Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Vlaamse adoptiedienst verzon fabel van Nepalese tapijtkinderen

door Hari Prasad Sacré
Twee vrouwen en twee jongen kinderen zitten gehurkt op een berg in Nepal.
Een groep mensen kijkt uit over de landschappen van de Annapurna, een bergmassief in het midden van Nepal. (Foto: Wietse Jongsma (Unsplash, gepubliceerd in 2024))

Interadoptie bracht in de jaren 90 zeven kinderen uit Nepal naar Vlaanderen, officieel om hen te behoeden voor kinderarbeid in de tapijtfabrieken. Ik ben een van hen en ik ken het verhaal van vijf anderen. Elk van ons had nog familie, waaronder minstens één ouder en broers en zussen. Bovendien bevat mijn eigen dossier onjuiste en vervalste informatie en heeft mijn eerste moeder nooit toestemming gegeven voor adoptie.

Via het Vlaams Centrum voor Adoptie kreeg ik inzage in mijn adoptiedossier en in de briefwisseling tussen Interadoptie, Kind en Gezin en de bemiddelaar S.S. in Nepal, tussen 1992 en 2000. Die documenten tonen hoe de fabel van de tapijtkinderen de wanpraktijken verhulde.

“Rijp voor kinderhandel”

Dat er in Nepal risico’s waren, wist de adoptiedienst al vroeg. In een verslag aan Kind en Gezin uit 1994 schrijft Interadoptie: “Dit land is duidelijk ‘rijp’ voor kinderhandel en private adoptie.”

Elk van de kinderen die Interadoptie naar Vlaanderen bracht had nog familie, waaronder minstens één ouder en broers en zussen

De dienst stelt daarom voor om de Belgische ambassade en Bal Mandir, het staatsweeshuis in de hoofdstad Kathmandu, te verwittigen dat adopties niet privaat mogen gebeuren. Zo wil men irreguliere adopties buiten de erkende diensten om tegenhouden. Maar de waakzaamheid richt zich enkel naar buiten. Het eigen kanaal blijft buiten schot.

Want in hetzelfde verslag staat ook dit:

“Onze gevolmachtigde ter plaatse […] overweegt nu en dan een adoptie van een half-weeskind of achtergelaten kind in een hospitaal. De wachtlijsten met Bal Mandir schieten niet op en hun briefwisseling spreekt enkel concreet over donaties voor hun tehuizen.”

Lees die zinnen samen en de redenering wordt zichtbaar. De officiële weg naar wezen zat vast, en andere organisaties boden hogere donaties. Dus zocht de dienst een andere weg. Via de contactpersoon die Bal Mandir voor Interadoptie had aangeduid, mevrouw S.S., kwamen kinderen buiten het weeshuis in beeld. In de zes adopties die ik ken, ging het altijd om half-wezen. Deze kinderen hebben nog een levende ouder, broers, zussen en grootouders.

De fabel van de tapijtkinderen

Hoe verantwoordde de dienst haar keuzes? Een inspectieverslag van 1994 rapporteert de motivatie van de dienst als volgt:

“In Nepal wordt de adoptiedienst echter geconfronteerd met het feit dat de kinderen in de weeshuizen dikwijls een beter leven hebben dan de kinderen die bij hun ouders verblijven. […] ‘Tapijtkinderen’ worden al vanaf 6 jaar tewerkgesteld in tapijtfabrieken […]. Om die reden en in het belang van het kind opteert de adoptiedienst ervoor om geen kinderen uit weeshuizen te adopteren maar wel kinderen die het risico lopen om in zo'n tapijtfabriek te worden tewerkgesteld.”

Kinderarbeid in de Nepalese tapijtindustrie was in de jaren 90 echt. Het kreeg internationaal ook veel aandacht. Dat maakt de fabel zo overtuigend. Een goede fabel heeft altijd een kern van waarheid. Maar de adoptiedienst gebruikte het beeld van de tapijtkinderen en kinderarbeid om kinderen los te wrikken van functionerende families met een slinkse retoriek.

De adoptiedienst gebruikte het beeld van de tapijtindustrie om kinderen los te wrikken van functionerende families met een slinkse retoriek

Nepalese gezinnen worden in dat beeld neergezet als een risico-omgeving. Kinderen in een weeshuis zouden het beter hebben dan kinderen die opgroeien bij hun ouders. De adoptiedienst slaagt er zo in om de logica dat een kind bij zijn familie hoort volledig om te draaien. Het Nepalese gezin wordt verdacht gemaakt en opgevoerd als een omgeving waaruit het kind gered moet worden.

Daarnaast verschuift de focus van weeskinderen naar risicokinderen met familie. De dienst kiest uitdrukkelijk niet voor kinderen uit weeshuizen. Wie bewust geen wezen adopteert, adopteert intentioneel kinderen die nog familie hebben. Zo komen kwetsbare gezinnen die door een moeilijke periode gaan plots in het vizier van transnationale adoptie.

Tot slot sluit het gezegde ‘in het belang van het kind’ elk kritisch gesprek uit. Wie dat argument inroept, maakt tegenspraak moeilijk. Wie kan er tegen zijn dat een kind niet in een fabriek moet gaan werken?

Broers en zussen nooit actief in de tapijtindustrie

Wij, Nepalees geadopteerden, kennen elkaar. Van zes van ons ken ik het verhaal en de families. Telkens gaat het om kinderen die werden weggehaald uit families waar ze nog ouders, grootouders, broers en zussen hadden. Die broers en zussen bleven in Nepal. Geen van hen kwam ooit in een tapijtfabriek terecht. Het risico waarvan wij gered moesten worden, was nooit een reëel gevaar in hun leven.

Het risico waarvan de geadopteerden gered moesten worden, was nooit een reëel gevaar in het leven van hun broers en zussen

Dat de redenering rond de tapijtkinderen niet klopte, zag Interadoptie trouwens zelf in. In een brief aan mijn adoptieouders uit 1994 schrijft de dienst: “Men kan zich wel afvragen wat er met de andere kinderen gebeurt.”

Daarmee erkent de dienst het gat in het eigen verhaal. Als één kind gered moest worden van de tapijtfabriek, gold dat risico evengoed voor zijn broers en zussen. Toch bleven zij in hetzelfde gezin, met dezelfde ouders en dezelfde armoede. Dat Interadoptie hen liet waar ze waren, toont dat de adopties nooit een antwoord waren op het risico van kinderarbeid.

De geadopteerde bleef achter met de vraag waarom net hij of zij weg moest, terwijl de broers en zussen bij hun ouders konden opgroeien. Op die vraag heeft het reddersverhaal geen antwoord.

Internationale basisregel niet gerespecteerd

Dat het ook anders kon, blijkt uit een verslag van een vergadering met de vicevoorzitter van Bal Mandir in oktober 1996. Bal Mandir adopteerde lange tijd enkel wezen. “Sinds kort komen ook verlaten kinderen in aanmerking, maar enkel als ze niet door familieleden kunnen opgevangen worden.”

De vicevoorzitter van Bal Mandir noemde de private adopties via ngo’s “handel”, winstbejag zonder projecthulp of nazorg

Het officiële Nepalese kanaal zocht dus eerst naar familie. Bal Mandir paste daarmee toe wat internationaal als basisregel geldt. Een kind komt namelijk pas in aanmerking voor adoptie in het buitenland als zorg in de eigen familie of gemeenschap onmogelijk is. De Speciale VN-rapporteur voor de verkoop van kinderen rekent in een rapport uit 2016 het negeren van dat principe tot de praktijken die van een adoptie een verkoop van kinderen maken.

De bemiddelaar van Interadoptie, mevrouw S.S., koos telkens voor kinderen die nog familie hadden. In hetzelfde gesprek noemt de vicevoorzitter van Bal Mandir de private adopties via ngo’s “handel”, namelijk winstbejag zonder projecthulp of nazorg. Ook Interadoptie volgde die private weg bij zeker zes van de zeven dossiers. Dat die weg niet zonder risico was, wist de dienst zelf. In het verslag van de vergadering schrijft Interadoptie dat adoptiegezinnen bij private adopties “voor moeilijkheden kunnen komen te staan” bij het Nepalese ministerie van Binnenlandse Zaken, “zoals bij onze twee laatste dossiers”.

Nazorg als ‘controle’

Ook na de adoptie bleef het reddingsverhaal de keuzes van de dienst bepalen. Een inspectieverslag van Kind en Gezin uit 1993 beschrijft hoe Interadoptie omging met nazorg:

“Nepal vraagt nazorgrapporten tot het kind 18 jaar is. Er worden hiervoor geen huisbezoeken gebracht. Inspectie deelde mee dat dit geen nazorg is […]. De adoptiedienst stelde dat als er problemen zijn bij de adoptiegezinnen zij dit wel verneemt, van de groepsverantwoordelijken […]. Bovendien is er ook een financieel probleem. Wie zal deze huisbezoeken betalen? En zullen adoptanten dit als een controle beschouwen.”

Het comfort van de adoptieouders woog zwaarder dan de noden van het kind

Nepal vroeg opvolging tot het kind volwassen was. Interadoptie zag geen nood aan huisbezoeken. Problemen zou de dienst wel horen via de groepsverantwoordelijken, adoptieouders die per land activiteiten organiseerden. Daarnaast speelden de kosten en de vrees dat adoptanten bezoeken als controle zouden ervaren. Het comfort van de adoptieouders woog zo zwaarder dan de noden van het kind. De dienst beloofde nadien de nazorg beter uit te bouwen, maar de huisbezoeken zijn er nooit gekomen.

De nood aan nazorg was er wel degelijk. Deze kinderen waren weggehaald bij familie die bleef bestaan en moesten met dat verlies leren leven. Het reddingsverhaal liet daar geen ruimte voor. Wie als gered wordt voorgesteld, krijgt immers weinig ruimte om verlies te verwerken.

Wat deed de toezichthouder?

Kind en Gezin wist van bij het begin van de risico’s in Nepal. Volgens een inspectieverslag uit 1993 begon de samenwerking met Nepal “op vraag van kandidaat-adoptanten […], die absoluut een Nepalees kindje wilden adopteren”. Toen dat koppel na zes maanden nog geen toewijzing had, wilde het toch vertrekken. “De verantwoordelijke van de adoptiedienst kon hen niet tegenhouden.”

Niet de nood van een kind in Nepal, maar de wens van Vlaamse adoptanten zette de samenwerking met Nepal in gang

Het is een schoolvoorbeeld van wat het Vlaamse expertenpanel rond transnationale adoptie in 2021 vaststelde, namelijk dat het systeem vraaggestuurd was. Niet de nood van een kind in Nepal, maar de wens van Vlaamse adoptanten zette de samenwerking met Nepal in gang.

De toezichthouder ontving ook het verslag waarin Interadoptie Nepal “rijp” noemde voor kinderhandel. De eigen inspectie noteerde dat de dienst in dat land bewust geen wezen adopteerde, maar kinderen met familie. Waarom greep de toezichthouder niet in?

Na zeven adopties stopte Interadoptie de samenwerking met Nepal. Uit de documenten blijkt niet waarom. Wel valt op dat de stopzetting kwam kort nadat de private route problemen opleverde in twee dossiers bij de Nepalese overheid.

Hari Prasad Sacré dankt de binnenlands geadopteerden die gestreden hebben voor het inzagerecht. “Zonder hun moedige strijd had ik deze analyse niet kunnen schrijven. Daarnaast dank ik de medewerkers van het Vlaams Centrum voor Adoptie. Ik ervaarde een grote bereidheid en zorgvuldigheid om de documenten te verzamelen en ter beschikking te stellen.”

LEES OOK
Kasper Nollet 04-11-2026

“Adoptiedienst wrikte Nepalese kinderen los van hun families”

Volgens Hari Prasad Sacré, onderzoeker en een van de geadopteerden, greep Kind en Gezin niet in.
Een drukbezochte winkelstraat in het Nepalese Kathmandu.
Merel Gelders 23-09-2026

Antikoloniaal activist Jacqui Goegebeur: “Ons verhaal mocht niet langer verzwegen worden”

Goegebeur strijdt voor metiskinderen die van hun moeders werden gescheiden.
Een blanke moeder houdt een blank kind vast. Naast haar staat een kleuterschool met donkere huidskleur.
Tom Peeters 07-07-2026

Ex-directrice Vlaams Adoptiehuis smokkelde in jaren 90 zwangere vrouwen over de grens

Geadopteerden lopen vast bij het onderzoek naar hun eigen dossier.
kind