Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

De democratie is dood, wen er niet aan (1)

4 september 2018 Maarten van den Oever
Flickr Sjaak Kempen2
De Nederlandse beleidsgebouwen in Den Haag: ogen ze mooier dan de werkelijkheid? (Foto: Flickr © Christopher A. Dominic)
De Nederlandse beleidsgebouwen in Den Haag: ogen ze mooier dan de werkelijkheid? (Foto: Flickr © Christopher A. Dominic)

"De burger wil meer zeggenschap’’, zei Johan Remkes in zijn functie van voorzitter van de Staatscommissie Parlementair Stelsel. En daarop lanceerde hij een reeks voorstellen die tot modificaties van het politiek-bestuurlijk apparaat moesten leiden. Democratie was kennelijk of we al dan niet de formateur kozen, of we eventueel aan een referendum mochten meedoen, of er een constitutioneel hof kwam, etcetera.

(On)tevreden burgers

Democratie draait dus volgens hem om de vraag hoe we bestuurd worden en niet om de vraag of we wel bestuurd willen worden en waarover dat bestuur dan gaat. Logisch dan dat zo iemand als Manu Claeys in de Belgische setting de zaak bijna om wil draaien en zegt dat democratie draait om de vraag of zij of wij besturen, of, in zijn opinie, liever samen: politieke top en onderdanen samen aan tafel.

Maar zijn we dan tevreden, want dan gaat het immers nog steeds om een hervorming van het bestuursapparaat, is er dan democratie, lopen de burgers dan door onze straten met hun buik vol van tevredenheid, in het volle besef dat ergens, in wat zalen, mensen rond een tafel zitten over ons te praten? Niet met ons, als er besluiten worden genomen, stellingen worden betrokken, waar we geen weet van hebben en het waarom niet van kennen, en er ons onze mening niet over gevraagd is? Is het dat dan, die democratie?

Politeia (Plato) is niet de politieke gemeenschap van burgers, niet het bestuur van hun gemeenschap, maar de wijze waarop burgers in de gemeenschap samenleven

Democratie is niet een kwestie van het bestuur van de staat. Politeia, de term waarmee Plato zijn opvatting van democratie introduceerde, is niet de politieke gemeenschap van burgers, niet het bestuur van hun gemeenschap, maar de wijze waarop burgers in de gemeenschap samenleven, het bestel zoals de Nederlandse vertalers van Plato het vertalen. En dan heeft hij het in de gelijknamige dialoog helemaal niet over de omvang of inrichting van politieke besturen, maar over de wijze waarop we onze opinies en onze kennis vormen, over het gemak waarmee we gemakkelijke waarheden omarmen die de werkelijkheid verbergen, en over de moeilijkheden die je ontmoet als je het goede wilt vinden.

Het politieke dier

De term ‘Zoon politikon’, die de bestuurlijke denkers altijd vertalen als ‘het politieke dier’ dat we zouden zijn, betekent in werkelijkheid ‘het levende dat des burgers eigen is’, ofwel, dat wat de burger tot burger maakt, zijn betrokkenheid. Want daar gaat het bij de democratie echt om: hoe komen we op een goede manier uit de vraag wat te doen met elkaar, met onze gemeenschap van burgers, de vraag hoe we burger en dus betrokken kunnen zijn. Dat is waarover de Demos, het volk, zich moet kunnen uitspreken om democratie te bedrijven.

En doen we dat in Nederland?

Om dat te weten moeten we eerst begrijpen hoe we gekomen zijn waar we nu zijn. Dat verhaal begint in 1931.

In dat jaar wordt in Amsterdam het World Social Economic Congress gehouden van de IRA, de Industrial Relations Association, in samenwerking met de Amerikaanse Russel Sage Foundation. Deze organisatie, geleid door twee hartstochtelijke vriendinnen, Mary Fledderus en Mary van Kleeck, concentreert in haar inner circle vrijwel alles en iedereen die over de toekomst van de Nederlandse samenleving na wil denken.

Taylorisme en Fordisme

We vinden er allereerst de stichter zelf, Mary van Kleeck. De Russel Sage Foundation, waarvoor zij haar hele leven werkt, is de Amerikaanse promotor van het Scientific management, beter bekend onder de brand-names Taylorisme en Fordisme. Vanuit die vertrekpositie draagt zij aanvankelijk een onwankelbaar geloof uit dat door het wetenschappelijk beheer van de arbeid de verhoudingen tussen werkgever en werknemer verbeterd zullen worden.

Mary van Kleeck draagt een onwankelbaar geloof uit dat, door het wetenschappelijk beheer van de arbeid, de verhoudingen tussen werkgever en werknemer verbeterd zullen worden

Haar vriendin voor het leven, Mary Fledderus, is een human resources manager, werkzaam als zodanig bij de glasfabriek van Leerdam, toen onder leiding van Petrus Marinus Cochius (vader van de later beroemd geworden fluitist Sigurd Cochius), en tegelijk ook leiding gevend aan de landelijke organisatie van personeelsfunctionarissen. Die Glasfabriek was heel bijzonder.

Dat kwam deels door Fledderus, die een radicaal beleid voorstond, en deels ook door Cochius zelf (en ene Willem Schermerhorn die er commissaris was). De fabriek produceerde vooruitstrevend art-deco glaswerk, en de meest in het oog springende ontwerper was Lucienne Bloch, vriendin van Diego Rivera en zijn vouw Frida Kahlo en van Leon Trotski, en dochter van de componist en fotograaf Ernst Bloch.

Links-radicalisme

De fabriek was een broeinest van maatschappelijk radicalisme. Dit verstopte links-radicalisme drong in de opzet van de conferentie van 1931 door onder meer in de vorm van een aanwezige Sovjetdelegatie, onder leiding van Valerian V Ossinsky van Gosplan, het Sovjetplanbureau. Onder de aanwezigen waren Jan Tinbergen, Hendrik de Man, Koos Vorrink, de beroemde socialistische wethouder Wibaut van Amsterdam en vele anderen onder wie ook Otto Neurath, een grote groep werkgevers en andere vertegenwoordigers van andere politieke stromingen.

Het onderwerp van het congres was ‘Social economic planning, the necessity for planning adjustment of productive capacity and standards of living’. Neurath, vooraanstaand lid van de Wiener Kreiss, het gezelschap dat het logisch empirisme zou vestigen, hield er een inleiding over geplande maatschappelijke verandering. Hij beschouwde zichzelf als een Gesellschaftstechniker, een ingenieur die aan de samenleving sleutelt.

Otto Neurath zag het herstel van de economie en de Nederlandse samenleving mogelijk door middel van planvorming

Neurath was het ideaaltypische voorbeeld van de man die met de wetenschap in de hand de maatschappelijke problemen te lijf gaat en wil oplossen, en precies dat was de insteek van het congres: de wetenschap als grondslag van een toekomstige samenleving, waarin de storende factor van de menselijke opinie, en dus de tweestrijd, niet langer het land zou verscheuren. In de visie van Neurath kwam dat neer op functioneel organiseren, dit wil zeggen plannen op basis van cijfers, data.

Hij beschouwde de klassenstrijd, en alle bestaande maatschappelijke problemen, als overbodige gevolgen van een slechte organisatie van de samenleving. Zoals Taylor de arbeidsprocessen verbeterde met arbeidsbesparingstechnieken en Ossinsky met vijfjarenplannen de sovjeteconomie tot grote economische groei dreef, zo zag Neurath het herstel van de economie en de Nederlandse samenleving als mogelijk door middel van planvorming.

Maakbare samenleving

Alle onenigheid, alle sociale strijd, was enkel een gevolg van gebrek aan sociale techniek. Dat was aantrekkelijk voor enkele aanwezigen. Vorrink - in 1934 voorzitter geworden van de SDAP, en de man die de SDAP wilde ontdoen van haar sociaaleconomisch radicalisme en er een cultureel socialisme voor in de plaats zette -, en De Man -, die zoals later bleek veel heil zag in het Italiaans corporatisme -, omarmden het idee van een maakbare samenleving, een verband waarin arbeid en kapitaal samen en planmatig de samenleving op zouden bouwen. De sociaaldemocratie ging na dit congres plannen van de arbeid opstellen en naar de uitvoering ervan streven.

Het belangrijkste gevolg van het congres was de gemeenschappelijke gewaarwording van de bezoekers dat het afgelopen moest zijn met de maatschappelijke verdeeldheid

Maar het was niet het enige gevolg van dit congres. Want ook het Taylorisme ging zijn navolgers krijgen. Op de in 1925 opgerichte Tilburgse Economische Hogeschool ging professor Jan de Quay zich toeleggen op de psychosociale begeleiding van arbeidsprocessen. Maar het belangrijkste gevolg van het congres was de gemeenschappelijke gewaarwording van de bezoekers dat het afgelopen moest zijn met de maatschappelijke verdeeldheid. De Tilburgse hoogleraren Weve en Cobbenhagen zagen er aanleiding in, daarmee toegevend aan hun naar het fascisme neigende achterban, om het model van de corporaties te gaan uitdragen, de afgedwongen samenwerkingsverbanden van werkgevers en werknemers, zoals Mussolini die propageerde. Er moest en zou maatschappelijke eenheid komen, iets wat tot 1945 niet gerealiseerd zou worden.

De Heeren Zeventien

De periode 1940-1945 liet in Nederland een heel andere vorm van Gesellschaftstechnik zien dan voorzien was, waarin de eugenetica leidde tot de wetenschappelijk beargumenteerde moord op tienduizenden Europeanen.

Foto: Wikipedia © Spaarnestad Photo
Willem Schermerhorn, stichter van 'De Heeren Zeventien'. (Foto: Wikipedia © Spaarnestad Photo)

Maar in hun ijver om de bevolking te manipuleren, brachten de Duitse bezetters per ongeluk een verbond tot stand dat anders niet had kunnen ontstaan: ze brachten in Buchenwald, en later in Beekvliet in Sint Michielsgestel en in het grootseminarie van Haaren (Noord-Brabant) een groep van 850 gijzelaars samen, allen maatschappelijk vooraanstaande en leidende figuren.

Die groep, noodgedwongen samen en dus prima in staat te overleggen, ontwikkelde op basis van die notie dat de maatschappelijke tegenstellingen overbodig waren en van desorganisatie getuigden, een voorstel dat de samenleving moest verenigen. ‘De Heeren Zeventien’, zoals het gezelschap spottend werd vernoemd, onder leiding van Willem Schermerhorn en Willem Banning, zette zich aan de voorbereiding van de eenheidspartij, de latere Nederlandse Volks Beweging, en aan de opzet van de corporatieve samenleving waarin planning op basis van wetenschappelijkheid de samenleving zou besturen.

Het volk zou heropgevoed dienen te worden. De democratie ging in Nederland inderdaad georkestreerd worden

En het volk zou daarvoor, aldus Banning, heropgevoed dienen te worden tot een vorm van persoonlijke culturele deugdzaamheid. De democratie ging in Nederland inderdaad georkestreerd worden.

Katholieke zuil

Het is 1950 als ik de wereld binnenstap. Die wereld van toen, 1950, was een direct gevolg van wat er zich in 1931 in Amsterdam en in 1941-1944 in Beekvliet-Sint Michielsgestel onder de bezielende leiding van Willem Banning en Willem Schermerhorn had afgespeeld.

Hoe zag er dat nu uit, als je die wereld binnen kwam? Bij aankomst had mijn moeder verpleeghulp nodig, die kwam van het Witgele Kruis, de katholieke kruisorganisatie. (Het Rode Kruis was er domweg niet).

Inlijving door de katholieke kerk was een automatisme, want pastoor en kerkbestuur, waarvan uiteraard mijn ouders deel uitmaakten, bepaalden het geestelijk leven. Als kleuter ging je naar de kleuterschool van de nonnen, waar kerk en ouders de dienst uitmaakten, en dan naar de welpen, waar kerk en mensen uit de buurt het bestuur vormden.

Inlijving door de katholieke kerk was een automatisme, want pastoor en kerkbestuur bepaalden het geestelijk leven

Naast het welpenhuis, twee huizen voorbij de nonnenschool, waar ik bij was en een lokaal bestuur had naast de landelijke organisatie, lag het parochiehuis, waar het katholieke materamabiliswerk (opleiden voor huishoudelijk werk) plaatsvond. Voor je ontwikkeling als kind ging je naar de katholieke muziekschool, waar enkele notabelen bestuurden. Mijn vader was lid van de katholieke werkgevers, lid van de Katholieke Volkspartij, en lid van het bestuur van de plaatselijke zorgorganisatie (en ook van het bestuur van de neutrale openbare school, maar dat deden de katholieken om die goed katholiek te houden).

Van God gewild

Zijn werknemers waren lid van de katholieke vakbond, gerund door de eigen leden, die landelijk later bij het NKV kwam. Film en kunst, voor zover oirbaar, kon je genieten in de door de kerk opgezette kunstkring of de door de kerk met wat particulieren opgezette kring van het openluchttheater. Scholen waren deel van de katholieke scholenorganisaties (voor het middelbaar onderwijs de OMO, Ons (= katholieken) Middelbaar Onderwijs), waarin katholieke ouders vertegenwoordigd waren.

'Katholieke_Illustratie' van 1897 (Foto Wikipedia)
'Katholieke Illustratie' van 1897: massamedium-wapen van de katholieke zuil. (Foto: © Wikipedia)

Sporten voor de rijken deed je bij de katholieke hockeyclub of de katholieke tennisclub, sporten voor de armen deed je bij de katholieke voetbalclub. Verzekeren deed je bij katholieke verzekeraars, bankieren bij katholieke lokale banken, zoals de plaatselijke Rabobank met lokale bestuurders. Informatie kwam van plaatselijke katholieke kranten, of van de katholieke radio-omroep, die in handen van de leden was.

Zelfs vermaaksbladen als de Katholieke Illustratie of de eveneens katholieke Panorama behoorden tot de eigen Umwelt van de katholieke zuil. Om mij heen was de wereld volledig gesloten, slechts één wereldbeeld, en één waarheid.

De vooruitgang van de mens was van God gewild en automatisch in de geschiedenis ingebouwd, en dus niet betwijfelbaar

Hoe kwam dat op mij, opgroeiend in dat monolithisch denken, over? Godsdienst was geen vraag maar een gegeven. Aardrijkskunde, waaronder de staatkundige indeling, was van nature zo. Het kwaad van de oorlog was voorbij, en vredesbewegingen waren niet meer nodig, want de vrede was vanzelfsprekend. De vooruitgang van de mens was van God gewild en automatisch in de geschiedenis ingebouwd, en dus niet betwijfelbaar.

Zelfbesturende organen

Het bestaan was vast en geordend, de waarheid stond vast, ook al kreeg ik wel de opgave mee die middels onderwijs nog eens goed na te gaan. Twijfel was niet veroorloofd. De uniciteit van de waarheid, waarvan de Wiener Kreiss van Neurath zo een voorstander was, was in de katholieke zuil een vaststaand gegeven.

Maar, uiterst belangrijk als we erop terugkijken, al die organisaties om mij heen waren in handen van ons, onze lokale gemeenschap. Het waren in grote mate zelfbesturende organen. En, wat belangrijker is, al die besturen waren bezig met de inhoud van het aanbod van hun organisatie: de kunstkring moest haar aanbod maken, het mater amabiliswerk ook.

Niet het bestuur maar de leraren bepaalden wat en hoe onderwezen werd. Het bestuur van de lokale bank bekeek wie kredieten kon krijgen

Scholen werden gerund door leraren, weliswaar namens het bestuur, maar niet het bestuur maar de leraren bepaalden wat en hoe onderwezen werd. Het bestuur van de lokale bank bekeek wie kredieten kon krijgen. De boerenbonden en -coöperaties verdeelden de zaden en meststoffen, etcetera. Het waren, om met het octopus-beeld van Manu Claeys te spreken, allemaal zelfstandig en inhoudelijk denkende delen aan het uiteinde van de octopus-armen, waarbij de octopus natuurlijk staat voor het geheel van het maatschappelijk bestel.

Aan de onderkant van de maatschappelijke piramide van Nederland in die jaren hadden mensen beslist wat te zeggen, en ze moesten ook veel zeggen, want anders draaiden al die organisaties niet. Participatie en betrokkenheid waren niet alleen morele plicht maar ook een bestuurlijk-organisatorische voorwaarde voor het functioneren van de samenleving.

Rooms-rode kabinetten

Moeten we dan aannemen dat het bestaan toen democratisch geregeld werd in ons kikkerland? Het antwoord is gemengd, en dat komt door alles wat we aantreffen als we van het uiteinde van de octopus armen omhoog gaan naar het hoofd, daar waar de orkestratie plaats vond. Banning had het over heropvoeden gehad, en in het katholieke deel van het land werd dat behoorlijk letterlijk genomen: de katholieke hoogleraren Cobbenhagen, Weve en Jan de Quay waren al op het overleg van de Heeren Zeventien vooruitgelopen met hun ideeën over de afgedwongen samenvoeging van werknemers en werkgevers, en in de diverse rooms-rode kabinetten, die Nederland tot ver in de jaren zestig beheersten, wisten de bewindslieden van de confessionele en socialistische partijen te bereiken dat de nationale eenheid voorop zou komen te staan.

Nederland bouwde planmatig en onderbouwd met gegevens en wetenschappelijke inzichten aan de onvermijdelijk glorieuze toekomst

Dat deden ze dus onder meer door de invoering van corporaties die bedrijfschappen en productschappen gingen heten. Er waren er op het hoogtepunt vijftig. De idee was dat daarin afspraken werden gemaakt over alle sociaaleconomische voorwaarden, waardoor alle sociale strijd overbodig zou worden: nationale eenheid voor alles. Hoewel het project uiteindelijk mislukte en de schappen nu zo goed als verdwenen zijn door de vrijblijvendheid en de weerzin van vakbonden en werkgevers tegen gedwongen samenwerking, beheerste het eenheidsidee in jaren 1945 tot 1965 het denken in Nederland: samen bouwen.

Er kwam een verzorgingsstaat, kinderbijslag, algemene steun voor ouderen, verpleging, zorg aan huis, sportfaciliteiten, vakantiemogelijkheden, verzekerdheid bij werkloosheid, etcetera. Nederland bouwde planmatig en onderbouwd met gegevens en wetenschappelijke inzichten (het Centraal Planbureau was direct in 1945 onder de leiding van Jan Tinbergen van start gegaan) aan de onvermijdelijk glorieuze toekomst.

Welfare state

De welfare state leek een natuurtoestand, het hoorde zo te zijn, en het was (om met Fukuyama te spreken, maar die had het wel over iets anders) het einde van de geschiedenis: we hadden het als volksgemeenschap helemaal voor elkaar. De enkele anarchist of communist die nog iets riep, werd weggehoond: er viel niks te klagen en bekritiseren, want dat zou een protest tegen de natuur van het bestaan zelf zijn.

En dat was ook te merken in de aantallen van mensen die lid waren van hun grote organisaties: vakbonden, omroepen, politieke partijen, geloofsorganisaties, kranten en bladen, allemaal grossierden ze in zeer grote ledenaantallen. Iedereen was lid van alles, op elke tak van het leven werden wel enkele lidmaatschappen gekleefd. Het maatschappelijk engagement was alom, maar ook verplicht.

Politici liepen alle organisaties af, spraken overal menigtes toe, kwamen zelf ook altijd uit al die organisaties, en waren dus spreekbuizen en luisteroren tegelijkertijd

Was die toestand nu democratisch? Als ik in de uitleg van Manu Claeys kijk, wel eigenlijk: er werd op alle plaatsen in de octopus driftig overlegd, er werd samengewerkt, er was betrokkenheid, en – wat meer was - de opperste bestuurslagen waren weliswaar machiavellistisch gericht, maar daarom juist, luisterden ze, zoals Machiavelli zijn prins ook dringend had aangeraden, heel erg goed naar wat het volk allemaal bezielde.

Politici liepen alle organisaties af, spraken overal menigtes toe, kwamen zelf ook altijd uit al die organisaties, en waren dus spreekbuizen en luisteroren tegelijkertijd. Er was van alles aan te merken op de beleidsdaden van de politici uit die tijd, maar niet dat ze niet verbonden waren met hun achterban.

Dus ja, in die zin zoals Claeys het beschrijft, was er toen, tussen 1945 en 1965, democratie.

Het verborgen talent

En in de werkelijkheid die wij voelden? Tussen 1961 en 1967 voerde Frederik van Heek met zijn assistent Mathieu Mathijssen een onderzoek uit dat heette ‘het verborgen talent’. De rapportages daarvan werden gezien als een massief signaal: de toegezegde gelijkheid bestond in feite niet, arbeiderskinderen kwamen helemaal niet omhoog in het onderwijs, het onderwijs realiseerde de toegezegde emancipatie niet.

Kijk- en luistercijfers gaan verzamelen was niet meer dan een reflex om opinie en menselijke besluitvorming te vervangen door data en wetenschap

Het was maar een voorteken, maar er waren al andere, want vanaf 1960 dobberde voor de kust een piraat, die het alleen voorzien leek te hebben op geld, maar uiteindelijk in 1965 een regering, de regering Marijnen, ten val bracht in een crisis over de toelaatbaarheid van commercie in het omroepbestel. In datzelfde jaar had datzelfde kabinet in een zoveelste poging beleid wetenschappelijk te funderen de Nederlandse Televisie Stichting opdracht gegeven kijk- en luistercijfers te gaan verzamelen. Een reflex om opinie en menselijke besluitvorming te vervangen door data en wetenschap, zoals ook de motivatie was geweest voor de eerdere ‘wetenschappelijke’ benaderingen voor het oplossen van de maatschappelijke strijd. Maar zouden cijfers wel helpen?

Provo

Op 25 mei 1965 richten drie eigengereide anarchistische jongeren, begeleid door de fluitist Sigurd Cochius, iets op dat provo ging heten. En daartegen hielpen de cijfers niet. En dat bleek al snel.

Het kabinet Cals, dat het kabinet Marijnen opvolgde, vormde een nieuwe planmatige aanval op de maatschappelijke problemen. Minister van Economische Zaken Joop den Uyl ging planmatig het probleem van de verlieslatende mijnen te lijf door de gehele werkgelegenheid daarin in no time over de kling te jagen.

Minister van Sociale Zaken Gerard Veldkamp, de sociale planner-kampioen van Roomse huize, realiseerde in dit en het volgend kabinet de WAO (wet op de arbeidsongeschiktheid), de ZW (ziektewet), de WSW (wet sociale werkvoorziening), en realiseerde dus een totale zorg-aanpak, zoals de vernieuwers van 1931 en 1944 ook beoogd hadden: de burger zou ingepakt en verzorgd zijn. Maar het kabinet Cals sneuvelde in de nacht van 13 op 14 oktober 1966 toch, en juist en precies op haar poging wetenschappelijk en planmatig te werk te gaan: ze struikelde over de nota ruimtelijke ordening in de beruchte nacht van Schmelzer.

Het land zou een grootschalige planmatige herstructurering ingaan, met massale verhuizingen, herordeningen en wat dies meer zij

Wat was die nota eigenlijk? Het was een soort sovjetaanpak après la lettre. Men inventariseerde waar nog groengebieden waren en waar niet, en plande vervolgens een volledige decentralisatie van overheidsdiensten en bedrijvigheden over het hele land met een strikte reservatie en inrichting van een groengordel rondom de randstad.

Het land zou een grootschalige planmatige herstructurering ingaan, met massale verhuizingen, herordeningen en wat dies meer zij. Het rationele wetenschappelijk verantwoorde plan diende voor de belangen van individuen te gaan die niet in het belang van de samenleving wilden denken. Maar er bleken teveel individuen te bestaan die dat toch anders zagen, en ruimtelijke ordening werd van dan af voor vele jaren het stiefkindje van het politieke beleid.

Nieuw Links

En er gebeurde nog iets anders dan dit afvoeren van de planmatige aanpak. Minister Veldkamp ging reclame op tv toestaan. En er kwam een studiebeurzenbeleid: de universiteiten gingen open voor de arbeiderskinderen. Studiefinanciering leek voor eeuwig een recht te worden.

De beweging had een gepassioneerd democratiseringsprogramma

Het is dus hier, in die twee rampjaren voor de maakbare samenleving, 1965 en 1966, dat het idee van een maakbare nationale eenheid van de democratie en de besluitvorming sneuvelde. De uitdrager van die maakbaarheidsgedachte bij uitstek, de PVDA die de Nederlandse Volksbeweging als snel was opgevolgd, zag in haar midden in september 1966 de beweging Nieuw Links opstaan.

Burgemeester Gijs van Hal (Foto: Wikipedia © Spaarnestad Photo)
Burgemeester Gijs van Hal: repressief optreden tegen provo. (Foto: Wikipedia © Spaarnestad Photo)

De beweging (van harte gesteund door ene Willem Schermerhorn) die niets moest hebben van statische en planmatige beleid van de vorige jaren en een bruisend cultureel reveil nastreefde, weg van het politieke centrum en de nationale eenheid, en op naar anarchistisch libertarisme, had een gepassioneerd democratiseringsprogramma.

Zij erkenden voor het eerst dat de democratie van de jaren 1945 tot 1965 geen echte democratie was, althans als je een toestand waarin het bestuurlijk systeem alleen van boven naar beneden keek en geen signalen van onderen zag, niet als echt democratisch ziet.

Zij zagen de orkestratie als autoritair beleid. Illustratie voor hun bezwaren was het repressieve optreden van burgemeester Gijs van Hal van Amsterdam bij gelegenheid van het huwelijk van Claus en Beatrix en de provorellen: de zogenaamde parlementaire democratie had, net zoals in het Oostblok, zei Nieuw Links, haar ware gezicht laten zien, de democratie was schijn gebleken. Het stond ook met zoveel woorden in hun manifest van september 1966:

Iedere volksvertegenwoordiger dient de plicht te worden opgelegd tot openbare verantwoording die kan worden afgedwongen.

Het parlement dient in staat te worden gesteld ongelimiteerde openbare hoorzittingen te houden van elkeen die naar het oordeel van het parlement nuttige informatie kan verstrekken.

Elk verkiezingsprogramma van de PVDA dient een minimum te bevatten zonder de uitvoering waarvan de PVDA niet aan coalitiekabinetten kan deelnemen.

De werknemers in de bedrijven moeten directe invloed krijgen op het bestuur van hun ondernemingen.

Duidelijk staat hier dat de besloten en gesloten achterkamersfeer van de grote beleidsmakers voorbij moet zijn en impliciet staat er dat de bevolking zich niet betrouwbaar vertegenwoordigd voelt. Openheid is het toverwoord, betrouwbaarheid van de politiek is het motto.

Verzuiling

Men heeft hier duidelijk het gegroeide wantrouwen van de bevolking gevoeld, en dat ver voor mei 1968. De zorgmaatschappij, die wetenschappelijk onderbouwd ons de maakbaarheid van de samenleving leek te hebben bewezen, was ontmaskerd als een dwangbuis, en verzuiling werd het ultieme scheldwoord.

Vanaf 1966 belandde Nederland in een proces van desoriëntering en transformatie. De democratische structuren bestonden nog wel, maar gebeurde er wel hetzelfde in als voorheen? De moderniteit, het denken dat de samenleving maakbaar was, dat in 1968 met Sartre en zijn aanhang definitief leek te zijn doorgebroken, was in Nederland juist twee jaar daarvoor, in 1966, volledig onderuit gegaan: de maakbaarheid had juist gefaald, en het land ging op weg naar een andere bestemming, die van de postmoderne samenleving waar de openheid van ene Karl Popper zou heersen.

Niet het plan, maar wetenschappelijke zuiverheid zou voortaan het debat gaan bepalen, de kloof tussen kundigheid en opinie deed zijn intrede.

Literatuur

Burgerperspectieven, Kwartaalberichten, SCP

Manu Claeys, Red de democratie, Polis, Kalmthout, 2018

Susan Delacourt, Shopping for Votes, Douglas & Mcintyre, Canada, 2013

Paul Dekker c.s., Politiek Cynisme, Stichting Synthesis, Driebergen, 2006

P.H.A. Frissen, De fatale staat, Van Gennep, Amsterdam, 2013

Anthony Giddens, Beyond left and right, Polity Press, 1994

Habermas, Strukturwandel der Öffentlichkeit, Luchterhand, Neuwied und Berlin, 1962

Friedrich Hayek, Individualism & Economic Order, Chicago Press, 1948

Madelon de Keizer, De Gijzelaars van Sint Michielsgestel, Sijthof, Alphen a/d Rijn, 1979

Peter Mair, Ruling the Void, Verso, London, 2013

Ferdinand Mertens, Otto Neurath en de maakbaarheid van de betere samenleving, Aksant, Amsterdam, 2007

Plato, Deel II, Politeia, Bert Bakker, Amsterdam, 2012

Karl Popper, De open samenleving en zijn vijanden, Lemniscaat, Rotterdam, 2009

Friedrich Stadler, Studien zum Wiener Kreiss, Ursprung, Entwicklung und Wirkung des logischen Empirismus im Kontext, Suhrkamp, 1997, Frankfurt a/m Mainz

Jeroen Den Uyl, Powerswitch, Aspekt, 2017

Bij het samenstellen van het essay is gebruik gemaakt van een veelheid aan kranten- en bladenartikelen, eventueel ter inzage.

 

LEES OOK