Terwijl u dit leest, vecht Zuid-Europa tegen het vuur. Spanje riep eind juli voor pas de tweede keer in zijn geschiedenis de nationale noodtoestand uit, nu wegens de bosbranden rond Madrid en Ávila.
In Frankrijk moesten meer dan 250.000 mensen de streek rond Arcachon, ten westen van Bordeaux, verlaten voor wat de Franse overheid de grootste natuurbrand sinds 1949 noemt. Dit jaar ging er al meer Frans grondgebied in de as dan in heel het recordjaar 2022, en juli werd de ergste julimaand sinds het begin van de metingen.
En wie blust dat vuur? Franse brandweerlieden, versterkt met Kroatische blusvliegtuigen, Portugese Air Tractors en Tsjechische en Slowaakse helikopters. Het meest zichtbare antwoord op de klimaatcrisis van dit moment is een Europese openbare dienst in actie.
Maar de doden vielen niet alleen daar. Ze vielen ook hier, in stilte, zonder vlammen en zonder camerabeelden. Tussen 18 en 29 juni registreerde Sciensano in ons land 1.222 overlijdens bovenop wat normaal is voor die periode: een oversterfte van 39 procent in twaalf dagen. Ruim vijfhonderd van hen waren ouder dan 85, maar honderdtachtig waren jonger dan 65. Die hittegolf duurde twaalf dagen, iets wat sinds 1975 slechts zeven keer gebeurde.
Wetenschappers van World Weather Attribution noemden het de zwaarste en meest uitgestrekte hittegolf die West-Europa ooit trof. Er kwam geen noodtoestand. Er kwam zelfs nauwelijks een debat.
Waar de hitte toeslaat
Hitte doodt hier niet hoofdzakelijk in het landschap. Hitte doodt binnen, in gebouwen die ’s nachts niet meer afkoelen. De gebouwen die we als samenleving net hebben neergezet om de kwetsbaarste mensen te beschermen, voldoen niet langer aan de hedendaagse nood om zulke extreme temperaturen buiten te houden.
Woonzorgcentra, dagverzorgingscentra, kinderdagverblijven, scholen. Het zijn gebouwen die zijn ontworpen voor een klimaat dat niet meer bestaat.
De norm voor woonzorgcentra bijvoorbeeld is bescheiden: bij de waarschuwingsfase van het Vlaamse warmteactieplan moet er een geklimatiseerde ruimte zijn die minstens vijf graden koeler is dan buiten. Eén gemeenschappelijke ruimte dus, niet de kamers waar mensen slapen.
Bij een inspectieronde in 2022 beschikte twaalf procent van de gecontroleerde woonzorgcentra zelfs daar niet over. Airco op individuele kamers wordt door het overheidsadvies afgeraden wegens infectierisico. Ondertussen sloten crèches en scholen in juni hun deuren uit veiligheidsoverwegingen, omdat er simpelweg geen andere oplossing was.
En daar botst de klimaatcrisis frontaal op de personeelscrisis. Tijdens de voorbije hittegolven zochten woonzorgcentra openlijk naar vrijwilligers en jobstudenten om het vaste personeel bij te staan: iemand die water rondbrengt, die bewoners naar de gekoelde ruimte begeleidt, die voetbadjes aanbiedt.
Dat is het gevolg van een systeem zonder enige reserve. Wie de zorg namelijk zo krap bemant dat een voorspelbare weersomstandigheid de organisatie doet kraken, heeft geen hitteprobleem maar een beleidsprobleem.
Het personeel staat zelf in die hitte
Wat in dit alles systematisch vergeten wordt: het personeel dat anderen door de hitte loodst, werkt zelf in diezelfde omstandigheden. Zorgkundigen die tillen en wassen in kamers van dertig graden. Arbeiders van de technische dienst en de groendienst in de volle zon. Chauffeurs, spoormensen, postbodes, wegenwerkers, brandweerlieden in interventiekledij. Zwaar fysiek werk in hitte is niet louter ongemakkelijk, het is ronduit een gezondheidsrisico.
De regels bestaan nochtans. Boek V, titel 1 van de Codex over het welzijn op het werk legt actiewaarden vast, gemeten met de WBGT-index, die rekening houdt met vochtigheid en straling, niet met wat uw weerapp toont.
Wordt die waarde overschreden, dan moet de werkgever meteen handelen: bescherming tegen rechtstreekse zonnestraling en gratis verfrissende dranken. Houdt de overschrijding aan, dan moeten er binnen achtenveertig uur ventilatie-installaties in de werklokalen staan, en duurt de hinder daarna voort, dan zijn rusttijden verplicht.
Elke werkgever moet bovendien vooraf over een hitteplan beschikken en het personeel daarover informeren. Die welzijnswetgeving is federaal en geldt onverkort voor de lokale en regionale besturen, ook al zijn de erkennings- en personeelsnormen van woonzorgcentra en kinderopvang dan weer Vlaams.
Maar een regel op papier is niets zonder iemand die ze afdwingt. Onze afgevaardigden doen hiervoor hun uiterste best in de basisoverlegcomités: de risicoanalyse thermische omgevingsfactoren opvragen, voor de zomer het hitteplan op de agenda zetten, en laten vastleggen wat er gebeurt wanneer de actiewaarde wordt overschreden. We kunnen daarop niet wachten tot het 35 graden is, want dan is het te laat.
Beleid kijkt de andere kant op
En het beleid? Dat blijft opvallend stil over wat adaptatie werkelijk kost. Aanpassing aan hitte betekent isoleren, ventileren, ontharden, vergroenen, koele ruimtes voorzien en vooral: voldoende volk om mensen op te volgen wanneer het heet is. Dat is exact wat overal wordt wegbespaard.
Het Lokaal Energie- en Klimaatpact, jarenlang het enige structurele instrument waarmee Vlaanderen lokale besturen financierde voor precies dit werk, wordt uitgefaseerd, het wettelijke kader verdwijnt op 1 januari 2027. Wat ervoor in de plaats komt, is een dialoogplatform. Van dialoog koelt geen enkele leefruimte af.
Ondertussen kibbelen de bevoegdheidsniveaus verder. Toen de federale klimaatminister vorige maand een adaptatieplan op tafel legde, reageerde Vlaanderen afwijzend. En het antwoord dat wel wordt aangeboden, is veelzeggend individueel: premies voor warmtepompen die ook koelen, airco uit het verdomhoekje.
Voor wie een eigen woning en een spaarpot heeft, is dat misschien een antwoord. Voor de zorgvrager in een woonzorgcentrum, het kind in de crèche of de arbeider op de werf is het er geen.
Hoe dat er voor die bewoner uitziet, toonde de commerciële woonzorgsector deze week. De private uitbaters vragen een hogere dagprijs om hun investeringen tegen de hitte te betalen: “airco is geen luxe meer”, klinkt het. Over die vaststelling zijn we het alvast roerend eens: verkoeling is preventieve gezondheidszorg.
Maar wie het zo benoemt, moet ook de conclusie aanvaarden: zorg reken je niet door aan de bewoner. De dagprijs dekt het wonen en het leven, wat zorg is hoort in de zorgfinanciering thuis. Dus niet op de factuur van een tachtigjarige, al zeker niet in een sector die nu al de hoogste dagprijzen van Vlaanderen aanrekent. En vooraleer diezelfde private sector aanklopt bij de overheid waarover hij anders zo graag klaagt, mag die eerst eens in de eigen boeken kijken.
Wie jaar na jaar ruimte vindt voor managementvergoedingen en dividenden, vindt ook ruimte voor koeling. En voor de instellingen die aan het bouwen of verbouwen zijn, bestaat het publieke kanaal al: Vlaanderen betaalt daarvoor een infrastructuurforfait van 6,43 euro per dag en per woongelegenheid. Kanalen genoeg, kortom. De dagprijs is er geen van.
Klimaatbeleid is geen apart thema naast de openbare sector. Het wordt namelijk elke dag door deze publieke diensten uitgevoerd: de brandweer die blust, de zorg die mensen probeert af te koelen en opvolgt, de crèche en kinderopvang die kinderen veilig door de zomer loodsen, het lokale bestuur dat straten en pleinen leefbaar houdt. Klimaatbeleid is met andere woorden een wezenlijk onderdeel van elke openbare dienst. Elke euro die hier wordt weggehaald, is dus een euro minder tegen de strijd van wat onvermijdelijk terugkomt: volgende zomer, en de zomer daarna.
De vraag is dus niet óf we ons aan de hitte zullen aanpassen. De vraag is of we dat collectief doen, via diensten die er voor iedereen zijn, dan wel individueel, waarbij wie het kan betalen zich kan afkoelen en de rest maar blijft zweten. Dat is geen klimaatvraag. Dat is een klassenstrijd pur sang.