De meeste mensen stellen vrijheid zeer op prijs, misschien wel als een van de meest waardevolle goederen die we bezitten. Wie kiest er immers voor om als slaaf te leven, of onder een autoritair bewind waar individuele vrijheden ernstig worden beperkt? En toch geven we vaak onze vrijheden op om juridische, sociale of morele redenen, soms zelfs met plezier.
We weten en voelen weliswaar dat vrijheid intrinsieke waarde heeft, maar het meten ervan is niet zo eenvoudig. Dat maakt het verhandelen van vrijheid moeilijk, en de daarmee gepaard gaande afwegingen worden moeilijker naarmate we een bepaalde vrijheid meer verlangen en waarderen. Hoe kunnen we ervoor zorgen de juiste waarde toe te kennen aan onze vrijheid (en die van anderen!)?
Na aan het hart
De notie van vrijheid is nauw verbonden met waarden en aspiraties die karakteristiek zijn voor de hele mensheid, zoals autonomie en zelfbeschikking, of waardigheid en eigenwaarde (en het daaruit voortvloeiende psychologisch welzijn). De eerstgenoemde zijn typisch verbonden met wat Isaiah Berlin “vrijheid om” noemt, vrij zijn om te handelen (of niet te handelen) en ons leven vorm te geven volgens onze wensen; de tweede met “vrijheid van”, het recht om niet geschaad of gehinderd te worden door andermans handelen (of niet-handelen).
Er zijn overigens wel meer filosofen die zich hebben gebogen over de kwestie van vrijheid, en wel vanuit twee perspectieven. Het ene betreft de noodzaak om de vrijheden van mensen in te perken, om een “oorlog van allen tegen allen” te voorkomen (zoals Thomas Hobbes schreef in Leviathan), en om stabiliteit in de samenleving te garanderen door middel van een “sociaal contract” (naar het gelijknamige werk van Jean-Jacques Rousseau).
Het andere perspectief heeft betrekking op het behoud van vrijheden, en pleit voor duidelijke grenzen aan de inperking van vrijheid (zoals in John Stuart Mill's schadebeginsel, dat stelt dat de enige rechtvaardiging om in te grijpen in persoonlijke vrijheid het voorkomen van schade aan anderen is).
Er bestaat dus weinig twijfel over dat vrijheid ons na aan het hart ligt en hoog wordt ingeschat. We zien het aan hoeveel bloed er al is (en nog steeds wordt) vergoten in haar naam (door krijgers die niet toevallig vaak vrijheidsstrijders worden genoemd), en in de symboliek van slogans als de Franse lijfspreuk Liberté, Egalité, Fraternité, of in de Liberty Bell in de Verenigde Staten.
Maar, zoals Hobbes en Rousseau al opmerkten, onbegrensde vrijheid voorspelt niet veel goeds. Het lijkt verstandig om een deel van onze vrijheid op te geven om chaos en anarchie te voorkomen. Dit wordt ook weerspiegeld op individueel niveau: we offeren vrijheden op in ten minste drie verschillende contexten.
De meest voor de hand liggende betreft de verboden en verplichtingen die wetten en regels ons opleggen, met duidelijke, materiële straffen als we ze niet naleven. Snelheidsbeperkingen beperken onze vrijheid om zo hard te rijden als we willen en milieuwetgeving vertelt ons wanneer we een luidruchtige grasmaaier mogen gebruiken of hoeveel lawaai we 's nachts mogen maken. Op onze werkplek betekent een kledingvoorschrift wellicht dat we niet zomaar mogen dragen wat we willen.
Een tweede context is onze sociale omgeving: in welke kringen we ons ook bewegen, de heersende normen betekenen dat we niet vrij zijn om zomaar te zeggen wat we willen, hoe en wanneer we dat willen, om anderen aan te raken of zelfs maar te dichtbij hen te staan, of om op evenementen of afspraken te verschijnen wanneer het ons uitkomt.
We gebruiken vrijwillig diplomatieke taal of houden onze mening over anderen voor onszelf, we omhelzen mensen niet zomaar of delen niet zonder meer hartelijke schouderklopjes uit, en we doen (meestal) ons best om stipt te arriveren.
Tot op zekere hoogte zijn deze twee contexten instrumenteel: we geven vrijheden op om te voorkomen dat we een boete krijgen, in de gevangenis belanden of een schriftelijke waarschuwing krijgen op het werk, of om onze reputatie in de ogen van anderen te beschermen.
Voor een derde context is dat veel minder het geval. Daar passen we onze eigen morele overtuigingen toe om onze vrijheid in te perken, bijvoorbeeld door te besluiten geen vlees meer te eten, te kiezen voor de fiets of het openbaar vervoer in plaats van de auto, of door te besluiten de waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid te spreken. Soms offeren we dus zelfs vrijheden op om op een moreel juiste manier te handelen.
Een lastige handel
Een van de grote uitdagingen bij het benaderen van en omgaan met vrijheid is dat de waarde en betekenis ervan erg moeilijk in abstracto vast te stellen zijn. Als agnosticus belangt de vrijheid van godsdienst mij niet erg aan, en omdat ik geen cannabisgebruiker ben, geldt hetzelfde voor de legale status van wiet.
Ik ben misschien wel principieel tegen het inperken van deze vrijheden, maar zou ik bereid zijn een beduidend offer te brengen om ze te beschermen? Daar ben ik niet zo zeker van. Sterker nog, als niet-roker zou ik niet alleen niet bereid zijn om een prijs te betalen om vrij te mogen roken waar het nu verboden is, ik zou misschien zelfs willen betalen om het recht van anderen om te roken in te perken, omdat ik liever geen tabaksgeur inadem.
Het is vaak niet eenvoudig om een algemene voorkeur voor meer, eerder dan minder vrijheid los te koppelen van onze specifieke persoonlijke voorkeuren en aversies. Dit zie je bijvoorbeeld goed bij kwesties als vrijheid van meningsuiting of vuurwapenrechten.
De meesten van ons zouden zich hevig verzetten als men ons de mond wil snoeren – maar we zouden ons wellicht veel minder hard uitspreken tegen het inperken van het soort meningen dat we persoonlijk verafschuwen. Op dezelfde manier kunnen beperkingen op wapenbezit er onbeduidend uitzien voor niet-wapenbezitters, maar zeer verwerpelijk zijn voor de talloze verantwoordelijke wapenliefhebbers.
Dit betekent dat we het begrip vrijheid wel eens op een tendentieuze manier durven te gebruiken. We eisen ze op voor onszelf, om te kunnen leven volgens onze voorkeuren, terwijl we er weinig bezwaar tegen hebben om ze te beperken voor anderen die ze zouden gebruiken op een manier die wij afkeuren.
Als we vrijheid echter serieus nemen als fundamenteel goed, horen we ze eigenlijk niet selectief te steunen of te veroordelen op basis van onze eigen voorkeur en afkeer. We waken er best over dat we bedreigingen van vrijheden die voor ons persoonlijk irrelevant zijn niet zomaar afwimpelen en zijn best nog voorzichtiger wanneer we de neiging hebben ons actief te verzetten tegen bepaalde vrijheden.
Het principe van John Stuart Mill, dat elke inperking van vrijheid alleen gerechtvaardigd kan worden door de schade die ze aan anderen zou berokkenen, biedt een geschikte leidraad bij het redeneren. Dit universele principe zet er ons toe aan om na te denken over de bredere implicaties van het beperken van vrijheden, zelfs diegene die we persoonlijk niet waarderen.
Als we echt klaar willen zien in de afwegingen met betrekking tot vrijheid, dan moeten we de moeite nemen om ons in te leven in het standpunt van mensen die andere (en mogelijk zelfs tegengestelde) vrijheden koesteren dan die wij persoonlijk hoog in het vaandel hebben staan, en de zaak ook vanuit hun perspectief te bekijken.
Doorheen deze complexe afwegingen laveren is een moeilijke uitdaging, zonder kant-en-klare antwoorden. Of het nu om persoonlijke keuzes gaat, of om onze opinies over beleidsmaatregelen, we kunnen uiteindelijk enkel afgaan op ons eigen oordeel. Dat hoeft echter niet willekeurig of ongeïnformeerd te zijn. Door vrijheid als concept op een gestructureerde manier te benaderen, verschillende perspectieven te erkennen en bewijsmateriaal aan te voeren, kunnen we tot meer doordachte en evenwichtige beslissingen en conclusies komen.
De sleutel ligt niet in het zoeken naar universele oplossingen, maar in het ontwikkelen van ons vermogen om deze afwegingen competent en gewetensvol te benaderen. Zo kunnen we verantwoordelijkheid nemen voor onze vrijheden en de impact ervan op zowel ons leven als dat van anderen. Tenslotte is vrijheid inderdaad 'te koop', maar het is aan ons om ervoor te zorgen dat we ze niet te goedkoop verkopen of ze niet kopen tegen een te hoge prijs voor anderen.