Of hij ooit naar Eubelius zal terugkeren weet Koen Geens nog niet: aan de pers verklaarde hij dat alleen God het weet. Belangrijker is evenwel of Geens buiten de verbreking van de banden met zijn zakenkantoor ook afstand heeft gedaan van de belangen die hij er voordien door diende: voor wie rijdt hij eigenlijk?
Afkoopwet
Dat de minister altijd al een grote voorstander is geweest van de afkoopwet, staat in zijn hervormingsplan geschreven:
Het is een beginnende praktijk van een alternatief 'buitengerechtelijk' afhandelingsbeleid op niveau van het Openbaar Ministerie, dat nog in volle evolutie is en waarvan een goede toepassing vele mogelijkheden biedt om nodeloos lange en complexe strafprocedures te vermijden en tot een snelle vergoeding te komen van de aan het slachtoffer toegebrachte schade of inning van de ontdoken fiscale en sociale rechten, met een stevige geldboete als ontradende sanctie.
De uitspraak van het Grondwettelijk Hof was daarom niet enkel een afkeuring van de wet, maar evenzeer van het door de justitieminister in zijn groot plan uiteengezette beleid: afkeuring van de beginnende praktijk van een "alternatief buitengerechtelijk afhandelingsbeleid" dat Koen Geens wil uitbreiden.
Wat zou Geens daar nu mee doen: zou hij de afkoopwet aanpassen aan de grondwettelijke vereisten, en zou hij dan ook de basisfilosofie van zijn hervormingsplan, het "buitengerechtelijk afhandelingsbeleid", wijzigen?
Getalm
De justitieminister voert het "crimineel beleid", het beleid rond strafzaken. Het college van procureurs-generaal kan de minister hierin advies geven, maar niet meer dan dat: de minister en niet het college is ervoor verantwoordelijk én aanspreekbaar.
Blijkt nu dat de minister na bijna een jaar na de afkeuring van de wet nog niet klaar is met een nieuwe tekst, en dat het college van procureurs-generaal intussen wél een omzendbrief gemaakt heeft. Bovendien is die omzendbrief “vertrouwelijk”.
In de praktijk werden intussen belangrijke uitgebreide minnelijke schikkingen toegepast. Wat voor een toestand is dat nu? De justitieminister talmt zeer lang om de rechtspraak van het hoogste hof uit te voeren, het college van procureurs-generaal doet wat de minister zou moeten doen, aan dit “parket-beleid” wordt ondertussen gevolg gegeven, en wat daarbij de gevolgde werkwijze is, mag niemand weten.
Procureurs-generaal doen hun zin
Ondertussen onderzoekt de parlementaire onderzoekscommissie Kazachgate, de wijze waarop de afkoopwet tot stand kon komen. Volgens Dirk Vandermaelen, de voorzitter van deze commissie, belet CD&V dat de commissie ook de wet zelf zou onderzoeken.
Ook hier moet de vraag gesteld worden wie wat precies moet doen, wie welke opdrachten en bevoegdheden heeft en wie ervoor aanspreekbaar is. Voor de justitieminister zelf is dat erg duidelijk: hij talmt met de aanpassing van de oude afkoopwet en maakt tegelijkertijd een nieuwe, die de afkoop van winkeldiefstallen mogelijk maakt. Voor de wetgever is het ook duidelijk: de wetgever “geeft” de wet, maar doet het niet. En het college van procureurs-generaal dat enkel kan adviseren, doet bij ontstentenis van de andere “machten” en op “vertrouwelijke” wijze zijn goesting.
Buitengerechtelijke macht
Het gehele “gedoe” rond de afkoopwet toont hoever wij zijn afgedwaald van de basisvoorschriften van de rechtsstaat, waarin de opdrachten en bevoegdheden van de verschillende machten gescheiden zijn en wordt bepaald hoe deze moeten worden geëerbiedigd. Wat nog het meest verontrust is dat aan deze toestand van verwarring ook binnen de rechterlijke macht wordt meegewerkt. Het wordt alsmaar duidelijker hoe groot de macht is van de procureurs-generaal en hun college. Uit de hoorzittingen van de 'Kazach-commissie' bleek dat daar door vertrouwelijk lobbywerk met de diamantsector en zakenadvocaten een wet werd gemaakt en deze werd toegepast nog voor ze was gestemd. Nu blijkt dat dezelfden er een alweer een vertrouwelijke “aanpassing” voor hebben gemaakt.
Wat nu de feitelijke toestand in dit land is, werd door een uitspraak van de Raad van State van 19 december 2013 duidelijk weergegeven. In de door de Liga voor de Mensenrechten aangebrachte betwisting met betrekking tot de verruimde minnelijke schikking stelt de Raad van State enerzijds dat “deze zogenaamde minnelijke schikking aan de parketmagistraten de mogelijkheid biedt misdrijven op een buitengerechtelijke wijze af te handelen” en anderzijds dat het college van procureurs-generaal, dat samen met de justitieminister het strafrechtelijk beleid bepaalt, “tot de rechterlijke macht behoort”.
Door het “gedoe” over de afkoopwet is er in dit land dus een nieuwe rechterlijke macht ontstaan: de “buitengerechtelijke”. En deze bestaat uit parketmagistraten én de justitieminister. Bovendien volgt uit de feiten dat er ook een “buitenwetgevende macht” is gegroeid, die bij wijze van “omzendbrieven” aan regelgeving doet.
Deze ongrondwettelijke (lees uitzonderingsmacht) bestaat uit dezelfde personen als de “buitengerechtelijke”. Om het volledig te maken blijft wat deze nieuwe macht beslist ook “vertrouwelijk”: een vertrouwelijk “gouvernement” van de minister en zijn procureurs. Is dat niet veel gevaarlijker dan wat Bart De Wever “un gouvernement de juges” noemde?