De zomer komt eraan en de vlinders keren terug naar tuinen, parken en bossen, waar ze ons verrukken met hun vaak spectaculair versierde vleugels. Heel wat soorten vertonen patronen die lijken op grote ogen, iets wat vaak wordt aangehaald als schoolvoorbeeld van mimicry, een door de evolutie gevormde gelijkenis tussen twee organismen.
Zulke patronen brengen vogels beslist op andere gedachten, mochten ze een vlinder die op zich op een blad in de zon zit te koesteren als hun volgende maaltijd zien. Recent onderzoek trekt deze wijdverspreide aanname echter in twijfel. Is dat niet vreemd?
Niet zo vanzelfsprekende wetenschap
Twee recente meta-analyses (door Ayumi Mizumo en collega's, en door Sofia Schirmer en Arleu Viana-Junior) – statistische analyses van meerdere onafhankelijke studies – hebben geconcludeerd dat er geen duidelijk verschil is tussen oogvormige vlekken en andere opvallende patronen in de mate waarin ze vogels afschrikken. Het enige verschil in succesvol ontsnappen aan hongerige vogels zat hem in de grootte en het aantal patronen (groter en minder was beter).
Oogvormige concentrische motieven hadden zelfs een kleiner afschrikkend effect wanneer ze als paar voorkwamen dan als enkel patroon. Dit illustreert wat we de “valkuil van intuïtieve vanzelfsprekendheid” zouden kunnen noemen: soms sluit een observatie zo goed aan bij een bepaald mentaal model dat deze geen verificatie meer vereist. Het is gewoon zo, dat weet toch iedereen?
Dit soort invraagstelling, waarbij wetenschappers ‘vanzelfsprekende' wetenschap in twijfel trekken, is niet ongebruikelijk. Intuïties over onze omgeving – geloofwaardig en sterk, maar uiteindelijk onjuist – boden ook in het verleden weerstand tegen falsificatie.
Ondanks stevige bewijzen had de wat rebelse zeventiende eeuwse uomo universale Galileo Galilei bijvoorbeeld heel wat moeite om de wetenschappelijke elite van zijn tijd ervan te overtuigen dat de aarde om de zon draaide en dat (bij afwezigheid van luchtweerstand) zware voorwerpen niet sneller vallen dan lichte (en om tegelijk ook de Romeinse inquisitie uit de handen te blijven).
Veel recenter stelden Barry Marshall en Robin Warren decennia van medische doctrine ter discussie, die stelde dat maagzweren voornamelijk werden veroorzaakt door stress, pikant eten en te veel zuur, toen ze aantoonden dat het een bacterie was, Helicobacter pylori, die een belangrijke rol speelt bij het ontstaan van maagzweren. Marshall herinnert zich: “Voor gastro-enterologen stond het idee dat een bacterie maagzweren veroorzaakt gelijk met beweren dat de aarde vlak is.”
Een paper met hun eerste bevindingen werd in 1983 afgewezen door de Gastroenterological Society of Australia (als een van de 10% slechtste die ze dat jaar ontvingen). Wanhopige tijden vragen om wanhopige maatregelen, moet Marshall hebben gedacht, en hij dronk een brouwsel met een cultuur van H. pylori.
Binnen een week ontwikkelde hij ernstige gastritis (de voorloper van maagzweren) – en toch duurde het nog zo'n tien jaar voor de medische wereld bijdraaide. Nog eens tien jaar later, in 2005, ontvingen Marshall en Warren de Nobelprijs geneeskunde.
Deze voorbeelden uit de biologie, natuurkunde en geneeskunde geven aan dat men zelfs in rigoureuze wetenschappelijke kringen in de valkuil van intuïtieve vanzelfsprekendheid kan trappen. Als getrainde onderzoekers, met hun peerreview en institutionele controles, decennialang vasthouden aan 'vanzelfsprekende' verklaringen, moeten wij gewone mensen zeker op onze hoede zijn.
Patronen van vanzelfsprekendheid
Intuïtieve plausibiliteit kan voortvloeien uit uiteenlopende omstandigheden en invloeden. Om de talloze aspecten van de complexe wereld waarin we leven te begrijpen, vertrouwen we op mentale modellen. Die kunnen we bijwerken wanneer we tegenstrijdige observaties maken, maar we hebben ook de neiging om ze te verstevigen, eerder dan ze te weerleggen (de beruchte confirmation bias).
Zolang we voldoende bewijsmateriaal vinden dat de overeenkomst tussen onze observaties en onze modellen staaft, zien we dat als een bekrachtiging van onze visie. Mentale modellen moeten dus evolutionaire aanpassingen zijn met als hoofddoel ons te helpen overleven, floreren en ons voort te planten (wat anders?), en daarom brengen ze de wereld in hoofdzaak in kaart vanuit ons persoonlijk perspectief.
Als gevolg daarvan hebben we een sterke neiging om ze te generaliseren vanuit een persoonlijk, of breder antropomorf perspectief – wij zouden bang zijn voor dreigende ogen, dus vogels zullen dat vanzelfsprekend ook zijn. (Zo zie je hoe gemakkelijk het is om te concluderen dat dit vanzelfsprekend is.)
Causale mentale modellen – de oogvormige vlekken op de vleugels van vlinders zorgen ervoor dat roofvogels uit de buurt blijven net omdat ze op ogen lijken, of massa veroorzaakt het vallen van objecten, dus een grotere massa zorgt ervoor dat ze sneller vallen – geven onze vanzelfsprekende overtuigingen de schijn van wetenschappelijke nauwkeurigheid. Maar wat we doen is de post hoc, ergo propter hoc-denkfout begaan, waarbij we concluderen dat, als een gebeurtenis wordt gevolgd door een andere, de laatste wordt veroorzaakt door de eerste.
Dit kan nog worden versterkt door wat Daniel Kahneman het What you see is all there is (WYSIATI)-effect noemde, een zeer krachtige “machine voor het trekken van voorbarige conclusies”. We zien dat vlinders met oogvormige vlekken overleven, concluderen dat de vlekken daarvan de oorzaak zijn, en zien vervolgens vooral voorbeelden die dat ondersteunen terwijl we geen aandacht hebben voor tegenstrijdige voorbeelden. Onze plausibele intuïties verkrijgen zo een dun methodologisch fineerlaagje.
Ditzelfde patroon beheerst ook ons dagelijks redeneren. We zien een man met enkele kinderen bij de kassa van de supermarkt, van wie er eentje flink wat herrie maakt. Het is duidelijk dat zijn opvoeding te wensen laat, denken we (terwijl we over het hoofd zien dat de andere twee kinderen zich perfect gedragen en zelfs helpen om hun weerbarstige broertje te kalmeren).
We zien een collega regelmatig te laat op het werk verschijnen en, stipt, georganiseerd en zorgvuldig als we zelf zijn, concluderen we dat dit gebrek aan punctualiteit een duidelijk teken is van ordeloosheid en onachtzaamheid (en niet bijvoorbeeld het gevolg is van de zorg voor een gehandicapte ouder, of van een medische aandoening die frequente ochtendlijke zorgafspraken vereist).
We zien een kennis een lucratieve baan opzeggen om bij een liefdadigheidsinstelling te gaan werken en gaan ervan uit dat hij duidelijk nobeler is dan we dachten, of financieel roekeloos, omdat dat is wat zo’n beslissing voor ons zou betekenen. Maar hoe zij succes ziet, of welk risico zij acceptabel vindt, kan heel anders zijn.
Als we eenmaal weten waar we op moeten letten, zijn de patronen in ons redeneren, wel, vanzelfsprekend. We observeren gedrag en passen onbewust ons eigen motivatiekader toe of projecteren onze eigen situatie. Dat levert een aannemelijk, zelfverzekerd verhaal op dat ons blind maakt voor alternatieve verklaringen, waardoor onze oorspronkelijke overtuiging net weer iets meer verankerd raakt – vanzelfsprekend, maar onnauwkeurig.
Mogen we dan nooit op onze intuïtie vertrouwen? Toch wel: die is vaak grotendeels correct, en slechts zelden helemaal verkeerd – zelfs in al deze voorbeelden bevat ze een kern van waarheid. Maar wanneer we onszelf betrappen op gedachten als “dit is uiteraard omdat...” of “iedereen weet toch dat...” en we geloven dat iets zo vanzelfsprekend is dat het geen onderbouwing behoeft, is het misschien wel de moeite waard om wat breder te kijken of wat dieper te graven en te verifiëren hoe vanzelfsprekend het werkelijk is.