De autofabrikant moet bijvoorbeeld beslissen of hij honderden miljoenen gaat investeren in de ontwikkeling van ofwel een elektrische 4x4, ofwel een elektrische sportwagen. Daarvoor berekent men – gebaseerd op de beste beschikbare informatie – de totale investeringskost en het verwachte inkomen voor beide gevallen. En men kiest dan voor de optie die het beste rendement oplevert.
De economie van levens redden
Deze economische denkwijze, het afwegen van de kosten en baten van verschillende alternatieven kan ook elders met succes worden toegepast, zelfs wanneer het niet allemaal om geld gaat. De hongerige vrienden hebben misschien een keuze tussen twee plaatsen om een hapje te eten. Ze zullen zich er weinig vragen bij stellen 20 minuten te rijden voor een redelijk goed restaurant, maar als iemand voorstelt naar een eethuis te rijden dat 2 uur verderop ligt, dan zal het wel een buitengewoon etablissement moeten zijn. Ze wegen hun tijd (en de benzine) af tegen de perceptie van de waarde van het etentje – en dat is vooral een emotionele zaak.
De veiligheidsbaas van Network Rail en NICE staan voor een zwaardere taak dan de autofabrikant of de hongerige vrienden: zij moeten beslissen waar ze geld uitgeven om passagiers en personeel te beschermen, of welke medicijnen door de nationale gezondheidsdienst worden verschaft en welke niet. Ook zij kijken naar kosten en baten. De kosten zijn makkelijk te zien: het gaat om investeringen als omheiningen rond de sporen en automatische treinbeveiliging, of om de prijzen van farmaceutica. De baten zijn wat moeilijker, want het gaat letterlijk om een kwestie van leven en dood. Maar daarvoor hebben ze een middel: de spoorwegen gebruiken een standaardwaarde voor een leven (waarmee gedragseconoom Richard Thaler zijn eerste sporen verdiende) om het rendement van een veiligheidsinvestering te bepalen. NICE gebruikt een meer gesofisticeerd concept: het QALY (quality-adjusted life year) houdt rekening met zowel de levensverlengende eigenschappen van een medicijn, als met de kwaliteit van dat extra leven. Door levens en levenskwaliteit op een objectieve schaal te plaatsen kunnen beide organisaties niet enkel gebruik maken van de economische denkwijze, maar ook de ethische moeilijkheden rond deze vragen omzeilen.
Dit gaat echter om het vermijden van het verlies van levens. Na de recente reeks terreuraanslagen in Europa gaan stemmen op om de doodstraf weer in te voeren voor verschikkelijke misdaden. Kan de economische denkwijze ook worden gebruikt om te bepalen of de staat iemand van het leven mag beroven?
De economie van misdaad
Misdaden kunnen worden beschouwd als een economische transactie tussen de crimineel en de samenleving. In zijn klassieke paper, Crime and Punishment – an Economic Approach, beschrijft Gary Becker, een Nobelprijswinnaar Economie, zowel misdadigers als het openbare beleidssysteem als rationele actoren. De dader bepaalt of ‘misdaad loont’, en weegt hiervoor de winst van het vergrijp af tegen de pakkans en de verwachte straf; het beleid probeert ervoor te zorgen dat ‘misdaad niet loont’ door een voldoende hoge kostprijs voor de wandaad – wat natuurlijk ook werkelijke kosten met zich meebrengt (het rechtssysteem, gevangenissen enz.)
Het zou natuurlijk in het belang van de staat (en dus van de samenleving) zijn als een gegeven reductie in misdaad kan worden geleverd (door strenge straffen) tegen de laagste kost – bijvoorbeeld door drie gedetineerden in één cel te zetten en ze enkel water en brood te geven. Dat zou echter tegen de algemene ethische principes van een geciviliseerde maatschappij gaan, en zoiets gebeurt al lang niet meer. Ethiek wordt dus niet afgewogen hier: de ethische randvoorwaarden zijn een inherent deel van het strafsysteem waarover niet wordt onderhandeld.
Maar wanneer het erop neerkomt te bepalen welke straf past bij welke misdaad, is economisch denken onvermijdelijk. Om een gepaste afschrikking te voorzien voor potentiële criminelen (of recidivisten) is het zinvol zware slagen en verwondingen strenger te straffen dan de diefstal van een fles water. Vanuit dat perspectief komt de propositie in een discussie op Twitter vorige week, “de doodstraf is een passende straf als vergelding voor een verschrikkelijke misdaad” goed overeen met Gary Becker’s economische aanpak: er moet een prijs worden betaald voor een misdaad , en meer verschrikkelijk misdaden hebben een hogere prijs.
Een moeilijkheid is natuurlijk dat de doodstraf een harde bovengrens is: je kunt geen twee keer worden geëxecuteerd. Sommige misdadigers zullen dus ‘overbetalen’: iemand die wordt terechtgesteld voor de moord op één persoon wordt relatief zwaarder gestraft dan iemand die twintig of honderd personen heeft vermoord. De drempel opschuiven helpt ook niet: het is altijd mogelijk een nóg meer verschrikkelijke misdaad te begaan. Bovendien negeert een puur kwantitatieve kijk op de uitkomst (aantal slachtoffers) andere manieren waarop een misdaad verschrikkelijk kan zijn. Verdient iemand die één slachtoffer op een gruwelijke manier doodt meer of minder de doodstraf dan iemand die twee mensen pijnloos vermoordt? (Natuurlijk kun je deze vragen ook stellen voor om het even welke maximumstraf, zoals bijvoorbeeld levenslange opsluiting. Het belangrijke verschil is dat de doodstraf een fundamenteel moreel principe schendt.)
Becker’s economische aanpak gebruikt de strengheid van de straf als de kostprijs voor misdaad om het aantal gevallen te verminderen – als afschrikking dus. De doodstraf maakt uiteraard compleet komaf met recidivisme, maar wat afschrikking betreft zit dat toch anders. Tussen 1990 en 2014 ging het aantal moorden in de VS achteruit met de helft in staten met de doodstraf, en met 60% in staten waar die niet wordt toegepast. Tijdens die periode was het aantal moorden in staten waar de doodstraf geldt consistent 20-40% hoger.
Het nut van vergelding
Een gedegen economische discussie moet echter naar alle betrokkenen kijken, en op zoek gaan naar externaliteiten. Misdaad beschouwen als een transactie tussen crimineel en samenleving ziet de slachtoffers over het hoofd. Maar hier loop je dan meteen aan tegen het feit dat de directe slachtoffers van de meest verschrikkelijke misdaden dood zijn, dus de straf kan voor hen althans geen verschil meer maken.
Er zijn natuurlijk wel de nabestaanden, die een familielid of vriend zijn verloren. De oude bijbelse regel ‘oog om oog, tand om tand’ draagt ons op de straf in verhouding tot de originele misdaad te plaatsen. Zou het dan niet meer fair zijn om de dader niet te doden, maar hem of haar een gelijkaardig verlies op te leggen als de nabestaanden? Het zou natuurlijk absurd zijn om de broer, vader, zoon, neef of beste vriend van de moordenaar om het leven te brengen, maar levenslange opsluiting zonder toegang tot familie en vrienden zou aardig in de buurt komen. Het is perfect mogelijk een moordenaar tot een regime te veroordelen waarin contact met een categorie van mensen wordt ontzegd, dat het verlies voor de nabestaanden van zijn slachtoffer weerspiegelt. Dat past prima in de economische denkwijze, zonder dat er een fundamenteel ethisch principe wordt geschonden.
Maar het rechtssysteem verschaft nog een ander element van economisch nut voor de samenleving en voor de indirecte slachtoffers van misdaad: de wetenschap dat ‘recht is geschied’. Het verlangen naar rechtvaardigheid is opmerkelijk sterk. Een van de meest opvallende illustraties hiervan is het zogenaamde ultimatumspel waarin één van de twee spelers een som geld (bv €10) krijgt die moet worden verdeeld tussen hen beiden. Als de tweede speler het voorstel van de eerste verwerpt krijgt geen van beiden iets. Een rationele tweede speler zou elk aanbod aanvaarden – zelfs een cent is beter dan niets. Maar wat blijkt? Gemiddeld worden voorstellen die minder dan 30% aan de tweede speler aanbieden verworpen: de tweede speler is bereid 3 euro op te offeren om de eerste speler een onrechtvaardige winst te ontzeggen.
Geen afweging
De Beckeriaanse economische aanpak die een zwaardere straf oplegt aan ernstiger misdaden voldoet grotendeels aan deze drang naar rechtvaardigheid. De straf (een boete of opsluiting) is nadelig voor de misdadiger, en dat nadeel werkt als vergelding. De doodstraf heeft echter geen economisch voordeel voor de samenleving (omdat ze niet werkt als afschrikking). Kan men dan het terechtstellen van personen die een verschrikkelijke misdaad hebben gepleegd rechtvaardigen door de hogere vergelding in de ogen van de indirecte slachtoffers en de maatschappij?
Mijn antwoord is: neen.
De doodstraf werkt niet als afschrikking en betekent evenmin een lagere kost voor de gemeenschap dan alternatieve straffen: volgens het Death Penalty Information Center is niet alleen de kost van de rechtszaken waarin om de doodstraf wordt gevraagd hoger, ook de opsluiting van een terdoodveroordeelde is een stuk duurder.
Maar zelfs als er een puur economisch voordeel zou zijn is het introduceren van ethiek in een economische afweging een precaire zaak. Als het, onder bepaalde omstandigheden, OK is iemand te executeren, welk fundamenteel argument is er dan tegen foltering? Stel dat men vindt dat stokslagen een effectief afschrikmiddel zijn, hoe kun je er dan tegen zijn dat men straffen van zeg maar tien stokslagen voor winkeldiefstal, en twintig voor rijden onder invloed – beide een stuk goedkoper dan enkele maanden opsluiting?
Als zulke economische overwegingen niet geldig zijn om de doodstraf te rechtvaardigen, dan kan dat ook niet het geval zijn voor het nut dat vergelding vertegenwoordigt. Ethiek is niet te koop, zelfs niet in ruil voor meer rechtvaardigheid. De economische denkwijze heeft haar grenzen, en ethiek ligt daarbuiten. Zoals Meat Loaf zong: we “won’t do that” – er zijn zaken die we niet doen, niet voor de liefde, en niet voor welk economisch nut ook.