Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Veel van onze overtuigingen zijn verkeerd maar sommige zijn nuttig

door Koen Smets
Anchored beliefs
Overtuigingen worden soms tegenover kennis geplaatst, maar over de scheidslijn bestaat onenigheid. (Ideogram)

Een paar dagen geleden kwam ik een intrigerende afbeelding tegen (uit een presentatie van de Noorse filosoof Tone Hermansen), die een kind toont voor een tafel waarop drie stenen van verschillende grootte liggen, met een onderschrift in twee delen. Het eerste is een bewering: “De kleine steen is veel zwaarder dan de middelgrote en de grote steen”.

Het tweede deel zinspeelt op een overtuiging: “Denk je dat wat de volwassene zei waar was of niet waar?”. De vraag wat het kind gelooft, is interessant genoeg, maar misschien nog interessanter is de vraag waarom zij of hij dat zou geloven – en wat vertelt het ons over onze eigen volwassen overtuigingen?

Waar overtuigingen vandaan komen

Overtuigingen zijn vreemde, wonderlijke dingen. Soms worden ze tegenover kennis geplaatst, maar over de scheidslijn ertussen is er onenigheid. Kennis wordt vaak gedefinieerd als gerechtvaardigde, ware overtuigingen (in de praktijk zijn dat overtuigingen die ondersteund worden door redelijk solide bewijzen en die niet aantoonbaar onwaar zijn).

Dit impliceert dat kennis gezien kan worden als een speciale subset van overtuigingen, maar desalniettemin net zo falsifieerbaar – iets wat de evolutie van kennis door de eeuwen heen ook lijkt te bevestigen.

Over het hele spectrum, van de extreem dubieuze kant, tot aan kennis, zijn overtuigingen een adaptief vermogen, cruciaal om degelijk te functioneren. Ze vormen de cognitieve fundering waarop we onze beslissingen en handelingen baseren. Door ons een kader te bieden waarmee we de wereld kunnen interpreteren, resultaten voorspellen en ons gedrag sturen, stellen ze ons in staat om snel keuzes te maken zonder dat we alles hoeven te analyseren en verifiëren.

Geen verrassing dus dat sommige van onze overtuigingen (soms ook cognitieve predisposities genoemd) aangeboren zijn – overgeërfd van talloze generaties voorouders. Voorbeelden zijn objectpermanentie (het begrip dat objecten kunnen blijven bestaan, zelfs als ze niet direct worden waargenomen), causaliteit (het basisgevoel dat gebeurtenissen oorzaken hebben) en zelfs bepaalde basiskennis van de eigenschappen van fysieke objecten (bijvoorbeeld soliditeit). Pasgeboren mensjes vertonen deze predisposities meestal al, net als andere primaten en honden, katten, ratten en vogels.

De meeste overtuigingen zijn echter niet aangeboren, maar verwerven we via drie mechanismen: eigen onderzoek, indirecte informatie van andere bronnen, en extrapolatie van bestaande overtuigingen. Kleine kinderen hebben veel vrije tijd voor exploratie. Tot ze 2 jaar zijn, bevinden ze zich in wat de ontwikkelingspsycholoog Jean Piaget het sensomotorische stadium noemde, en spelenderwijs ontdekken ze dat een rammelaar of een lepel makkelijker op te tillen is dan een doos vol speelgoed of mama’s laars.

Ze vormen dan al snel de algemene overtuiging dat grotere voorwerpen moeilijker op te tillen zijn dan kleinere – lang voor ze zich bewust zijn van het begrip gewicht. Niet lang daarna, dankzij verdere exploratie, leren ze dat het toch niet zo eenvoudig ligt, en passen ze hun overtuiging aan. Een grote lege doos is immers soms lichter dan het kleinere speeltuig dat erin zat, en dus kunnen kleinere voorwerpen zwaarder zijn dan grotere maar verschillende voorwerpen. De overtuiging dat onder gelijksoortige voorwerpen de grotere toch zwaarder zijn, blijft intact.

Nog later zal de leerkracht wetenschappen hen de drie stenen op de afbeelding voorleggen en beweren dat de kleinste de zwaarste is. Tenzij ze al eerder met het begrip dichtheid in aanraking zijn gekomen, is de kans groot dat ze het niet geloven op basis van hun bestaande overtuigingen. Een goede meester of juffrouw zal hen dan aanmoedigen om op onderzoek uit te gaan en zo de schijnbare afwijking als waar te ervaren.

Opnieuw zullen ze hun overtuiging bijstellen: grootte is niet noodzakelijk een betrouwbare indicator van gewicht. Door verder redeneren gaan ze misschien ook hun eerdere overtuiging in vraag stellen dat, als iets voor bepaalde categorieën geldt, dat ook waar is voor alle categorieën, en verkrijgen ze een nieuwe overtuiging: schijn kan bedriegen.

Ze kunnen ervan overtuigd raken dat patronen gebaseerd op één eigenschap zich niet noodzakelijkerwijs herhalen voor een andere eigenschap (en zich bijvoorbeeld gaan afvragen of ouder zijn wel altijd wijzer zijn betekent). Tegen het einde van het basisonderwijs zullen ze nog veel meer overtuigingen hebben verworven, sommige door eigen exploratie, en steeds meer via informatie van ouders, leerkrachten en media.

Nauwkeurigheid is optioneel

En zo gaat het maar door – tot en met de volwassenheid. Sommige overtuigingen die we zo verkrijgen, zijn specifiek en hebben een feitelijke basis (de aarde is bolvormig en niet vlak; als we onze tanden niet poetsen krijgen we kiespijn) en zijn over het algemeen waar, terwijl veel andere minder specifiek en twijfelachtiger zijn, omdat ze moeilijk te bewijzen of te weerleggen zijn (management consultants zijn bullshitters; je krijgt een verkoudheid door kou te vatten).

Dit klinkt allemaal goed en wel: onderzoek, betrouwbare bronnen en gezonde redeneringen zouden ons steeds nauwkeuriger overtuigingen moeten geven, toch? Misschien toch niet helemaal.

Over het algemeen nemen we onze eigen verkenningen, de input van andere bronnen en zelfs onze eigen redenering niet zomaar voor waar aan. Op de weg die van deze stimuli naar onze overtuigingen leidt, zijn onze emoties een mediator, een tussenstap. Als we merken dat een overtuiging ondersteund wordt door bewijsmateriaal, ervaren we een positieve emotie waardoor we neigen naar acceptatie; omgekeerd een overtuiging die wordt tegengesproken door de evidentie gepaard met een negatieve emotie, die leidt tot afwijzing.

Overtuigingen kunnen echter zelf ook emoties oproepen, die vaak in de verste verte niets te maken hebben met de mate waarin ze door bewijsmateriaal worden ondersteund, en dus kan het best zijn dat we een overtuiging aannemen omdat ze ons een goed gevoel geeft (of verwerpen omdat ze ons een slecht gevoel geeft).

In dat proces spelen daarnaast ook tal van cognitieve biases (zoals confirmation bias en self-serving bias) die als moderator fungeren en de emoties versterken of afzwakken die worden opgewekt door overeenstemming of discrepantie met bewijsmateriaal.

Confirmation bias bevoordeelt onze bestaande overtuigingen, dus alles wat ondersteunt wat we nu al geloven, of wat daarmee verenigbaar is, krijgt een steuntje in de rug om van harte te worden aangenomen. Self-serving bias weerspiegelt onze neiging om de voorkeur te geven aan overtuigingen die ons gevoel van eigenwaarde versterken.

Bovendien verwerven of versterken we de meeste van onze overtuigingen door informatie van andere bronnen dan onszelf. Ze zijn dus niet zozeer een kwestie van wat we geloven, maar veeleer van wie we geloven. We nemen de overtuigingen over die worden verkondigd door de mensen en instellingen (bijvoorbeeld media of overheid) die we als gezaghebbend beschouwen, of die worden gedeeld met de verschillende groepen waarvan we deel uitmaken, waarbij we meestal weinig aandacht hebben voor de waarheid of nauwkeurigheid ervan.

Dit is hoe we ervan overtuigd kunnen raken dat Big Pharma geneesmiddelen tegen bepaalde ziektes achterhoudt zodat ze geld kunnen verdienen aan voortdurende behandelingen, dat kunstmatige zoetstoffen allerlei gezondheidsproblemen veroorzaken, of dat banken systematisch de markten manipuleren.

Het is hoe we ertoe kunnen komen te geloven dat de economie in wezen een nulsomzaak is waarbij als iemand wint, iemand anders moet verliezen, dat er een eindige hoeveelheid werk te doen is en dus een vast aantal banen, of dat belastingverlagingen zichzelf terugbetalen.

En het is de manier waarop we de overtuiging kunnen verwerven dat homeopathie, chiropractie en functionele geneeskunde doeltreffende manieren zijn om gezondheidsproblemen te behandelen, dat de Myers-Briggs Type Indicator een wetenschappelijk onderbouwde, betrouwbare methode is om persoonlijkheidsprofielen op te stellen, of dat 'natuurlijke' of 'biologische' producten gezonder en heilzamer zijn.

Of het kan net zo goed zijn dat we zo het tegenovergestelde van al deze dingen gaan geloven – niet omdat we hebben gecontroleerd of ze worden ondersteund door evidentie, maar omdat we hebben omarmd wat gezaghebbende personen of instituten, of onze groepsgenoten geloven.

rock belief
Een vroeg geloofsdilemma. (X.com)
pineapple pizza
Lekkernij of verschrikking? Het is een kwestie van overtuiging. (Ideogram)

Interessant genoeg kunnen zulke overtuigingen nuttig zijn, of ze nu waar zijn of niet. Overtuigingen die we delen met anderen zijn sterk bepalend voor sociale cohesie – religieus geloof is daar een duidelijke illustratie van. En zelfs onnauwkeurige of twijfelachtige overtuigingen kunnen adaptief zijn – zo moedigt de overtuiging dat de wereld rechtvaardig is prosociaal gedrag aan en biedt ze ons gemoedsrust, maken stereotypen het ons makkelijker doorheen het sociale landschap te navigeren, en helpt het geloof in meritocratie onze motivatie op peil te houden.

Net zoals het kind met de drie stenen moet beslissen of het vertrouwt op zijn bestaande overtuigingen rond grootte en gewicht, of op de verrassende bewering van de volwassene, laveren wij allemaal voortdurend tussen onze gevestigde overtuigingen en nieuwe informatie die deze in vraag stelt.

Sommige van onze overtuigingen zijn misschien niet zo belangrijk, zoals de vraag of ananas op pizza thuishoort, maar andere zijn bepalend voor fundamentele beslissingen over ons leven en onze samenleving. De kracht van onze overtuiging correleert echter zelden met de nauwkeurigheid ervan. Misschien is de nuttigste overtuiging die we kunnen hebben wel dat veel van onze andere overtuigingen – zelfs diegene die ons het meest dierbaar zijn – fout kunnen zijn.

LEES OOK
Koen Smets 13-12-2024

Twee soorten overtuigingen

Overtuigingen geven op zijn minst gedeeltelijk vorm aan bijna elke beslissing die we nemen.
barcelona - axioms and theorems
Koen Smets 29-03-2024

Het amorele universum

Is moraliteit letterlijk slechts een verzinsel van onze verbeelding?
universe