We hebben allemaal wel eens discussies meegemaakt waarin iemand niet in staat leek om zijn aanvankelijke standpunt op te geven, ondanks de tegenargumenten die werden aangevoerd, de gaten in zijn zienswijze of de tegenstrijdigheden in zijn beweringen. Misschien zijn wijzelf wel eens die persoon geweest.
Maar bij andere gelegenheden hebben we dan beslist weer gemerkt dat we werkelijk ons standpunt over iets belangrijks hebben gewijzigd, of dat we iemand anders hebben overgehaald om van gedachten te veranderen. Het is alsof er twee soorten overtuigingen zijn.
Axioma's en stellingen
In mijn eerste weken op de middelbare school liet meneer Demonie, onze wiskundeleraar, ons kennismaken met de wiskundige concepten van axioma's en stellingen. De laatste zijn beweringen die kunnen worden bewezen – je kunt aantonen dat ze waar zijn, en daarom staan ze niet ter discussie. Maar de eerste kun je niet bewijzen.
Een voorbeeld dat ik me herinner, is het parallellenpostulaat van Euclides – door een punt dat naast een rechte ligt, kun je precies één rechte trekken die evenwijdig is aan de gegeven lijn. Het leek absurd dat iemand dit zou betwisten – de bewering leek me zo vanzelfsprekend dat er toch geen bewijs voor nodig was?
Maar hier leerde ik dat ze niet bewezen kon worden. Nu had ik dus ook een naam voor wat mijn ouders zeiden als ik vroeg waarom ik iets niet mocht (of moest) doen – “Daarom. Zo is het nu eenmaal.” Het was een axioma.
Een onderscheid dat veel lijkt op dat tussen stellingen en axioma's geldt ook voor onze overtuigingen. Overtuigingen zijn een soort van 'epistemologische toestand'. Die beschrijven hoe we informatie conceptualiseren en ermee omgaan, en geven weer wat we over iets weten, hoe we dit weten, hoe goed we het weten en hoe zeker we zijn van wat we weten.
Kennis is zo'n toestand, die verwijst naar gerechtvaardigde, objectieve waarheidsclaims die we empirisch kunnen nagaan. Een hypothese is een andere – een voorlopige verklaring, doelbewust geformuleerd om systematisch getest te worden.
Aannames zijn pragmatische uitgangspunten die we als vanzelfsprekend beschouwen zonder uitgebreide verificatie, en dienen als functionele elementen in redeneringen, en intuïties zijn pre-rationele, directe inzichten die voortkomen uit onbewuste cognitieve verwerking, die we vaak ervaren als ogenblikkelijke “buikgevoelens”.
Overtuigingen vormen wel een aparte groep: uitspraken die we persoonlijk als waar aanvaarden zonder absoluut bewijs te hebben. Ze combineren cognitief begrip met emotionele investering, blijven overeind ondanks tegenstrijdig bewijs, en zijn vaak diep verweven met onze psychologische identiteit.
Terwijl andere epistemologische toestanden relatief kneedbaar blijven, voelen we een sterke subjectieve toewijding voor overtuigingen, waardoor ze goed bestand zijn tegen verandering. En, wat belangrijk is, overtuigingen kunnen al dan niet empirisch geverifieerd zijn – met andere woorden, ze kunnen zijn zoals een stelling of zoals een axioma.
Het hoe en waarom van overtuigingen
Om goede beslissingen te kunnen nemen, hebben we informatie nodig. Een deel daarvan kunnen we op het moment zelf verzamelen, een ander deel halen we uit ons geheugen. Maar dit volstaat bijna nooit, en dus vertrouwen we maar op tal van overtuigingen om die kloof te overbruggen. Welke producten we in ons winkelmandje leggen, wordt bijvoorbeeld niet zozeer bepaald door hun herkomst, hun samenstelling of ingrediënten, de productiemethoden en onze voedingsbehoeften.
We weten daar immers vaak lang niet zoveel over, maar we hebben er wel overtuigingen over, die ons het vertrouwen geven om verstandige keuzes te maken. Een ander voorbeeld: artsen die een diagnose stellen bij patiënten houden niet alleen rekening met de symptomen die ze vertonen en eventuele testresultaten, maar ze baseren zich ook op hun overtuigingen over hoe bepaalde aandoeningen zich manifesteren binnen een bredere context.
Ons vermogen om overtuigingen te vormen die cognitieve snelkoppelingen mogelijk maken naar vlotte besluitvorming in onzekere situaties, is een zeer nuttige evolutionaire aanpassing. Veel, zo niet de meeste, van onze talloze overtuigingen worden verworven via drie belangrijke paden, elk met hun eigen aanvaardingscriteria.
Zo kunnen we bewust nieuwe overtuigingen samenstellen uit wat we waarnemen, wat we al weten, en eerdere inzichten en overtuigingen. Bij dit soort bewuste cognitieve verwerking controleren we meestal de logische samenhang van het bewijs voordat we een overtuiging accepteren. Voorbeelden hiervan zijn het valideren van een wetenschappelijke hypothese, of het leren van een grammaticale regel in een nieuwe taal of een techniek om een muziekinstrument te bespelen.
Een tweede mechanisme, socioculturele constructie, internaliseert de verhalen die ons worden verteld in de omgeving en de cultuur die ons omringen. Hier bepaalt sociale validering – bevestiging dat we op één lijn zitten en erbij horen – wat we wel en niet gaan geloven.
Politieke, religieuze of ideologische overtuigingen zijn hier voorbeelden van, maar ook op regels gebaseerde concepten zoals etiquette, of het juiste gebruik van dt-regels. Ze vinden hun oorsprong in onze familie, school, werk, kerk, enzovoort, maar ook bij mensen die we als betrouwbaar, respectabel en/of gezaghebbend beschouwen.
Naast deze twee externe paden is er ook een interne route: onze eigen behoeften – aan veiligheid, zelfbescherming, het behoud van onze identiteit, en zo meer. De overtuigingen die bij deze emotionele- en overlevingsbehoeften horen, worden gevormd door het onbewust interpreteren van wat ons een slecht, en wat ons een goed gevoel geeft.
De acceptatietest hier is de manier waarop wat we doen, en waar we zijn, onze emoties bepalen. Hier vinden we bijvoorbeeld fundamentele, met onze veiligheid verbonden overtuigingen (rond wat gevaarlijk is) en primaire morele intuïties over het toebrengen van schade (aan onszelf en anderen). In de praktijk kunnen onze overtuigingen worden gevormd door een combinatie van alle drie de paden, maar vaak is er één dominant.
Elk van deze paden bepaalt verschillende niveaus van falsificeerbaarheid van onze overtuigingen voor onszelf (dit wil zeggen de mate waarin we persoonlijk bereid zijn om tegenstrijdig bewijs te accepteren en van gedachten te veranderen). Wanneer cognitie de bepalende factor van een overtuiging is, zullen we ze als meer falsificeerbaar ervaren: we hebben er argumenten voor, die we kunnen gebruiken tegen diegenen die een tegenovergestelde overtuiging hebben.
Dit heeft dus veel weg van stellingen. Overtuigingen die geworteld zijn in emotionele- en overlevingsbehoeften daarentegen zijn amper falsificeerbaar, en lijken dus veel op axioma's. De meeste zijn echter wel zo goed als universeel (we hebben immers allemaal dezelfde basisbehoeften). Daarom kunnen ze legitiem als waar worden beschouwd, en zijn conflicten erover zeldzaam.
Een paradoxaal geloof
Sociocultureel geconstrueerde overtuigingen lijken echter ook vaak op axioma's: we vinden ze meestal vanzelfsprekend, en hoeven er nauwelijks bewijs voor. Zulke overtuigingen verwerven we typisch door osmose – we ervaren wat de norm ‘is’ in onze omgeving en concluderen daaruit dat dit is wat 'moet zijn'.
Socioculturele invloeden vormen ook de achterdeur waarlangs we overtuigingen verkrijgen die eigenlijk objectief falsificeerbaar zijn, zoals de ontkrachte bewering dat vaccins autisme veroorzaken, enkel omdat ze aan een psychologische behoefte voldoen.
Hier mogen we dus conflicten verwachten en zullen we bedreigingen het sterkst voelen, want anderen kunnen er andere axioma-achtige overtuigingen op nahouden die haaks op de onze staan, of ze kunnen onze axioma-achtige overtuigingen zien als de stellingen die ze in werkelijkheid zijn, en ze aanvechten met tegenargumenten.
Eén overtuiging die we allemaal hebben, is dat we onze overtuigingen niet zomaar overboord moeten gooien – minst van al de axioma’s, want die belichamen niet alleen hoe we de wereld begrijpen, maar zijn ook essentieel voor onze sociale identiteit en ons zelfbeeld. We hebben dan ook enkele krachtige manieren om ze te vrijwaren – onze oude vrienden, confirmation bias en gemotiveerd redeneren, waardoor we vlotjes kunnen argumenteren in de richting van onze uiterst simpele gewenste conclusie: onze overtuiging blijft overeind.
Je kunt zelfs zeggen dat dit een adaptieve eigenschap is. Voortdurend al onze overtuigingen opnieuw evalueren zou immers al te vermoeiend en inefficiënt zijn. Bovendien, al zijn niet al onze overtuigingen accuraat en dus het bevestigen waard, toch zijn zelfs sommige van de meer twijfelachtige overtuigingen toch nuttig – een ongegrond geloof in karma kan bijvoorbeeld ethisch gedrag en samenwerking stimuleren.
Maar onze neiging om ze te bevestigen en te beschermen kan voor elke overtuiging gelden, ook voor diegene die zeer dubieus en zelfs falsificeerbaar zijn. Als we het geloof dat we onze overtuigingen moeten verdedigen zó gebruiken, wordt het paradoxaal.
De futurist en technologievoorspeller Paul Saffo schreef ooit over zijn mantra, “sterke meningen, zwak vastgehouden”. We kunnen dit parafraseren tot “sterke overtuigingen, zwak vastgehouden”. Het is weliswaar gemakkelijk en geruststellend om al onze overtuigingen als axioma's te beschouwen – waar, maar onbewijsbaar (en dus onweerlegbaar!). Maar dat komt neer op “zwakke overtuigingen, stevig vastgehouden”.
In plaats daarvan is het beter dat we onze overtuigingen zien als stellingen, die we onderbouwen met goede argumenten en bewijzen. We moeten daarnaast bereid zijn om ze op te geven als er een goed tegenargument bestaat. Zo geven we eenvoudig maar daadkrachtig uiting aan onze intellectuele bescheidenheid, zonder dat we daarvoor onze overtuigingen hoeven te verraden.