Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Wanneer winnen niet het juiste is

door Koen Smets
Twee atleten staan tegenover elkaar, de ene als duivel, de andere als engel gekleed.
Atleten willen winnen. Maar soms gebeurt er iets vreemds. (via Dall-E)

Het is een waarheid als een koe dat atleten gemotiveerd worden door te winnen – ze willen het hoogste of verste springen, of als eerste over de finish komen. De meesten spelen het eerlijk en gebruiken geen doping of illegale uitrusting, en iedereen probeert zo goed mogelijk te presteren, met als doel die gegeerde overwinning.

Of soms misschien ook niet.

Een vroeg kerstcadeau

Enkele weken voor Kerstmis 2012 liep Abel Mutai uit Kenia, de bronzen medaillewinnaar op de 3.000 meter steeplechase tijdens de Olympische Spelen in Londen eerder dat jaar, een crosscountrywedstrijd in Spanje. Hij had een onoverbrugbare voorsprong opgebouwd op de tweede geplaatste loper, Iván Fernández Anaya, en stond op het punt de finishlijn te passeren toen hij verrassend genoeg een paar passen voor de meet tot stilstand kwam. 

Omdat hij de Spaanse bewegwijzering niet begreep, dacht hij namelijk dat hij de streep al gepasseerd was. Fernández had Mutai makkelijk kunnen inhalen en zo de race winnen. In plaats daarvan gebaarde hij naar zijn rivaal, begeleidde de Keniaan naar de finish en liet hem als eerste over de finish komen. 

Een bijzonder interessante situatie vanuit het oogpunt van besluitvorming – wat ging er toen door zijn hoofd?

Het verhaal werd destijds neergezet als een overwinning van fair play op persoonlijk gewin. Vanuit elk redelijk perspectief was Mutai immers de terechte winnaar. Profiteren van een rivaal die in het zicht van de finish valt – een goede loper mag natuurlijk niet struikelen – zou zeker al een moreel vraagteken oproepen, maar het uitbuiten van iemands verwarring bij de bewegwijzering in een vreemde taal zou beslist wel een moreel uitroepteken verdienen.

We zouden in de verleiding kunnen komen om te denken dat Fernández de voor- en nadelen van zijn twee opties tegen elkaar had afgewogen en bewust en een beredeneerde keuze tussen beide had gemaakt. Aan de ene kant was er de eer van de overwinning, het gevoel iets te hebben gepresteerd en het prijzengeld, aan de andere kant was doen wat juist is en afzien van al dat leuks. 

Een cynicus zou natuurlijk kunnen aanvoeren dat het eigenlijk niet om een belangrijke race ging en dat hij misschien had uitgerekend dat de reputatiewinst van zijn gulle daad dus zeker waardevoller zou zijn dan het prijzengeld en de bescheiden atletische waarde van deze overwinning. Maar dat doet niets af aan het feit dat hij, hoewel hij had kunnen profiteren van de desoriëntatie van zijn rivaal, dat niet deed.

Hij had in elk geval niet veel tijd om deze beslissing te nemen – alles was voorbij in amper enkele seconden. Dit suggereert dat, om de door Daniel Kahneman gepopulariseerde terminologie te gebruiken, het eerder het resultaat was van snel dan van langzaam denken: een impulsieve beslissing, gedreven door emotie en intuïtie. 

Dit werpt een wat ander licht op Fernández' gedrag. Aan de ene kant lijkt het de morele verdienste van zijn daad enigszins te bagatelliseren: bewust en weloverwogen kiezen voor het brengen van een offer ten gunste van iemand anders kan worden gezien als moreel gewichtiger dan dit 'onnadenkend' te doen. 

Aan de andere kant, als emotie en intuïtie zijn keuze dreven, bieden ze misschien een zuiverder inzicht, onaangetast door strategisch eigenbelang, in zijn werkelijke fundamentele waarden en het morele kompas dat deze wikt, rangschikt naar prioriteit, en toepast.

Dit perspectief sluit aan bij het sociale intuïtionistische model van morele oordeelsvorming van de moraalpsycholoog Jonathan Haidt, dat hij voor het eerst introduceerde in 2001. Haidt stelt dat morele oordelen voornamelijk worden gevormd door snelle, intuïtieve processen en dat de vaak meer strategische morele redeneringen pas daarna plaatsvinden, om de intuïtieve reactie te rechtvaardigen of te verklaren. 

“Morele actie hangt meer samen met morele emotie dan met moreel redeneren”, schrijft hij – en toen Fernández na afloop zei: “Ik deed wat ik moest doen”, was dat wellicht inderdaad meer een reflectie van zijn intuïties dan van weloverwogen redeneren.

Maar ook al is het zelden de primaire invloed op het morele oordeel, toch speelt redeneren volgens dit model wel degelijk een belangrijke rol, met name in het vormgeven aan onze morele intuïties. 

We horen anderen beredeneerde rechtvaardigingen en verklaringen geven voor hun keuzes, en zelfs als we ze alleen maar observeren, stelt dit onze bestaande morele intuïties bij, of creëert het nieuwe. In onze eerste levensjaren komt veel hiervan van ouders, leraren en leeftijdsgenoten, later krijgen we moreel inzicht van collega's, publieke figuren en leden van onze verschillende in- en outgroups, waarmee onze morele kijk op de dingen voortdurend wordt bijgewerkt.

Wat intrigerend is, is hoe een reactie die niet op bewuste redenering berust, toch een langeretermijnperspectief bevordert. Ethisch handelen draagt bij aan welzijn en zelfrespect (en respect van anderen) op de lange termijn en dat weegt zwaarder dan de kortetermijnvoldoening van een moreel twijfelachtige overwinning. Het is alsof ons morele kompas een tegengewicht biedt aan de impuls om voor onmiddellijk materieel gewin te gaan – en dat doet via hetzelfde snelle, intuïtieve kanaal.

Een andere mogelijke invloed in de reactie van Fernández is empathie met zijn onfortuinlijke rivaal. Omdat hij Mutai's verwarring onderkende, kan hij in Mutai's schoenen zijn gaan staan en hebben gehandeld zoals hij zou willen dat iemand in een vergelijkbare situatie tegenover hem zou handelen. 

Hoewel we best moreel kunnen handelen zonder empathie – hetzij door het onnadenkend volgen van morele regels of door koudweg de uitkomsten te overwegen – is het vaak een krachtige motivator voor moreel gedrag.

Het juiste, wat het ook is

Misschien illustreert dit verhaal wel hoe sterk en diepgeworteld onze neiging is om keuzes te maken waarvan we denken dat ze juist zijn (en keuzes af te wijzen die verkeerd zijn). Ons vermogen om deze twee tegengestelde polen te onderscheiden gaat terug tot de eenvoudigste organismen die, om te overleven, een onderscheid moesten maken tussen gunstige en schadelijke omgevingen. 

Dit vermogen vormde de basis voor sociaal gedrag: organismen die handelden op een manier die gunstig was in plaats van schadelijk voor de groep, en niet alleen voor henzelf, zouden als groep succesvoller zijn. 

Ons eigen, menselijke vermogen tot abstract denken kon vervolgens verder bouwen op dit fundament en de noties van goed en fout uitbreiden van directe ervaringen naar hypothetische situaties en het inschatten van gevolgen op de langere termijn.

Het is echter belangrijk om op te merken dat, naarmate de noties van goed en verkeerd complexer werden na de oorspronkelijke overlevingscontext, ze steeds minder objectief werden. Ze werden kenmerken van de culturele keuzes die verschillende samenlevingen maakten en hoe deze keuzes zelf evolueerden in de loop van de tijd (denk maar aan slavernij of, meer recent, het homohuwelijk).

Praktische moraliteit heeft zeker een sterke culturele dimensie. Moreel redeneren verrijkt en versterkt het morele, culturele landschap waarin we leven: terwijl onze morele keuzes grotendeels geworteld blijven in ons instinct, vormt en hervormt ons vermogen om erover te redeneren, en ze te rechtvaardigen of af te keuren, voortdurend onze onderliggende morele intuïtie.

We beschikken dus over een krachtig mechanisme om complexe beslissingen te nemen, waarvan een groot deel diep intuïtief is. Maar we moeten er niet per se van uitgaan dat Fernández geen andere keuze had kunnen maken. 

Na de race zei hij: “Er stond nauwelijks iets op het spel, behalve dat ik had kunnen zeggen dat ik een olympische medaillewinnaar had verslagen. Het zou natuurlijk iets anders zijn als er een wereld- of Europese medaille op het spel stond. Dan denk ik dat ik de situatie wel zou hebben uitgebuit om te winnen...” 

Deze erkenning suggereert dat morele oordelen, ook al zijn ze grotendeels instinctief, niet blind en onvoorwaardelijk zijn. Er is een duidelijk element van wil in moreel handelen. Maar wat juist is, is niet in steen gebeiteld en kan afhangen van de omstandigheden – soms is winnen niet het juiste, en soms net wel.

Ondanks de zichtbare culturele diversiteit over de mensheid heen, verraadt de manier waarop de vertelling van de eerlijkheid van de langeafstandsloper zo wijdverspreid aanslaat een gemeenschappelijke kern in onze moraliteit. Ze is misschien niet objectief, maar onze gedeelde afkomst betekent dat we op zijn minst een gedeelde subjectiviteit kunnen hebben. 

We begrijpen allemaal wat het betekent om het juiste te doen. En soms zijn we het zelfs eens over wat precies het juiste is.

LEES OOK
Lode Buelens 20-07-2026

Mag het ook eens over de WK-sponsors gaan?

20 jaar geleden pleitten België en Nederland voor een groener, kleiner, beter WK.
voetbal
Teun Dominicus 16-07-2026

Politicoloog Cas Mudde: “Modern voetbal zit in een financiële bubbel die onhoudbaar is"

Het neoliberalisme heeft de waarde van Muddes favoriete sport uitgehold.
voetbal
Anneleen Ophoff 17-06-2026

Apache Magazine #23 richt de blik op de sportwereld

Het zomerummer van Apache Magazine kijkt voor én achter de schermen van het sportcircus.
Cover van het nieuwste Apache Magazine