Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Gelijkaardig, maar toch heel anders

door Koen Smets
skydiving
Foto: Pixabay

Vliegangst wordt vaak als irrationeel beschouwd, omdat het risico om het leven te komen in een vliegramp vergelijkbaar is met het overlijdensrisico terwijl men van of naar de luchthaven reist, zeker als dat met de auto is (een vlucht van 1.600 km levert hetzelfde risico op als een autorit van 400 km). Je zou inderdaad kunnen aanvoeren dat uitdrukkelijk het ene risico te mijden, en zonder probleem een gelijkaardig of groter risico accepteren irrationeel is. Maar is dat werkelijk zo?

Risico’s: meer dan enkel cijfers

De risico’s mogen dan wel equivalent zijn, maar er is meer. Als er iets misgaat, dan is het vooruitzicht de laatste minuut van je leven door te brengen in een vliegtuig dat aan het neerstorten… wel, ik kan begrijpen waarom sommigen een sterke voorkeur hebben zo’n noodlot te vermijden.

Vóór u – als u het geluk hebt niet aan aviofobie te lijden – lacht om diegenen die weigeren in een vliegtuig te stappen, beschouw het volgende. Zou u zonder meer uit een vliegtuig springen, en 30 seconden lang in vrije val naar beneden duiken alvorens uw valscherm te openen? Als u een modale 12.000 km per jaar rijdt in de auto, dan loopt u exact hetzelfde risico daarbij om te komen. Toch voelt het voor de meeste mensen heel anders aan.

Wie niet aan parachutespringen doet (of niet met het vliegtuig reist) vermijdt simpelweg elke mogelijkheid bij die activiteit gedood te worden. Als je niet irrationeel handelt wanneer je een kater vermijdt door geen alcohol te drinken, dan is dat hier eigenlijk evenmin het geval. Voor we te hard lachen om vlieg- of parachuteangst, moeten we beseffen dat het niet alleen om de getallen gaat.

Als we toch irrationaliteit willen zien in de weigering om met het vliegtuig te reizen, dan moeten we elders kijken, bijvoorbeeld wanneer dat gebeurt zonder oog te hebben voor de afwegingen die deze keuze inhoudt. Door onvoorwaardelijk een bepaalde mogelijkheid te verwerpen (of te accepteren), zonder rekening te houden met de consequenties, zouden we best wel eens de optie die het beste is voor ons kunnen mislopen. Dat zou je dan wel een voorbeeld van irrationeel handelen – tegen ons eigenbelang in – kunnen noemen.

classroom
Nu nog leeg, maar zullen er doden vallen wanneer de klas weer opengaat? (Foto: Wokandapix (Pixabay))

Er is echter een ander aspect rond risico’s die vergelijkbaar zijn, waarbij je je vragen kunt stellen over de rationaliteit waarmee we ze bekijken. Dat aspect kijkt momenteel de beleidsmakers in de landen die met succes de COVID-19-pandemie hebben bedwongen recht in de ogen.

Een lockdown invoeren was makkelijk, in meer dan een opzicht. De boodschap was bijzonder eenvoudig: blijf in uw kot (met zeer beperkte, en vrij goed gedefinieerde uitzonderingen). Aanvankelijk was er ook weinig bekommernis om de gevolgen. Wanneer immers het aantal nieuwe slachtoffers van een ziekte om de andere dag verdubbelt, en het zorgsysteem almaar sneller afstevent op 100% van zijn capaciteit, dan zet je alles op alles, zonder je daarbij al te veel vragen te stellen.

N de curve is afgevlakt, gaat de aandacht naar de nadelen van zo’n lockdown, en stijgt de druk om de maatregels te versoepelen. Dat zal het communiceren een stuk moeilijker maken ('Is dat vier individuen, of vier huisgezinnen die toch al samenwonen?'). Belangrijker is dat het beleidsmakers confronteert met complexe beslissingsvraagstukken. Bij het versoepelen van de beperkingen verhoogt namelijk bijna onvermijdelijk het risico voor sommige mensen dat ze besmet worden met COVID-19 (en eraan ten onder gaan).

Niet alle doden zijn gelijk

Eén zo’n beslissing is het heropenen van de scholen. Kinderen van schoolgaande leeftijd blijken wereldwijd een groep met een laag risico te zijn. In het Verenigd Koninkrijk geven de cijfers voor maart (toen het totale aantal COVID-19-doden 3.912 was – nu is dat zo’n 30.000) aan dat slechts één persoon onder de 20 overleed aan het virus (in de leeftijdscategorie 15-19).

In België is er een overlijden gemeld van een persoon onder de 24, maar het is niet bekend of het om iemand van schoolgaande leeftijd gaat. Dit maakt het besluit om jongeren opnieuw naar school te laten gaan aantrekkelijk: grote voordelen (er wordt weer onderwezen, ouders kunnen opnieuw aan het werk), en kleine nadelen. Er zijn wel bijna 9 miljoen leerlingen in de Britse scholen. Zouden er dan toch kinderen kunnen sterven als de scholen weer opengaan? 

Gegevens over influenza (de gewone griep) kunnen ons helpen bij het beantwoorden van deze vraag. Een onderzoek naar de incidentie (de kans dat men een ziekte oploopt) en de letaliteit (de kans dat iemand die de ziekte heeft eraan overlijdt) toont dat, gemiddeld, de incidentie van influenza bij kinderen tussen 5 en 14 0,85% is, en de letaliteit 0,12%. Zowel de incidentie als de letaliteit bij personen ouder dan 14 is hoger, dus als we dezelfde getallen gebruiken voor de hele schoolgaande jeugd weten we dat we de realiteit onderschatten. Als 0,85% van de 9 miljoen leerlingen besmet geraken, en 0,12% eraan sterft, dan mogen we ongeveer 90 COVID-19 overlijdens verwachten bij de schoolgaande jeugd.

Hoe zou men daarop reageren – of zelfs op een fractie van dat aantal? Stel u de krantenkoppen voor, zelfs maar na het eerste sterfgeval: “Scholen weer open, Abigail (6) overlijdt aan COVID-19”. Welke beleidsmaker is bereid voor de camera’s te verklaren dat dit eigenlijk niet zo verschilt van de zowat 60 kinderen die elk jaar bezwijken aan de griep?

car crash
Na de lockdown, weer meer verkeersslachtoffers (Foto: valtercirillo (Pixabay))

Beschouw nu een andere maatregel: het heropenen van bedrijven en de daarmee gepaard gaande toename in het wegverkeer. Over de laatste 8 jaar is het jaarlijkse aantal verkeersdoden gemiddeld zo’n 1800 geweest, of 34 per week.

Er zijn nog geen cijfers beschikbaar voor het aantal verkeersslachtoffers tijdens de lockdown, maar op basis van een teruggang van het autoverkeer met 80% kunnen we schatten dat er een pro rata reductie was, dus ongeveer 7 doden per week. We kunnen dus naar waarheid zeggen dat de lockdown elke week sedert 24 maart 27 mensenlevens heeft gered – zo’n 160 tot dusver. We kunnen er ook zo goed als zeker van zijn dat, wanneer de economie weer op gang komt, er weer meer mensen zullen omkomen op de wegen.

Zullen we dan ook de media zien melden: 'Einde van de lockdown, 14 extra verkeersdoden in de eerste week'? Niet waarschijnlijk.

Een beslissing de lockdown einde-mei te versoepelen zal tegen het einde van het jaar leiden tot minstens 500 verkeersdoden – mensen die niet zouden zijn omgekomen als de lockdown zou zijn gehandhaafd. En het heropenen van de scholen zou tot de dood van 100 leerlingen kunnen leiden over dezelfde periode, vergeleken met dezelfde referentie.

Het risico op overlijden bij het reizen per vliegtuig en per auto mag dan al vergelijkbaar zijn, we kunnen begrijpen waarom ze, voor sommigen tenminste, heel anders aanvoelen – het is een kwestie van voorkeur. Maar kunnen we echt spreken van een verschil in voorkeur wanneer we een toename van het aantal verkeersdoden met vele honderden ten opzichte van het huidige status quo veel minder erg vinden dan een veel kleinere toename van het aantal overlijdens onder jongeren?

Zelfs uw correspondent weet niet echt raad met deze vraag. Als u daar ook mee in uw maag zit, bent u alvast in goed gezelschap.

LEES OOK
Paul Gebruers 03-06-2020

‘Corona is een ongelijkheidsvirus'

Volgens Dirk Geldof is corona een ongelijkheidsvirus met alarmerende gevolgen voor armoede, onderwijs en etnisch onevenwicht. Het stelt ons voor pertinente vragen over het…
ewien-van-bergeijk-kwant-HuxMgB3mbxE-unsplash