Zo stelden collega-professoren zich vragen bij de bedenkelijk kwaliteit van het academische onderwijs, terwijl anderen dit ten stelligste tegenspraken. Sommige collega’s waarschuwden dan weer voor linkse woke-agressie, terwijl anderen net het tegenovergestelde ervoeren: een sterke rechtse taboesfeer. Tot slot vonden sommige studenten dat ze zeker geen doetjes waren. Hedendaagse studenten willen en eisen een strenge aanpak door universiteiten.
Bij deze recente berichtgeving vroeg ik me af welk onderliggend fenomeen aan de basis zou kunnen liggen van deze aanhoudende discussies.
Diverse academici onder wie voornamelijk pedagogen, filosofen en historici zoals Stefan Collini, John Aubrey, Douglass, Irwin Feller en Bill Readings hebben zich hierover al meermaals gebogen. Gegeven mijn specialisatie in strategisch management van publieke organisaties ben ikzelf vooral geïnteresseerd in onderliggende economische fenomenen.
Hegemonie van neoliberaal model
We kunnen geenszins ontkennen dat het economische neoliberale model onze voornamelijk westerse samenleving al decennialang beïnvloedt (Joseph Stiglitz, Thomas Piketty en Mariana Mazzucato). Dit model heeft vooral sinds de jaren 80 ook het management van publieke organisaties en universiteiten bepaald (Tom Christensen, Christophe Politt). En dit ondanks het feit dat het economische neoliberalisme bij momenten zeer moeilijk verzoenbaar is met de democratische principes van diezelfde publieke instellingen.
Neoliberale economen investeren in producten en diensten die een zo hoog mogelijk monetair rendement of winst garanderen. Gevolg: elke investering wordt beoordeeld op hoofdzakelijk – enkel ? - de financiële meerwaarde. Daartoe minimaliseren ze kosten en maximaliseren ze inkomsten. En zo concentreren ze zich ook op producten en diensten waarvan de kosten (zeer) laag zijn of gemakkelijk gedrukt kunnen worden. Of ze concentreren zich op klanten die de doorgerekende kosten willen en kunnen betalen.
Of ze concentreren zich op een felle concurrentiestrijd waarbij het overgebleven stuk van de koek voor zichzelf steeds groter wordt. Producten en diensten waar de vraag eerder beperkt is of hoge kosten met zich meebrengt die niet (geheel) kunnen worden doorgerekend aan de klant zijn volgens hun logica onaantrekkelijk. Gevolg: niet àlle vragen naar producten en diensten leiden via de vrije markt naar een aanbod. Hierdoor ontstaan gaten in het aanbod van de – perfecte? - vrije markt.
Willen we als democratische samenleving géén gaten in het aanbod, dan moeten we kiezen voor een ander economisch model of moeten we de overheid de vrije markt laten corrigeren. Een zo’n correctie is het oprichten van publieke organisaties die de gelijkwaardigheid van burgers garanderen, onafgezien hun socio-economische draagkracht of noden als minderheden. Hieronder valt eveneens het (publieke) universitaire onderwijs. Deze correcties zien neoliberalen vaak met lede ogen aan. Hun redenering? Dit is survival of the fittest.
Het ideaalbeeld van universiteiten
Als we willen achterhalen hoe het economische neoliberale model het ideaalbeeld van universiteiten in onze samenleving beïnvloedt, is het belangrijk om te wijzen op evoluties in de tijd én tussen regio’s (Stefan Collini, John Aubrey Douglass). Het ideaalbeeld bestaat dus niet.
In Vlaanderen en België is het universitaire ideaal vooral na de Tweede Wereldoorlog beïnvloed geweest door tal van maatschappelijke veranderingen waaronder de democratiseringsgolf van het onderwijs, de golden sixties en het vrijheidsideaal van de flowerpowerbeweging. Vermeldenswaardig is dat dit alles in schril contrast stond met de hoogdagen van de Koude Oorlog.
De nood aan universitaire kennis en kunde om zowel de economische welvaart, het vrijheidsideaal en de politiek democratische hegemonie van onze westerse samenleving te verzekeren, zorgde voor de nood aan een brede en zo volledig mogelijke ontwikkeling van burgers én een door hen gedragen maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het zogenaamde bildungsideaal werd door diverse westerse universiteiten dan ook opnieuw voorzien van zuurstof.
Het bildungsideaal gaat terug op de ideeën van de Verlichting. Volgens de aanhangers moeten universiteiten een verbinding maken tussen de exacte wetenschappen, de menswetenschappen, cultuur en kunsten. Dit is noodzakelijk voor de groei van een maatschappijgerichte en kritische wereldburger. Waarden zoals persoonlijke ontwikkeling, onafhankelijkheid, tolerantie, een breed wereldperspectief maar ook excellentie staan daarbij centraal.
Niettegenstaande het wegdeemsteren van dit ideaal op het einde van de twintigste eeuw is het geloof groot dat het nog steeds van toepassing is, zeker bij buitenstaanders. Jammer, want ondertussen verschenen er zwarte wolken aan de horizon en trad een heel ander ideaal op de voorgrond.
Vanaf de jaren 80 ging het economische neoliberalisme wereldwijd gepaard met (zeer) ernstige problemen zoals steeds terugkerende crisissen, torenhoge inflaties en een algehele verstoorde economie.
In plaats van zich vragen te stellen bij het model zelf werd de toepassing nog harder en feller. Het model moest en zou zegevieren. Ook organisaties uit de social profit en publieke instellingen waaronder universiteiten moesten deze politieke wervelwind trotseren. Helaas erodeerde deze wind langzaam maar zeker hun unieke grondvesten. In plaats daarvan kwam er een heel ander ideaal, namelijk dat van het neoliberaal geïnspireerde performancemodel.
Arbeidsmarkt als fetisj
Door de brede aandacht voor de integrale samenleving te vernauwen tot de arbeidsmarkt worden curricula en vakinhouden gewijzigd in functie van hoofdzakelijk de hedendaagse noden en wensen van de aanbieders van jobs. Hierdoor ontstaat vaak een uitgesproken aandacht voor direct aanwendbare praktische kennis, ten koste van het aandeel van meer reflecterende, abstracte en verdiepende vakken. En zo moeten inzicht verschaffende vakken vaak wijken voor veel praktische toepassingen.
Gegeven de logica van communicerende vaten in uurroosters betekent dit doorgaans een evolutie weg van typisch academische vaardigheden zoals een kritische ingesteldheid, een grondige expertise en een inzichtelijk vermogen. Tegelijkertijd betekent dit een evolutie weg van andersoortige langetermijnontwikkelingen in onze samenleving. Voedsel genoeg voor felle discussies en daverende grondvesten.
Met minder geld meer klantgerichtheid
De publieke financiering van universiteiten wordt steeds kleiner. Hierdoor moeten universiteiten op zoek gaan naar extra financieringen. Hoe? Door zware rationaliseringen aan de kostenzijde en door een sterk opgevoerde concurrentieslag aan de inkomstenzijde. Voor het universitair onderwijs betekent dit laatste bijvoorbeeld: zorg voor zoveel mogelijk in- en uitstroom van studenten. Schrik studenten en hun ouders niet te veel af op de collectieve informatiedagen. Hou het gezellig en hoopvol: ja, slagen is natuurlijk heel goed mogelijk.
Hou expliciet rekening met hun wensen. Lessen moeten daarom vooral fun zijn. Lees: met zoveel mogelijk grapjes, leuke filmpjes, blitse powerpointpresentaties en zo weinig mogelijk ‘saaie’ theorie. Wees steeds uitermate enthousiast en mild over gerealiseerde taken en afgelegde examens, ook al waren deze (ruim) onvoldoende. Het gaat per slot van rekening over de applausgeneratie die bij een gebrek hieraan vlug gedemotiveerd raakt, klachten indient en overstapt naar concurrentiële instellingen, wat een verlies betekent van gegeerde inkomsten. Dat heet meer klantgericht zijn.
De keerzijde van de medaille? Enerzijds een moeizame en vaak uitgestelde stap naar de volwassenheid met de daarbijhorende zelfstandigheid, verantwoordelijkheidszin, mentale veerkracht en professionele degelijkheid. Anderzijds een zware vingerwijzing van diezelfde studenten en hun ouders indien de pers publiek bekendmaakt dat dit mogelijks leidt tot een daling van de kwaliteit en de marktwaarde van universitaire diploma’s op de arbeidsmarkt. Dat heet gesandwicht worden door inconsistent gedrag.
Meer en excellente prestaties
Ook in onderzoek moeten universiteiten steeds meer hun werking en personeel zelf financieren. Dit gebeurt bijvoorbeeld via - helaas krimpende - publieke projectfinanciering waar de onderlinge concurrentie niet alleen zeer groot is maar ook niet steeds alle ‘kwaliteit’ beloont. Zeer goede onderzoeksvoorstellen halen bijvoorbeeld de eindmeet niet omdat er gewoon te veel kandidaten zijn voor té weinig geld.
Verder verloopt de extra financiering via zogenaamde vierde geldstromen. Dit zijn gelden die derden verstrekken, waaronder organisaties en privébedrijven. De vraag stelt zich hier: hoe vrij en onafhankelijk is of kan dit onderzoek zijn? Bovendien wordt de financiering van onderzoek zo sterk onderhevig gemaakt aan de economische conjunctuur.
De extra financiering verloopt ook via het aantal opgeleverde doctoraten en het aantal geaccepteerde publicaties, vooral in zogenaamde hoog gerangschikte of prestigieuze internationale tijdschriften. Maar het eerste vraagt veel intensieve begeleiding en het tweede veel tijd, inspanningen en een portie geluk. Deze laatste financieringsstromen renderen pas op lange tot zeer lange termijn.
De keerzijde van de medaille? De druk is soms zo groot dat academici mentaal opbranden, met een sterk stijgend aantal burn-outs, en/of bedenkelijke paden bewandelen. Zo wordt de kwaliteit van doctoraten soms ondergeschikt gemaakt aan de kwantiteit. Of worden er veel collega’s vermeld op een voorstel van artikel om nadien van hen pasmunt te krijgen bij hun publicaties, los van een wezenlijke, reële bijdrage. Af en toe wordt ook melding gemaakt van plagiaat, fraude of van valse, zelf aangemaakte data. Opnieuw voedsel voor felle discussies en daverende grondvesten.