Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Je geld of je gevoelens

11 februari 2022 Koen Smets
vuile laarzen
(CC BY NC ND 2.0 Yvonne Larson (Flickr) )

Eergisteren had ik afgesproken met een oude vriend die ik al sedert vC (voor Covid) niet meer had gezien, voor een koffie en een wandeling langs een nabijgelegen jaagpad. Toevallig had ik mijn rubberlaarzen nog in de koffer, zodat ik – een beetje ongewoon voor mij – goed voorbereid arriveerde.

Versterkt na het nuttigen van een americano, vertrokken we om langs het kanaal te kuieren. Ik zeg ‘kuieren’, maar het tempo van mijn vriend was toch eerder dat van een fikse wandeling. Ook al had ik geen moeite om tred te houden, het stevige stappen deed mijn kousen afzakken in mijn laarzen. Al gauw waren ze bijna helemaal van mijn voeten, en vormden een brok textiel onder mijn voetzolen dat elke stap meer oncomfortabel maakte dan de vorige. Toch bleef ik stappen en babbelen alsof er niets aan de hand was. Raar, toch?

Later die dag dacht ik verder na over wat me had verhinderd te suggereren dat we iets langzamer zouden gaan, of zelfs even te stoppen om mijn sokken op te trekken. Mijn gezel is een goede vriend, in wiens bijzijn ik geheel niet bang zou zijn iets doms te zeggen of te doen dat mijn status of mijn reputatie zou schaden. Ik ben zelfs zeker dat onze praatwandeling even onderbreken totaal onbeduidend zou zijn geweest voor hem.

En toch, het vooruitzicht dat te doen vanwege iets zo frivool als mijn afgezakte kousen, voelde blijkbaar zo ongemakkelijk, dat het me tegenhield – niet het vooruitzicht van zijn reactie, maar van mijn eigen gevoel.

Gevoel voor overleven… of net het omgekeerde?

We staan vaak voor een keuze tussen verschillende mogelijkheden. En er is eigenlijk niets buitengewoon aan het feit dat we, ceteris paribus, dan die optie kiezen die ons het meeste genot verschaft (of het minste ongenoegen). Het mechanisme dat ons helpt een onderscheid te maken tussen wat goed voelt en wat slecht voelt, is wat onze primitieve voorzaten in staat stelde te overleven en zich voort te planten, en wat uiteindelijk tot ons eigenste bestaan heeft geleid.

In het algemeen is het zo dat wat ons helpt te overleven (zoals voedzame dingen eten en schuilen voor wat ons bedreigt), en wat ons helpt ons voort te planten (raadpleeg je eigen verbeelding), zich manifesteert als wat goed voelt. Wat deze doelstellingen in gevaar brengt, dat voelt dan weer slecht. Bijgevolg heeft ons instinct zich ontwikkeld om datgene na te streven wat ons genot verschaft, en te vermijden wat tot ongemak leidt, zelfs al heeft het geen invloed op deze twee vitale eisen.

Dat lijkt misschien wat mysterieus: waarom bekommeren we ons om wat ons genot of ongemak oplevert, als het geen rol speelt in onze kansen om te overleven of ons te vermenigvuldigen? Een mogelijk antwoord is dat prettige ervaringen, en het vermijden van ongemakken indirect de kans verhogen dat we kunnen overleven en ons voortplanten. Maar zelfs dit is misschien een onnodige complicatie: een nog simpeler verklaring is dat we gewoonweg onze genetische code uitvoeren.

Hoe dan ook, of het ons indirect dient, dan wel een bijproduct is van onze diepe instincten om te zorgen dat we in leven blijven en baby’s maken, het kan ook wel eens tot onaangepast gedrag leiden. Een concert bijwonen of met vakantie gaan zijn er typisch geheel op gericht ons plezier te verschaffen, en zelfs als ze geld, tijd en inspanning kosten, is dat prima (zolang we genoeg middelen overhouden om onze vitale noden te dienen).

macarons
“Kokosnoot? Nee bedankt!” (CC BY 2.0 Stacy (Flickr))

Maar aan sommige pleziertjes hangt een kost die we niet altijd erkennen. Een overdosis aan kortetermijnverwenningen – bijvoorbeeld onszelf tegoed doe aan snacks en frisdranken of alcohol terwijl we de hele dag languit op de bank naar Netflix liggen kijken – zou wel eens onze cardiovasculaire langetermijnvooruitzichten kunnen schaden.

Het vermijden van ongemak kan ook perfect functioneel zijn: het is beslist niet zo gek aan een saaie vergadering op het werk te ontsnappen door ons plots te “herinneren dat we een nog belangrijke prioriteit hebben” en, als we een sterke afkeer hebben van kokosnoot (vul desgevallend je persoonlijke voedingsschrikbeeld in), neen te zeggen tegen gerechten waarin dat ingrediënt wordt gebruikt. Negatieve emoties kunnen echter ook onze beslissingen domineren, net als de lokroep van de onmiddellijke voldoening van een positief gevoel.

Wat we best niet vermijden

Als we in gedachten terugkeren naar onze adolescentie en de eerste persoon die ons hart sneller liet slaan, benaderden we die dan prompt en vol zelfvertrouwen om onze liefde te bekennen? Of aarzelden we, en verkozen we de slopende onzekerheid boven het risico een blauwtje te lopen – om dan iemand anders die moediger was dan wij succes te zien hebben?

In een discussie onder vrienden, hebben we er geen moeite mee een afwijkende mening te verkondigen en op te komen voor ons standpunt, of verkiezen we met de groep mee te doen om zo te vermijden ons geïsoleerd te voelen? Zijn we het soort persoon die op het werk naar de baas stapt om duidelijk te maken dat we beslist een loonsverhoging verdienen? Of is het idee alleen al genoeg om ons zodanig met de poepers op te zadelen dat we er de voorkeur aan geven te wachten tot wanneer de chef ons een hoger salaris waardig acht?

Vorige week opende ik een pak kaas dat nog ruim binnen de houdbaarheidsdatum was, maar waarin zich desondanks een spectaculaire schimmelcultuur had ontwikkeld. Ik had het product terug kunnen brengen naar de winkel en mijn geld terugvragen. In plaats daarvan gooide ik het in de vuilnisbak.

Ik rationaliseerde mijn besluit door te stellen dat het de moeite niet was, maar eerlijk gezegd geloofde ik mijn eigen gemotiveerde redenering niet eens. De inspanning zou in elk geval verwaarloosbaar zijn geweest, want ik ga minstens een keer per week naar die winkel, en ik zou zo goed als zeker zonder plichtplegingen mijn geld hebben teruggekregen. Waarom deed ik het dan niet?

Ik kan mijn vinger zelfs niet leggen op welk specifiek gevoel ik probeerde te vermijden. Misschien was het een mengsel van gêne (zo’n gedoe, om een stukje kaas, echt?) en verlegenheid, met een snuifje angst om in een discussie terecht te komen, of mijn verzoek afgewezen te zien – maar de exacte samenstelling van de verwachte emotionele cocktail deed niet ter zake. Het zou beslist onprettig zijn, en dat was dat.

Geen van deze hypothetische en realistische situaties, van beschimmelde kaas en afzakkende sokken, tot kalverliefde en loondiscussies, vertegenwoordigen een ernstige bedreiging voor ons overleven of onze kansen onze genen door te geven. (Eigenlijk, nu ik erover denk, is de terughoudendheid een potentiële partner aan te spreken misschien wel een belemmering voor onze voortplanting! Gelukkig slagen de meeste mensen er wel in dat weifelen uiteindelijk te overwinnen.)

In elk geval illustreren ze allemaal hoe onze neiging ongemak te ontwijken ons blind kan maken voor wat we opofferen om onszelf negatieve emoties te besparen, of ons kan laten minimaliseren wat we opgeven.

Emoties, positief en negatief, beïnvloeden onze beslissingen – dat is niet alleen onvermijdelijk, het is essentieel. Dit proces kan adaptief zijn, zelfs wanneer het niet meteen dient om onze vitale doelen van overleven en voortplanting te dienen, bijvoorbeeld door te verhinderen dat we onze middelen verkwisten, of onze reputatie schaden. Maar soms is het enige wat het doet een innerlijk, geheel privégevoel verhinderen, zonder enige andere gevolgen.

Weegt dat werkelijk op tegen het offer dat we ervoor brengen? Misschien wel – maar dat kunnen we enkel weten als we de vraag stellen, en ze niet ontwijken.

Ongemak vermijden op zich is niet noodzakelijk een slechte beslissing, maar vermijden ons oordeel aan een kritische blik te onderwerpen, is dat meestal wel.

LEES OOK