Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Onze twee economische blinde vlekken

door Koen Smets
container ship 2
De fundamenten van de moderne economie werden amper tien generaties geleden gelegd. (Vincent van den Storme/Flickr CC BY NC SA 2.0)

Als jij mij iets van waarde geeft, ben jij armer en ik rijker – dat is zo klaar als een klontje. Als ik jou dan iets teruggeef, zijn er drie mogelijkheden: het is meer waard dan wat je mij gaf, minder waard, of precies hetzelfde. In de eerste twee gevallen is een van ons beter af en de ander slechter, en in het derde eindigen we gelijk – het is dus duidelijk een nulsomtransactie.

Als ik daarentegen naar het bos ga en wat bessen pluk, win ik erbij zonder dat iemand verlies lijdt – duidelijk geen nulsomtransactie. Dit is hoe mensen al tienduizenden jaren hun omgeving en hun onderlinge interacties ervaren, en hoe onze intuïties zijn gegroeid. Maar hoewel ze de werkelijkheid perfect lijken weer te geven, stelt de moderne economie dat deze eeuwenoude intuïties onjuist zijn. Is dat niet vreemd?

Tegengestelde intuïties

Er is iets heel onintuïtiefs aan het idee dat een uitwisseling – zeker van materiële goederen – iets anders kan zijn dan een nulsom. Dit is geworteld in de aanname dat de waarde van iets objectief en vast is. Onze voorvaderen en -moeders die aan ruilhandel deden, zouden zo bijvoorbeeld zijn overeengekomen dat, ongeacht wat dan ook, één mand gedroogde vis drie potten van klei waard was, en dat was dat. Elke afwijking hiervan zou betekenen dat een van de partijen zou winnen ten koste van de andere.

clay pots
Is hun waarde werkelijk gelijk voor iedereen? (Steven Miller/Flickr CC BY 2.0)

Op dezelfde manier is het ook slechts met tegenzin dat we iemand anders betalen om te doen wat we zelf ook adequaat kunnen doen – geld uitgeven voelt op zich al als een verlies, en om het onnodig te spenderen moet je wel getikt zijn. Grasmaaien, de auto wassen en zelfs het huis opknappen of herstellingen doen – talloze doe-het-zelvers getuigen van de wijsheid om het, wel, zelf te doen.

Twee economische concepten tonen echter waarom deze intuïties, hoe overtuigend ook, niet kloppen. Het ene is het economisch surplus – een van de meest invloedrijke economische ontdekkingen, die de mens in staat stelde zich te ontplooien zoals geen ander schepsel op aarde ooit heeft gekund.

Het begrip berust op het feit dat de subjectieve waarde van goederen (of diensten) niet dezelfde is voor de partij die ze te koop aanbiedt en de partij die ze wil kopen. De enige voorwaarde waaraan moet worden voldaan voor een vrijwillige transactie die gunstig is voor beide partijen is deze: wat de aanbiedende partij bereid is te accepteren om te verkopen is niet meer dan wat de kopende partij bereid is ervoor te bieden.

Het verschil tussen de laagste prijs die bijvoorbeeld een marktkramer bereid is te accepteren voor een pot zelfgemaakte jam en het maximum dat een klant bereid is ervoor te betalen is het economisch surplus. Die wordt gedeeld door beide partijen, en de grootte ervan geeft de mate aan waarin de uitwisseling beide partijen samen beter af maakt. Het resultaat: handel is een transactie met een positieve som.

Het tweede concept is het comparatieve voordeel. Stel je twee tuinders voor met aangrenzende volkstuintjes, Alex en Sam. Een uur inspanning per week is genoeg voor Alex, die meer ervaren is, om tien kilo tomaten of zes kroppen sla te verbouwen, terwijl de opbrengst voor Sam vier kilo tomaten of vijf kroppen sla is.

Hun behoeften zijn hetzelfde: twintig kilo tomaten en twintig kroppen sla. Als ze beiden zelfstandig werken, heeft Alex dus in totaal vijf uur en twintig minuten nodig (twee uur voor de tomaten, drie uur en twintig minuten voor de sla), terwijl Sam negen uur nodig heeft (vijf uur voor de tomaten, vier voor de sla).

Ondanks Alex' absolute productiviteitsvoordeel in beide gewassen, verschilt hun comparatieve voordeel: Alex is relatief beter in tomaten, Sam in sla. Wanneer ze zich specialiseren – Alex levert veertig kilo tomaten voor vier uur arbeid per week, Sam produceert veertig kroppen sla in acht uur – en de helft van hun producten ruilen, voldoen ze in hun noden, maar bespaart Alex een uur en twintig minuten per week en Sam een uur.

Deze regeling is gunstig voor allebei dankzij dat comparatieve voordeel, waardoor ze samen van extra vrije tijd kunnen genieten, kletsend op het bankje in de volkstuin. De onderliggende reden voor dit opmerkelijke voordeel zijn de opportuniteitskosten, de kosten om iets anders niet te doen.

Het is logisch dat we enkel doen wat ons meer oplevert dan het kost. Daarbij moeten we echter niet alleen rekening houden met de directe kosten, maar ook met het voordeel dat we mislopen door niet voor het alternatief te kiezen. Dit is de reden waarom we mensen inhuren om dingen voor ons te doen, zelfs als we het zelf beter of goedkoper kunnen – we waarderen de tijd die we vrijmaken door de taak te delegeren meer dan wat het ons kost om iemand anders in te huren.

allotments
Talloze kansen om profijt te halen uit een comparatief voordeel. (Howard Stanbury/Flickr CC BY NC SA 2.0)

Samen vormen het economische surplus en het comparatieve voordeel de basis waarop economische winsten en welvaart ontstaan. Ze verklaren hoe handel voordeel oplevert voor alle betrokkenen, eerder dan voor enkel de ene, met een evenredig verlies voor de andere. 

De tweede misleidende intuïtie werkt in bijna tegenovergestelde richting: de overtuiging dat overdrachten netto voordelig kunnen zijn. Kijk bijvoorbeeld naar huurcontroles. Zou het niet mooi zijn als de overheid de huurprijzen die verhuurders kunnen vragen zou beperken? Het zou woningen betaalbaarder maken doordat in feite geld wordt overgeheveld van rijkere eigenaars naar armere huurders.

Dit maakt het verhuren van onroerend goed echter minder aantrekkelijk, en verhuurders zullen proberen hun kosten te drukken door bijvoorbeeld het onderhoud terug te schroeven, of het pand verkopen, waardoor het van de huurmarkt verdwijnt.

Natuurlijk zullen de huren dalen, maar economisch denken toont een meer volledige realiteit via het concept van externaliteiten – de neveneffecten van economische beslissingen op niet-betrokken derden, hier in de vorm van woningen van lagere kwaliteit en woningnood voor huurders. Die worden vaak over het hoofd gezien.

Twee denkfouten met één oorzaak

Beide denkfouten hebben een gemeenschappelijke oorsprong: blindheid voor het grotere geheel en dus vertrouwen op simplistische, onnauwkeurige intuïties. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille – de ene miskent de inherente voordelen van vrije handel, de andere onderschat de totale kosten van interventies. 

Dit is een aandoening die zelfs de machtigste persoon ter wereld kan treffen. Tot voor kort konden we ons alleen maar inbeelden dat zo iemand, niet gehinderd door enige capaciteit tot economisch denken, ervan overtuigd dat handel een nulsomzaak is waarbij een handlestekort gelijk staat aan verlies, ooit extreme beleidsmaatregelen zou doorvoeren om zogenaamd dit oneerlijke onevenwicht recht te trekken.

We konden alleen maar veronderstellen dat niemand in die positie ooit echt zou geloven dat invoertarieven alleen maar voordelen zouden hebben, alle productieactiviteiten die over decennia naar het buitenland waren verplaatst, weer naar het binnenland brengen, en enorme inkomsten voor de schatkist genereren, betaald door buitenlandse exporteurs.

We hoeven het ons niet langer in te beelden of aan te nemen. We kunnen nu de totaal voorspelbare resultaten zien van maatregelen geïnspireerd door de misvatting dat het beter is zelfbedruipend te zijn dan profijt te halen uit comparatief voordeel: een waterval van externaliteiten waarvan de invoerrechten slechts het begin zijn.

Het risico op een recessie is flink toegenomen, het internationale vertrouwen in het machtigste land ter wereld is snel aan het afbrokkelen, de rente op staatsschuld is omhoog geschoten, de volatiliteit doet bedrijven investeringsbeslissingen uitstellen, en dit alles leidt stroomafwaarts tot hogere inputkosten voor inheemse fabrikanten en stijgende prijzen voor consumenten, nu de invoerbelasting van kracht is geworden.

We zijn allemaal economische wezens – van de gewone sterveling met een hypotheek, een pensioenplan en rekeningen te betalen, tot de machtigste persoon ter wereld. Economisch denken is voor niemand geen luxe. Het is essentieel om ons te helpen deze twee hardnekkige denkfouten en hun gevolgen te vermijden.

LEES OOK
Koen Smets 22-11-2019

De waarde van het (niet) weten

We betalen voor goederen en diensten, maar zijn we ook bereid te betalen om iets te weten – of zelfs om iets niet te weten?
Unwanted information
Jan Walraven 18-08-2018

De keuze van Apache #13

Onze redactie kiest elke zaterdag de artikels van de voorbije week die je moet gelezen hebben uit binnen- en buitenlandse media. Met deze week onder andere grenzen aan…
michael-held-133902-unsplash