Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Verenigd of verdeeld door een muntje

door Koen Smets
coin flip
We zijn geprogrammeerd om verschillen tussen ons en anderen op te merken en erop te reageren. (Ryan Morrison/Pixabay)

Een tijd geleden waren we tot het besluit gekomen dat we de verbouwing van onze keuken niet langer konden uitstellen. Al babbelend terwijl hij maten opnam en aantekeningen maakte, was de verkoper/ontwerper erachter gekomen dat wij Belgische expats in het Verenigd Koninkrijk zijn.

In zijn jonge jaren, zo vertelde hij, was hij een liefhebber van motorcross geweest (niet zo populair in het Verenigd Koninkrijk) en wist zelfs op te merken dat er een voormalig Belgisch kampioen is die onze achternaam deelde. Toen hij een halfuur en een koffie later vertrok, was ik er, nog voordat ik zijn offerte had gezien, zeker van dat die de beste zou zijn. Is dat niet eigenaardig?

De kracht van toevallige gelijkenis

Wat ik had ervaren, had de Oostenrijkse psycholoog Fritz Heider in de jaren 50 al opgemerkt: een atypische, toevallige gelijkenis tussen twee mensen kan leiden tot een gevoel van affiniteit. Meer recentelijk wees onderzoek van Jerry Burger en collega's naar zulke incidentele overeenkomsten tussen een individu en een verzoeker uit dat ze het voldoen aan een verzoek vergemakkelijken.

Dit zien we ook weerspiegeld in het vijfde van Robert Cialdini's originele Zes Principes van Overtuiging, “sympathie”. We worden gemakkelijker overtuigd door mensen die we sympathiek vinden.

cyclists2
Vele verschillen, maar verenigd door een gemeenschappelijke passie. (Armando Lobos/Flickr CC BY NC ND 2.0)

Dit gedrag is nauw verbonden met onze menselijke neiging om groepen te vormen: we verkiezen het gezelschap van mensen met wie we een deel van onze identiteit delen, of dat nu op de tribune is van het voetbalteam waarvoor we supporteren, in het koor waarin we zingen, of in de wielertoeristenclub. En er is maar weinig voor nodig om groepen te vormen.

De Poolse sociaal psycholoog Henri Tajfel introduceerde het minimale groepsparadigma, het indelen van mensen op basis van een minimum aan arbitraire informatie (ik heb ooit zo'n oefening gedaan met een groep werknemers van een klant, waarbij ze werden gesplitst naargelang hoe ze vonden dat toiletpapier in de houder moest worden geplaatst – over of onder).

Zulke groepen vormen snel een gemeenschappelijke sociale identiteit die sterk beïnvloedt hoe ze beperkte middelen verdelen. In het bijzonder, terwijl ze streven naar maximale totale groepswinst, streven ze ook naar een maximaal verschil tussen de ingroup en de outgroup, en zijn ze zelfs bereid om hiervoor eigen gewin op te offeren.

Deze drang om coalities te vormen was instrumenteel in het ontstaan van het geheime wapen van de mens: onze inclinatie tot samenwerken. Ons evolutionaire succes is voor een groot deel te danken aan de diepgang van onze sociale relaties buiten onze onmiddellijke verwanten.

Leda Cosmides en John Tooby, gezamenlijke pioniers op het gebied van evolutionaire psychologie, bestudeerden hoe coalities en allianties ontstaan, en hun onderzoek samen met David Pietraszewski suggereert dat we over cognitieve systemen beschikken die specifiek geëvolueerd zijn om allianties te bespeuren, en soms zelfs coalitiestructuren waarnemen waar die er niet zijn.

Deze systemen zouden cruciaal zijn geweest voor het overleven in voorouderlijke omgevingen waar snel bondgenoten en bedreigingen identificeren essentieel was. Dit weerspiegelt een evolutionaire aanpassing die hielp bij het navigeren van de sociale context. 

Maximale willekeur 

Nieuw onderzoek van Eliane Deschrijver en Richard Ramsey stelt een nog fundamentelere aanname in vraag over hoe minimale groepen zich vormen. Conventioneel worden die bepaald door oordelen zoals voorkeuren voor het ene of het andere schilderij, of het geschatte aantal stippen in een wolk, die op de een of andere manier toch als persoonlijk betekenisvol aanvoelen.

Maar deze onderzoekers vroegen zich af of zo'n actief oordeel – of zelfs het groepslidmaatschap zelf – wel nodig was om tot discriminatie van wie anders is te leiden.

Us and them
Minimale verschillen, minimale gelijkenissen. (© Koen Smets)

In drie varianten van het minimale groepsexperiment, die zowel in een traditionele groepssetting als in een-op-een interacties werden uitgevoerd, wezen deelnemers geld toe aan anderen op basis van overeenkomst of verschil. Twee varianten maakten gebruik van actieve keuzes (schilderijen selecteren en het aantal stippen schatten), de derde van het opgooien van een muntje.

De resultaten waren frappant: ook in de een-op-een interacties bevoordeelden de deelnemers in significante mate diegenen die hun uitkomst deelden. Het meest opmerkelijke was dat ze bijna net zo sterk discrimineerden in de derde variant, waar het verschil puur willekeurig was, zonder een enkel element van beoordeling of smaak.

Als het, in tegenstelling met wat altijd werd verondersteld, niet de sociale identiteit is die ten grondslag ligt aan dit soort discriminatie, wat zou er dan wel achter kunnen schuilen? De auteurs speculeren dat er een biologisch neuraal proces aan het werk is in plaats van een hoger cognitief proces.

Dat activeert een conflictsignaal geassocieerd met negatieve emoties bij detectie van een verschil, waardoor sociale interacties in de aanwezigheid van dit neurale conflict als minder aangenaam ervaren worden.

Net als de meeste cognitieve en gedragsmatige neigingen ontstond ook deze predispositie om de voorkeur te geven aan gelijkenissen in de loop van duizenden generaties omdat ze adaptief bleek te zijn. Een neuraal conflict uitgelokt door het verschil zelf, ongeacht de aard ervan, zal onze voorouders hebben geholpen om snel potentiële bondgenoten en bedreigingen te herkennen, en kan ons vandaag de dag nog steeds van dienst zijn.

Maar deze neiging kan worden gemanipuleerd, niet alleen door keukenverkopers die ons proberen te strikken, maar door iedereen (inclusief wijzelf) die een kunstmatige band wil creëren, of discriminatie wil rechtvaardigen. Wanneer iemand gelijkenissen in de verf tracht te zetten, vraag je dan af wat de motieven daarvoor zouden kunnen zijn; wanneer je merkt dat je anderen bevoordeelt of discrimineert, stel dan je eigen redenering daartoe in vraag.

Want als een muntje opgooien volstaat om zulke vooroordelen te activeren, hoe geldig zijn de gelijkenissen dan die worden gebruikt om ons te verenigen, en de verschillen die we gebruiken om verdeeldheid te zaaien?