Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

De werkelijke prijs is soms meer dan een kwestie van vraag en aanbod

1 oktober 2021 Koen Smets
aanschuiven voor benzine
In Engeland schuiven lange rijen aan om hun benzinetank te vullen. (Jon Burke FRSA (Twitter))

De wet van vraag en aanbod in de economie is net als de wetten van de thermodynamica in de natuurkunde: ze beschrijft een natuurlijk fenomeen. De marktprijs van een goed wordt grotendeels bepaald door hoeveel ervan er te koop is (het aanbod) en hoeveel ervan nodig is (de vraag). Wat ook de prijs op dit moment is, als er meer beschikbaar is dan nodig (het aanbod overstijgt dus de vraag), zal hij dalen. Sommige leveranciers zullen immers wat ze te veel hebben van de hand willen doen, en moeten dat dus tegen een lagere prijs aanbieden om klanten aan te trekken, en zo neemt de vraag toe. De prijsdaling zal sommige producenten er ook toe aanzetten de productie te stoppen, zodat het aanbod afneemt. Zodra aanbod en vraag in evenwicht zijn, stabiliseert de prijs: elke geproduceerde eenheid wordt verkocht, en elke gevraagde eenheid wordt geleverd – economen spreken van marktruiming.

In het omgekeerde geval, als er onvoldoende van het goed is om aan de vraag te voldoen, zal de prijs stijgen: de kopers die er de meeste waarde aan hechten zullen een hogere prijs bieden, die minder happige kopers laat afhaken, en zo daalt de vraag. De prijstoename kan ook producenten aanmoedigen om de productie op te drijven, of nieuwe producenten aanzetten de stap naar de markt te maken, wat dan weer het aanbod verhoogt. En ook dat gaat door tot de balans is hersteld.

De markt te hulp … als we dat toelaten

Wanneer dus iets gebeurt dat het vraag-aanbodevenwicht verstoort, maakt een markt het mogelijk dat de beslissingen die mensen dan nemen de prijs beïnvloeden, wat op zijn beurt wordt weerspiegeld in het gedrag, enzoverder, tot de rust weer is hersteld. In een uitstekende video uit de cursus micro-economie van Marginal Revolution University legt econoom Alex Tabarrok uit dat een prijsbeweging een signaal is, verpakt in een prikkel. De prijsbeweging geeft namelijk aan dat een goed meer (of minder) schaars is geworden, en bezorgt zowel verkopers als kopers een prikkel om op dit signaal te reageren. Toverij!

Hoe zou zo’n ‘natuurlijke’ prijsstijging in het specifieke geval van de huidige brandstofcrisis functioneren? Het is niet evident hoe dit het aanbod zou aanwakkeren. Er is immers voldoende benzine in de opslagplaatsen, en meer productie zou niet helpen. Het probleem is immers dat er onvoldoende tankwagenchauffeurs zijn om de benzinestations te bevoorraden aan het tempo dat bestuurders hun tank vullen. Bij zo’n piekvraagprobleem is hun meer betalen via een hogere prijs aan de pomp evenmin een praktische oplossing. Wat hogere prijzen waarschijnlijk wél zouden doen, is de vraag temperen, en zo een terugkeer naar de normaliteit bewerkstelligen. De prijzen bewogen echter niet.

Woekerprijzen
Zo loopt het af als je je klanten woekerprijzen laat betalen (CC BY NC ND 2.0 Jeffrey Rolinc (Flickr))

Dit is een van de situaties waarin rationalistische economie in botsing komt met de economie van het echte leven – of zoals Nobelprijslaureaat economie Richard Thaler het zegt: ‘econs’ (beredeneerde en emotieloze schepsels) tegenover ‘humans’ (complexe wezens gedreven door tegenstrijdige emoties, motieven en voorkeuren). De voorzitter van de Britse benzinekleinhandelaarsvereniging vatte het bondig samen: “Als er een ding is dat we niet goedkeuren in dit soort omstandigheden, dan is het woekeren.”  Klanten hebben een lang geheugen, zo stelde hij, en zullen zich later vast herinneren hoe hun plaatselijke benzinestation hen schoffeerde door ze een buitensporige prijs te doen betalen.

Thaler zelf verwijst naar het woekerprobleem – ongeacht de economische redelijkheid – in zijn boek Misbehaving. Samen met Jack Knetsch en Daniel Kahneman onderzocht hij hoe mensen de eerlijkheid van economische transacties zien. Een van de vragen die ze stelden betrof een denkbeeldige ijzerwinkel die sneeuwschoppen verkoopt tegen 15 dollar, maar de ochtend na een sneeuwstorm de prijs optrekt naar 20 dollar omdat de vraag het aanbod overstijgt. Niet fair, zo vond 82% van de respondenten. (Ik schreef over dit aspect al eens eerder.)

Nochtans is een situatie waarin het aanbod de vraag niet kan bijhouden en prijzen niet kunnen stijgen niet ideaal. Lange rijen aan de pomp, maar niet iedereen heeft evenveel nood aan benzine. Sommige mensen hebben een bijna lege tank, anderen komen gewoon even bijvullen of verschijnen met een collectie jerrycans om te hamsteren. Sommige mensen hebben hun auto broodnodig om hun patiënten, hun leerlingen of hun job als ambulancier te bereiken, anderen enkel voor een ritje naar het bos om de hond uit te laten. Sommigen vragen nu om essentiële werkkrachten voorrang te geven bij de pomp en zo het probleem te omzeilen, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

Een faire verdeling door een onfaire prijsverhoging

Een markt waarin de prijs vrij kan bewegen om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen kan helpen. In een recente episode van de podcast Rationally Speaking besprak gastvrouw Julia Galef het fenomeen van woekerprijzen met twee economen, Raymond Niles en Amihai Glazer. Naast de rol van een prijs als prikkel, hadden ze het ook over het verwante aspect van de toewijzing van schaarse goederen: wie krijgt wat?

Duurdere benzine ontmoedigt die kopers die er de minste waarde aan hechten, en verzekert dat de voorraad naar de bestuurders kan gaan met de hoogste nood

Niles stelde dat verhinderen dat de markt toelaat de prijs te bepalen leidt tot inefficiëntie in die toewijzing: mensen zullen meer kopen dan ze nodig hebben en zo zullen sommigen het onvermijdelijk met minder moeten stellen. Hij wijst er ook op dat rantsoenering niet verzekert dat schaarse goederen bij diegenen terechtkomen die er de meeste waarde uit puren. (In de actuele crisis zou iemand die zijn auto dagenlang op de oprit laat staan recht hebben op evenveel benzine als iemand die elke dag zijn auto nodig heeft om zijn brood te verdienen.) Glazer merkt op dat inefficiënte allocatie (die kan ontaarden in hamsteren) wanneer de prijs niet kan stijgen typisch voorkomt bij goederen waarvan je makkelijk een tijdelijk voorraadje kan aanleggen – en dat is (althans op korte termijn) het geval voor benzine.

Als enerzijds geen ander praktisch mechanisme dan een prijsstijging bestaat om schaarse goederen tijdens een vraagpiek te verdelen, en anderzijds consumenten zo’n prijsstijging als hopeloos onfair zien, is er dan geen oplossing? Richard Thaler verwijst naar een manier om de beschuldigingen van woekeren te omzeilen: de eerlijkheid van een transactie, zoals consumenten dat zien, kan afhangen van hoe ze wordt voorgesteld.

Wat als een prijsverhoging niet, zoals men gewoonlijk veronderstelt, extra geld uit de zak van de consument haalt om zo de bankrekening van de verkoper te spijzen, en op een andere manier werd gekaderd? Zo zou ze weliswaar niet langer als een prikkel werken naar de aanbodzijde, maar dat is toch niet waar het schoentje knelt. Ze zou echter wel een signaal en een prikkel sturen naar de vraagzijde: duurdere benzine ontmoedigt die kopers die er de minste waarde aan hechten, en verzekeren dat de beschikbare voorraad naar de bestuurders kan gaan met de hoogste nood.

Benzinecrisis
'Maak voort, pummel, zodat ik ook met goedkope benzine kan voltanken!' (CC BY 2.0 John Greenfield (Flickr))

Rest de vraag, wat te doen met het extra inkomen, dat dus niet naar de verkoper kan gaan. In het VK zou de NHS, de nationale gezondheidsdienst die voor bijna iedereen op een voetstuk staat, een prima bestemming zijn voor dit surplus – en dat zou voor velen de ergernis over de hogere prijs zo goed als wegnemen.

Een manier om dit te implementeren zou een speciale heffing kunnen zijn, opgelegd door de staat. Maar mijn innerlijke nieuwsgierige libertair verkiest het bepalen van de prijs aan de markt over te laten, en de rol van de staat te beperken tot het scheppen van het juridische kader voor prijsverhogingen in noodgevallen en het doorsassen van de opbrengst daarvan. Dat zou er niet alleen voor zorgen dat de prijs wordt bepaald door marktmechanismen, en niet door bureaucraten of – de hemel verhoede! – politici, maar het zou ook de beslissing al dan niet deel te nemen aan dit mechanisme aan de verkopers laten. Dat kan extra diversiteit in de markt scheppen en bestuurders een reële keuze geven tussen goedkopere benzine die moeilijk te vinden is en kostelijk (in tijd) om te bekomen, duurdere 'NHS+'-brandstof … of gewoon wachten tot een en ander weer is gekalmeerd.

Wat een interessant economisch veldexperiment zou dat zijn!

(Tussen het schrijven van dit artikel en de publicatie, zag ik dat niemand minder dan de undercover economist van de Financial Times een gelijkaardig voorstel deed via Twitter. Bescheidenheid verhindert me niet te zeggen: great minds think alike.)

LEES OOK