Nog voor leerlingen leren lezen of schrijven, tekenen de eerste barsten zich af. Uit een nieuw grootschalig onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) bij Vlaamse 5-jarigen blijkt dat zij wel sterk scoren op sociaal-emotionele vaardigheden, maar onder het internationale gemiddelde blijven voor taal en wiskunde. Vooral de sociale kloof springt in het oog: nergens zijn de verschillen tussen kansarme en kansrijke kinderen zo groot als in Vlaanderen.
Vooral de sociale kloof springt in het oog: nergens zijn de verschillen tussen kansarme en kansrijke kinderen zo groot als in Vlaanderen
In het lager onderwijs wordt die neerwaartse trend nog zichtbaarder. Uit het onderzoek TIMSS 2023 blijkt dat Vlaanderen slechts 24ste staat voor wiskunde en 35ste voor wetenschappen (op 58 landen). Bovendien dalen de leerprestaties hier sneller dan waar ook. Ook begrijpend lezen gaat sterk achteruit: volgens de studie PIRLS 2021 verloren Vlaamse leerlingen vier maanden leerwinst tegenover 2016 en zelfs tien maanden tegenover 2006. Met een gemiddelde score van 511 behoort nog amper 3% tot de top.
In het secundair onderwijs zet die trend zich nog verder door. De PISA-resultaten tonen een duidelijke achteruitgang. In 2003 scoorden Vlaamse leerlingen nog gemiddeld 553 punten voor wiskunde, de hoogste score wereldwijd. Vandaag is dat gedaald naar 501. Ook leesvaardigheid kelderde sterk, van 502 in 2018 naar 483 in 2022. Wetenschappen daalde van 499 naar 491. Tegelijk bevestigt de onderwijsinspectie de kwaliteitsdaling: nog slechts 38% van de scholen krijgt een volledig gunstig advies, terwijl dat vroeger boven 50% lag. Het aandeel ongunstige adviezen steeg van 11% naar 18%, en meer dan de helft van de scholen moet actief tekorten wegwerken.
Ook in het hoger onderwijs zijn de signalen verontrustend. Volgens Quacquarelli Symonds dalen 108 Belgische opleidingen in internationale ranglijsten in 2026, een van de sterkste dalingen in Europa. Daarnaast studeert ongeveer 70% van de studenten niet af binnen de voorziene tijd. In graduaatsopleidingen haalt slechts 26% het diploma op tijd. Ter vergelijking: in OESO-landen behaalt gemiddeld 39% een bachelor binnen drie jaar. Het probleem is dus niet marginaal, maar structureel.
Meer druk, meer controle
Toch lijken de oplossingen opnieuw te vertrekken vanuit dezelfde reflex: meer druk, meer controle. Studenten zouden verplicht worden om elk academiejaar minstens 54 studiepunten op te nemen en voor 80% daarvan te slagen. Wie minder dan 30% behaalt, moet de opleiding stopzetten. Het aantal examenkansen per vak wordt beperkt tot vier. En wie drie keer wordt geweigerd binnen eenzelfde graad, verliest het recht om nog een opleiding op dat niveau te volgen. Het is een systeem dat niet alleen strenger is, maar ook definitiever en minder vergevingsgezind.
Die verstrengende lijn is niet nieuw. Ook onder voorganger Ben Weyts (N-VA) werd al ingezet op een strengere selectie. De cijfers tonen echter aan dat de prestaties blijven dalen. Meer druk heeft het probleem dus niet opgelost.
Het universitaire onderwijs blijft sterk gericht op klassieke kennisoverdracht. Succes betekent vaak nog steeds: grote hoeveelheden leerstof van buiten blokken
We kijken even naar Nederland. Daar ligt de nadruk ook op studievoortgang, maar op een andere manier. Universiteiten mogen zelf bepalen hoeveel studiepunten studenten per jaar moeten behalen. Meestal ligt dat rond de 40-45 in hun eerste jaar. Ongeveer een op vijf studenten valt uit na het eerste jaar, tegenover ongeveer een op drie in België. Het verschil zit niet alleen in strengheid, maar in de manier waarop het systeem is opgebouwd.
Want het fundamentele probleem in België zit dieper: in de manier waarop studenten leren. Het universitaire onderwijs blijft sterk gericht op klassieke kennisoverdracht. Succes betekent vaak nog steeds: grote hoeveelheden leerstof van buiten blokken en reproduceren tijdens examens. Twee keer per jaar belanden studenten in een intens “bloksysteem”, met wekenlange stresspieken. Doorheen het jaar daarentegen is de druk vaak beperkt, wat zorgt voor een inefficiënte spreiding van inspanning en een oppervlakkig leerproces.
In Nederland ligt dat anders. Daar wordt gewerkt met kortere blokken van ongeveer acht weken, met continue evaluatie. Studenten schrijven essays, geven presentaties, werken in groep en maken projecten. Ze worden dus niet alleen beoordeeld op wat ze kennen, maar ook op wat ze kunnen. Dat systeem, geïnspireerd door een Angelsaksische traditie, stimuleert kritisch denken, zelfstandigheid en samenwerking.
Ook de organisatie verschilt. Belgische studenten zitten vaak in grote aula’s, waar passief noteren de norm is. In Nederland wordt daarnaast sterker ingezet op kleinschalige werkgroepen, waar studenten de leerstof actief verwerken en bespreken. Dat maakt het onderwijs persoonlijker en inhoudelijk rijker.
Onderwijs is geen fabriek
Het contrast is duidelijk: waar België vasthoudt aan een eerder rechtlijnig en reproductief model, evolueert Nederland richting een moderner en flexibeler systeem. Niet alleen kennis, maar ook vaardigheden staan centraal. En net daar wringt het schoentje.
Alsof dat nog niet volstaat, plant de Vlaamse Regering ook besparingen in het hoger onderwijs, onder meer via studentenvoorzieningen. Dat staat in schril contrast met Nederland, waar studenten financiële ondersteuning krijgen via genereuze studiebeurzen, aantrekkelijke leningen en voordelen zoals gratis openbaar vervoer, gekoppeld aan studieduur. Investeren in studenten lijkt daar een evidentie, geen besparingspost.
Wie het onderwijs echt wil versterken, moet de illusie loslaten dat strenger automatisch beter betekent
Ook in het lager en secundair onderwijs zet Demir in op meer controle: minder studiedagen, minder lesuitval, meer verplichte aanwezigheid. Opnieuw dezelfde logica: meer structuur moet leiden tot betere resultaten.
Maar onderwijs is geen fabriek. Meer druk leidt niet automatisch tot betere prestaties. Het risico bestaat dat studenten en leerkrachten uitgeput raken, motivatie verliezen en dat er minder ruimte overblijft voor creativiteit en sociaal welzijn. Wie enkel inzet op strengere regels, bestrijdt symptomen maar niet de oorzaak.
De kernvraag is niet of studenten harder moeten werken, maar of ze wel op de juiste manier worden opgeleid. In plaats van te verstrengen, moet het onderwijs durven moderniseren. Flexibeler, persoonlijker en meer gericht op vaardigheden. Minder reproductie en meer reflectie.
Wie het onderwijs echt wil versterken, moet de illusie loslaten dat strenger automatisch beter betekent. Het systeem staat onder druk, maar vraagt vooral om vernieuwing. Niet minder verwachtingen, wel andere. Want uiteindelijk gaat het niet alleen over cijfers of rankings, maar over de vraag welk onderwijs en welke generatie we willen vormen.