Een corrigerende overheid klinkt veel Amerikanen als een gruwel in de oren. Dat idee, zo leert het experiment van Ariely, blijkt echter vooral ingegeven door de eigen maatschappelijk positie. Door gebruik te maken van een theoretisch concept van de filosoof John Rawls, peilde hij samen met zijn collega Mike Norton naar hoe Amerikanen de mate van ongelijkheid inschatten wanneer ze hun eigen positie buiten beschouwing laten.
Rawls definieert een eerlijke samenleving als volgt:
a just society is a society that if you knew everything about it, you'd be willing to enter it in a random place
Anders gezegd: de proefpersonen van Ariely en Norton zouden bij het uittekenen van de ideale ongelijkheidsverdeling vooraf niet weten of ze zelf 'rijk' of 'arm' zouden zijn. Concreet werd hen de keuze gelaten tussen het bestaande Amerikaanse samenlevingsmodel en een (doorgedreven) Zweeds model, gekenmerkt door een minimale ongelijkheid. Met 92 procent scoort het aangepaste Zweedse model zeer hoog. Overigens zowel bij democraten (93 procent) als bij republikeinen (90,5 procent).
Ander opvallende vaststelling: gevraagd naar de ongelijkheidsverdeling schatten de proefpersonen de mate van ongelijkheid in de Verenigde Staten totaal verkeerd in:
We took the American society and we asked people to imagine it divided into five buckets, the wealthiest 20%, the next 20%, the next, the next and the poorest 20%. First of all, we asked people: how much wealth do you think is concentrated in each of those buckets? It turns out people get it very wrong. The reality is that the bottom two buckets together, the bottom 40% of Americans, own 0.3% of the wealth; 0.3%, almost nothing, whereas the top 20% own about 84% of the wealth. And people don't understand it. They don't understand how much wealth the top have and in particular, they don't understand how little the bottom has.
De volledige tekst vindt u hier