De overheidsschuld wordt vaak aangehaald – meestal als een proportie van het BBP - als een betekenisvolle indicator van de gezondheid van de staatsfinanciën. De economen Reinhart en Rogoff beweerden in hun paper Growth in a Time of Debt uit 2010 dat een staatsschuld boven de 60% van het BBP een rem op de groei zet, een fenomeen dat nog erger wordt wanneer de schuldratio stijgt boven de 90%. Er bleek achteraf een en ander te schorten met hun analyse, en er is voorlopig geen consensus rond een eventueel causaal verband tussen hoge schuld en lage groei.
Het betreft hier de zogenaamde expliciete schuld, dat wil zeggen wat de overheid werkelijk heeft geleend, en dus – normaliter – zou moeten terugbetalen. Landen die wat op de sukkel zijn zoals Zimbabwe, Griekenland, Portugal en Italië (en de anomalie Japan) kijken tegen een schuldratio aan van ruim boven de 100%, maar de meeste andere naties hebben een schuld die daaronder zit. België zit er momenteel net boven.
IMPLICIET
Maar, zeggen sommigen, dat vertelt maar een deel van de barre realiteit: we moeten ook naar de impliciete schuld kijken. Dat begrip verwijst naar ‘beloften’ die de overheid heeft gemaakt, of nog maakt, voor toekomstige betalingen, zonder dat daar activa tegenover staan. In het bijzonder worden hier de kosten van de zogenaamde vergrijzing mee bedoeld.
Vele landen, waaronder ook België, zitten met een pensioensysteem dat grotendeels rust op repartitie (lopende inkomsten worden gebruikt om lopende uitgaven te betalen). De overheid belooft dus aan de huidige werkende burger dat ze hem of haar later van een pensioen zullen voorzien – zonder dat ze daarvoor op dit moment middelen heeft voorzien. De zegswijze “belofte maakt schuld” is hier klaarblijkelijk van toepassing.
En dit is koren op de molen van de doemdenkers: wanneer een schuldratio van 100 of 150% niet meer voldoet om de bevolking de daver op het lijf te jagen kun je, zoals kersvers federaal minister van Financiën Johan Van Overtveldt vorig jaar (weliswaar in een vorig leven) deed in een artikel in Knack, met als titel: “Belgische staatsschuld is niet 104,5 maar 655 procent van het bbp” – de uitroeptekens moet u er maar bij denken.
EEN VREEMDE MANIER
Nu is het zo dat staatsschuld niet echt mag worden vergeleken met de schulden die men als privépersoon aangaat, maar zo’n vergelijking kan hier toch helpen dat intrigerende concept van impliciete schuld inzichtelijk te maken. De toekomstige pensioenuitgaven van de overheid vertegenwoordigen bijvoorbeeld een reële uitgavenstroom, daarover bestaat geen twijfel. Stel u nu een gezin voor dat er voor kiest een woning te huren, eerder dan er een te kopen. De huur die het zal moeten betalen in de komende maanden en jaren, zolang niet alle leden ervan zijn uitgezwermd of overleden, is net zo goed een reële uitgavenstroom. De impliciete schuld die deze toekomstige huur vertegenwoordigt – laten we even aannemen dat het gezin nog 25 jaar zal bestaan, en dat de huur stijgt met de prijzenindex – zou dan 500% van het gezinsinkomen bedragen.
Dat is misschien technisch correct, maar het is een vreemde manier om de financiën van het gezin te beoordelen. Natuurlijk moet het gezin voor een dak boven het hoofd van haar leden zorgen, en men kan zelfs beweren dat, als het om een gehuwd koppel gaat, er een formele belofte is gedaan om elkaar van dat onderdak te voorzien. Maar het gaat hier om een lopende uitgave waartegenover een verwacht inkomen staat – bijvoorbeeld uit arbeid en/of vermogenswinst, of uit uitkeringen. Wanneer de inkomsten niet langer voldoende zouden zijn om een bepaald type van huisvesting te bekostigen, kan het gezin besluiten zijn intrek te nemen in een goedkopere woning– de ‘belofte’ van een groot huis met zwembad wordt gebroken, en vervangen door een belofte van een tweekamerflat in een wat minder chique wijk.
En dat is niet echt anders met de impliciete schuld van de staat. Ondanks de zeer reële problemen van een repartitiesysteem, kan de overheid toch rekenen op een inkomen uit belastingen om de pensioenuitgaven te bekostigen. En als de inkomsten onvoldoende zouden zijn om de uitgaven te dekken, dan kan ook de overheid aan de belofte morrelen – bijvoorbeeld door de pensioenleeftijd te verhogen.
EEN BEETJE NUANCE
Betekent dit dat de impliciete schuld een zinloos begrip is? Helemaal niet. Iemand die over een trustfund beschikt om levenslang zijn huur te betalen staat er duidelijk financieel beter voor dan iemand die voor zijn huur elke maand een stuk van zijn inkomen moet gebruiken. En een land dat voor zijn pensioenen kan putten uit een, via een kapitalisatiesysteem behoorlijk gefinancierde, pot staat er beter voor dan een land dat voor de pensioenen in de lopende inkomsten moet tasten. De term is misschien wat ongelukkig gekozen, maar hij laat ons alvast toe dit soort nuance netjes te beschrijven.
Dat neemt niet weg dat ongenuanceerd en alarmistisch gebruik van het begrip toch eerder in het arsenaal van de demagoog thuishoort, dan in dat van de tweehandige econoom. Het is geen slecht idee dit indachtig te zijn wanneer u de volgende keer leest of hoort over impliciete schuld.