. Als professioneel bosbeheerder was Leopold thuis in de wouden en de wetenschap, maar zijn werk en ethiek zijn evenzeer ingegeven door zijn rol als boer. Niemand kent het land zo door en door als degene die met dit land samenwerkt.

A Sand County Almanac opent met een reeks prachtige essays die het veranderende ritme van het jaar nabij The Shack beschrijven: het terugkeren van de ganzen in maart, de groene prairievelden in augustus, de sneeuw in december. Leopold verweeft deze observaties met reflecties over het leven rondom hem: hoe zou het zijn om de boerderij te beleven vanuit de ogen van een stinkdier? Welke geschiedenis kan een eik ons vertellen?

In het laatste deel van het boek zet Leopold zijn visie op natuurbeheer explicieter uiteen en formuleert hij zijn beroemde ‘landethiek’: een ecologische ethiek die het land als uitgangspunt neemt voor een gezonde, respectvolle relatie tussen de mens en het andere leven in en op het land.

Leopold noemt dit de “gemeenschap van het land”, een gemeenschap van menselijke en niet-menselijke wezens: de bodem, het water, planten en dieren. Een landethiek gaat uit van deze gemeenschap en “verandert de rol van homo sapiens van de veroveraar van de landgemeenschap naar een gewoon lid en burger van deze gemeenschap”. Dit is geen degradatie van de mens, maar een maatregel om ook zijn eigen voortbestaan te verzekeren. Want de verovering van het land leidt uiteindelijk tot de zelfvernietiging van de mens.

Leopold merkt op dat een ethiek voor het land geen vanzelfsprekendheid is. Ze vraagt om een doordachte inperking van onze menselijke mogelijkheden – een houding die haaks staat op een systeem dat de economische efficiëntie tot de absolute norm heeft verheven en elke andere waarde ondergeschikt maakt aan de marktwaarde. Zo’n systeem moedigt doelbewust een blindheid voor de “gemeenschap van het land” aan, want deze gemeenschap kan de efficiëntie – van de soort die de markt vraagt – alleen maar in de weg staan.

Vandaag bevinden we ons in een gelijkaardige situatie. Technologie en vooruitgang creëerden de mogelijkheid om land zo intensief te gebruiken dat de bodem na tien jaar uitgeput is; om vijfhonderd koeien op één hectare bij elkaar te zetten en ze allemaal door één persoon te laten melken; om pesticiden te gebruiken om één gewas te beschermen en daarbij een groot deel van het andere leven in de wijde omgeving te vernietigen.

De ethiek van de markt botst onherroepelijk met de ethiek van het land. Niet de landbouw als activiteit op zichzelf, maar de landbouw die geforceerd wordt een kapitalistische ethos te volgen is problematisch. Want die landbouw moet noodgedwongen afstand doen van een fundamentelere ethiek die als enige het voortbestaan van landbouw, mens en omgeving op lange termijn kan garanderen.

De verovering van het land leidt uiteindelijk tot de zelfvernietiging van de mens

Daartegenover heeft Leopold het over een vorm van samenleven: een landherstel dat de mens weer midden in en op het land zet, niet als een tiran, maar als een ‘burger’, die net als alle andere burgers een politieke verantwoordelijkheid draagt voor het welzijn van de hele gemeenschap.

Net als Thoreau is Leopold een mens die subtiel verzet tegen het systeem tot zijn actieve levenshouding heeft gemaakt. Tussen de idyllische, onschuldige beschrijvingen van A Sand County Almanac schemert dan ook een scherpe maatschappijkritiek door. The New York Times verwoordde dit treffend in een recensie uit 1949, waarin staat dat het boek “zo onschuldig lijkt als een speelgoedgeweertje”, maar uiteindelijk “een geladen 45 millimeterpistool” bleek te zijn.

Het is geen toeval dat A Sand County Almanac pas een bestseller werd in de jaren 1960, het decennium waarin naast het culturele verzet van de hippiebeweging ook de prille milieubeweging het licht zag. En die omarmde Thoreau en Leopold als de vaderfiguren van het ecologische gedachtegoed. Maar het was de publicatie van het werk van een vrouw, de Amerikaanse bioloog Rachel Carson, die het startschot gaf voor deze beweging.

Een fabel voor morgen

Rachel Carson
Rachel Carson (Wikimedia Commons)

In 1962 publiceerde Rachel Carson (1907-1964) een boek dat een storm zou teweegbrengen in de landbouwsector, de politiek en de publieke opinie in de Verenigde Staten en ver daarbuiten: Silent Spring (in het Nederlands vertaald door Nico Groen als Verstild Voorjaar).

In dit werk klaagt Carson de gevolgen aan van het buitensporige pesticidengebruik in de Amerikaanse landbouw: gevolgen die niet beperkt blijven tot landbouwgrond, maar die tot ver daarbuiten een destructieve impact hebben op de biodiversiteit en de volksgezondheid.

Silent Spring sloeg in als een bom en inspireerde een burgerverzetsbeweging die uiteindelijk leidde tot strengere regels voor de agrochemische industrie. Het zal waarschijnlijk niet verbazen dat Carson het slachtoffer werd van een doorgedreven lastercampagne door de agro-industrie.

Silent Spring opent met een ‘fabel voor morgen’, waarin Carson de snelle destructie van de agrarische idylle in een imaginair Amerikaans stadje beschrijft. In dit stadje, gelegen tussen welvarende boerderijen, “leek alles in harmonie met z’n omgeving te leven”. Bloemen bloeien langs de wegen, eik en esdoorn kleuren de herfst rood en goud, de heldere rivier zit vol vissen, en ontelbare vogels vliegen door het landschap. Maar op een dag treft een mysterieuze ramp het stadje. Al het leven begint af te sterven, van de wilde bloemen in de berm tot de koeien en kippen in de stallen, en uiteindelijk de mensen zelf.

Met deze fameuze fabel toont Carson de gruwelijke gevolgen van de agrochemische vervuiling aan voor natuur en mens. Maar dit simpele verhaal is ook een ode aan het agrarische cultuurlandschap zoals het ooit was – en zoals het opnieuw zou kunnen zijn. Carson schetst hier geen afgesloten natuurgebied, maar een ecologische gemeenschap waarin landbouw, mens en wilde natuur elkaar wederzijds vooruithelpen.

Carson begon haar carrière tijdens de Grote Depressie als maritiem bioloog bij het Federaal Bureau voor Visvangst in Chesapeake Bay, Maryland. Haar werk gaf haar de kans om het zeeleven in de baai en de oceaan in detail te bestuderen. Die nauwkeurige observaties leidden haar tot het inzicht dat de toestand van al het leven in de oceaan onlosmakelijk met elkaar en het omringende land vervlochten is.

“Alles wat Carson schreef kwam voort uit het idee dat mensen deel uitmaken van de natuur,” schrijft Carsons biograaf Linda Lear, “maar de mens onderscheidt zich door zijn macht om die natuur te veranderen, in sommige gevallen onomkeerbaar.” Pesticiden weerspiegelen het idee dat de mens fundamenteel in oorlog is met de natuur en die natuur desgevallend kan vernietigen.

Rachel Carson heeft overtuigend het idee op de kaart gezet dat menselijke activiteit niet alleen een lokale, maar ook een belangrijke bovenlokale impact heeft

De grootschalige introductie van pesticiden en kunstmest in de landbouw, nefast voor een groot deel van het leven in de omgeving, markeert een nieuwe grens tussen landbouw en natuur. Van samenwerking tussen mens en natuur in een gedeeld landschap is geen sprake meer. Waar aan landbouw gedaan wordt, kunnen voortaan geen wilde planten of dieren meer (over)leven.

Carsons grote verdienste als wetenschapper is dat ze het idee dat menselijke activiteit niet alleen een lokale, maar ook een belangrijke bovenlokale impact heeft, overtuigend op de kaart heeft gezet. Hoewel ze zich toespitst op de effecten van pesticidengebruik, is haar werk bijzonder relevant voor andere vormen van vervuiling die gepaard gaan met het huidige landbouwsysteem.

Net als pesticiden vinden antibiotica, methaan en stikstof hun weg naar het bredere ecosysteem: naar beken en rivieren waar ze het waterleven verwoesten, naar bodems die verschralen en verarmen en naar de atmosfeer en de lucht die we zelf kilometers en kilometers verderop nog inademen.

Zestig jaar na Silent Spring begint eindelijk ook in Vlaanderen het besef te dagen dat (landbouw)economie, onze natuur en het algemeen welzijn hechter verbonden zijn dan we lang wilden aannemen. Het recente stikstofakkoord kwam er naar aanleiding van dat besef, maar het schuurt met de mentaliteit van een samenleving die haar economische belangen en haar ecologische belangen nog steeds liever los van elkaar ziet. Vandaag zitten we dus nog steeds opgezadeld met de gevolgen van deze tweedeling, veroorzaakt door de agro-industrie, waarin landbouw en milieubescherming fundamenteel onverenigbaar lijken.

Terug naar de toekomst

Wendell Berry
Wendell Berry (CC BY 2.0 DEED Festival of Faiths)

De gedachte dat dit systeem onhoudbaar is, vormt ook de spil van het werk van de onvolprezen dichter, filosoof en boer Wendell Berry (1934). Net als Leopold en Thoreau is Berry een auteur die van zijn filosofie een praktische levenswijze maakte. Zijn werk is ontegenzeggelijk en onvermijdelijk geïnspireerd door de plek waar hij zich vestigde: een familieboerderij in Kentucky.

Als een van de boegbeelden van de Amerikaanse back to the land-beweging neemt hij een soms wat vreemde positie in tussen traditionele boerenwaarden en een progressieve, ecologisch gefundeerde maatschappijkritiek. Berry’s visie brengt ons terug naar het land zelf, naar een bestaan gestoeld op kleinschalige landbouw en hechte gemeenschapsbanden. Goede grond en een stevige band met de aarde: dat zijn voor Berry de voorwaarden voor een betekenisvol leven.

Zijn denken is doordrongen van de gedachte dat een gezonde, lokale landbouw en economie de basis vormen voor een betere levenshouding voor het individu en zijn omgeving. Zijn visie resoneert vandaag met de belangstelling in bio- en korteketenlandbouw en een meer zelfvoorzienend leven – de fundamenten van een andere economie.

Berry, Carson, Thoreau en Leopold wijzen ons op de gedachte dat de tegenstelling tussen economie en ecologie een fundamentele denkfout inhoudt. Beide termen zijn afgeleid van het Griekse begrip oikos, dat ‘thuis’ of ‘huishouden” betekent. Economie en ecologie zijn twee gerelateerde vormen van ‘huishoudkunde’, beide draaien om de vraag hoe we onze rekening willen opmaken en met onze thuis willen omgaan.

Het probleem is dat onze huidige ‘economie’ die thuis erg nauw definieert als louter ons private bezit. Ecologie rekent daarentegen ook de wijdere omgeving en de grotere gemeenschap van het land tot de leden van onze huishouding.

Niet toevallig komt Thoreau tot een ecologisch besef vanuit een herzien begrip van economie: een economie waarin de mens de opbrengst deelt met de eekhoorns en marmotten. Een vereenvoudiging van persoonlijke en collectieve economische behoeften in een lokale, ecologisch geïnspireerde economie is daarbij de belangrijkste voorwaarde.

Voor Wendell Berry maken ook individuele acties een verschil: niet omdat één persoon het klimaatprobleem kan oplossen, maar wel omdat het belangrijk is om je filosofische principes in de praktijk te brengen

Een ander kenmerk dat Berry deelt met deze denkers is dat hun analyse van het systeem hen niet belet om ook in eigen boezem te kijken. Voor Berry maken ook individuele acties een verschil. Niet omdat één persoon het klimaatprobleem kan oplossen, maar wel omdat het belangrijk is om je filosofische principes in de praktijk te brengen. Filosofie als praktische levenshouding: net als Thoreau gelooft Berry dat iedereen de keuze heeft om in de marge van het systeem een andere filosofie uit te testen.

“Als je dingen verkondigt zonder zelf te veranderen door wat je zegt,” schrijft hij, “dan ben je niet alleen hypocriet en verdoemd, dan ben je ook zelf een drager van de ziekte geworden.” Die ziekte is het exploitatiedenken, ingegeven door een ongezonde economie. Berry weigert om die verder te verspreiden.

Zijn terugkeer naar een eenvoudige en traditionele levensstijl is geen regressieve daad, maar een daad van toekomstige vrijheid. De vrijheid om in overeenstemming te leven met je principes, om te kiezen voor een ecologische economie, om een plek, een stukje aarde, actief te bewonen.

Het zijn fundamentele inzichten voor vandaag. De klimaatcrisis speelt zich immers niet alleen boven onze hoofden af, maar ook onder onze voeten, op en in de bodem waarop wij leven. Vervuiling, biodiversiteitsverlies en klimaatopwarming laten hun afdruk na op concrete plekken, en de plek waarop deze weerslag het meest zichtbaar is, is onze thuis – niet enkel huis en tuin, maar ook de stad, het dorp, het land en landschap waarin we leven.

We zien die weerslag in het verdwijnen van wilde bloemen, het veranderen van plantensoorten, het elk jaar afnemen van het aantal insecten, de stilte waar vroeger vogels zongen. De ecologische crisis bedreigt het voortbestaan van concrete plekken evenzeer als het voortbestaan van de planeet.

Denkers als Thoreau, Leopold, Carson en Berry kunnen helpen een ethische oriëntatie terug te vinden in deze crisis, ons eraan herinneren dat we vrij zijn om keuzes te maken, om ergens voor te staan, ergens voor te leven

Al te vaak voelen we ons machteloos tegenover de duizelingwekkende omvang van het probleem en de alomtegenwoordige grip van “het systeem”, maar vergeten we dat we vrij zijn verantwoordelijkheid te nemen voor ons eigen leven en onze plek. Deze gedachte is geen manier om de schuld af te schuiven op het individu, wel een gereedschap om het individu opnieuw sterker te positioneren tegenover een systeem dat zich, sinds Thatchers profetische woorden, presenteert als het enige alternatief.

Denkers als Thoreau, Leopold, Carson en Berry kunnen helpen een ethische oriëntatie terug te vinden in deze crisis, ons eraan herinneren dat we vrij zijn om keuzes te maken, om ergens voor te staan, ergens voor te leven.

Aldo Leopold schreef: “Er zijn mensen die kunnen leven zonder wilde dingen, en mensen die dat niet kunnen.” Leopold rekende zichzelf tot die laatste categorie. Maar uiteraard wist hij dat iedereen in feite tot dezelfde groep behoort, dat er zonder wilde natuur ook geen leven meer mogelijk is voor de mens.

De keuze die we hebben is of we dat willen erkennen, of niet. En op basis van dat besef onze persoonlijke en collectieve huishoudkunde zo te herdenken dat die wilde dingen weer een plek krijgen in onze thuis en onze omgeving.

LEES OOK
Tine Hens 09-08-2024

Landbouwers kunnen bedreigde bloemen redden

Tal van bloemen en vogels evolueerden samen met de landbouw. Door landbouw steeds strikter van natuur te scheiden, dreigen ze voorgoed te verdwijnen.
Zicht op de weiden rond Bos t'Ename.
Linde De Vroey 11-08-2023

Herwilderen in de Schotse Hooglanden

In het licht van de ecologische crisis staat herwildering hoog op de Schotse agenda.
Miek Zwamborn en Rutger Emmelkamp met schrijver in resident Willemijn in Tireragan.
Linde De Vroey 11-10-2022

Maak plaats voor verwildering

Hoe kunnen we wilde natuur een plaats geven in het volgebouwde Vlaanderen?
rewilding telma Lannoo
2 REACTIES
erik lauriks — 16-08-2024 11:10:22
Een belangrijk historisch feit ontbreekt in dit artikel. De voorouders van deze witte, welgestelde blanken beroofden en vernietigden sinds 1941 de inheemse lokale gemeenschappen waar deze ideeën de basis van hun samenleving vormde. Daarna voerden ze gestolen zwarte Afrikanen in om het werk te doen en "rijk" te worden.
Zij hebben dus zeker het warm water niet uitgevonden maar het is goed te weten dat zij dit uitbuitingssysteem verwierpen en door hadden.
erik lauriks — 17-08-2024 19:59:02
1941 moet natuurlijk 1491 zijn. Blijkbaar even een vlaag van dyscalculie, sorry