Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

De onzekere mens zoekt houvast

6 augustus 2021 Koen Smets
intelligentie
(Gerd Altmann (Pixabay))

Ik deed die oefening in groep, gebruikmakend van synthetische, fotorealistische portretfoto’s. Er is weinig twijfel dat iemands gelaat geen betekenisvolle informatie bevat over de vraag of ze interesses met je delen, aangenaam gezelschap zouden zijn, of van welke andere eigenschap ook die voor een prettig gesprek van een halfuurtje zou kunnen zorgen. We mogen dus verwachten dat mensen geen voorkeur zouden uitdrukken.

Maar in mijn experiment gaf amper een op drie van de deelnemers dit antwoord. Sommige van de fictieve nieuwe collega’s bleken zelfs opmerkelijk populair, met eentje die voor bijna 40% de geprefereerde kandidaat was. Misschien waren hun voorkeuren niet zo uitgesproken (dat ging ik niet na), maar het feit op zich dat twee derden van de groep een voorkeur aangaf, geeft stof tot nadenken.

Een beetje kennis zal ons niet tegenhouden

Al weten we vaak heel weinig over mensen, dat weerhoudt ons niet allerlei te deduceren uit onze beperkte kennis. Zo kunnen eerste indrukken sterk overwegen in ons oordeel over iemand. Als we een elektricien nodig hebben, zullen we dan niet meer geneigd zijn diegene te contacteren wiens kraaknette bestelwagen we een week geleden zagen staan in een nabijgelegen straat, dan diegene wiens voertuig bedekt was in zo’n dikke laag stof dat een medelijdende voorbijganger er de bede aan de eigenaar had in geschreven: “Was mij AUB!” (met het laatste woord onderstreept)?

Hier zou je echter nog kunnen aanvoeren dat er een verband bestaat tussen de zorg die vaklui aan hun auto besteden en hoe goed ze hun job doen (al zouden supertoegewijde elektriciens misschien wel zóveel tijd aan hun klanten besteden dat ze geen tijd hebben om hun voertuig te wassen).

Zo hebben we de tendens makkelijk verbanden te leggen tussen geheel ongerelateerde karakteristieken. Een studie uit 1974 van psychologen David Landy en Harold Sigall stelde vast dat mensen de kwaliteit van een verhandeling hoger beoordeelden als de auteur er knap uitzag, dan wanneer hij of zij minder aantrekkelijk was, vooral wanneer de werkelijke, ‘objectieve’ kwaliteit van de tekst bedenkelijk was. Dit soort extrapolatie van één positieve eigenschap naar een andere wordt het halo-effect genoemd, voor ongunstige karakteristieken spreekt men van het hoorn-effect.

Uit onderzoek door cognitieve wetenschappers Nikolaas Oosterhof en Alexander Todorov bleek verder dat we eigenschappen als dominantie en betrouwbaarheid afleiden uit de gelaatstrekken van een persoon, en experimenten van psychologen Barry Schlenker en Mark Leary toonden aan dat, wanneer we geen informatie hebben over iemands werkelijke prestaties, we hun zelfvertrouwen als een teken van competentie zien.

Kopen we een tweedehandsauto of een verzekering van deze persoon?
Hoe we gelaatstrekken onbewust aan betrouwbaarheid koppelen. (Oosterhof & Todorov)

Die neiging om de ene karakteristiek te deduceren uit de andere is overigens niet beperkt tot mensen: we kunnen bijvoorbeeld een product beoordelen als hoogkwalitatief, ook al is het enige wat we erover weten dat het duurder is dan de alternatieven, of gemaakt is in Duitsland of Zwitserland en niet in Vietnam. Of we nemen aan dat een product ‘verser’ is omdat de overheersende kleur van de verpakking blauw is.

Een afkeer van onzekerheid

Onze drang om beperkte informatie te extrapoleren, ongeacht de relevantie of betrouwbaarheid ervan, om een beeld van iemand of iets te vervolledigen, is opmerkelijk. Als een onbekend persoon of voorwerp in de aanwezigheid wordt getoond van andere, bekende, personen of voorwerpen, dan zullen we zelfs veronderstellen dat ze markante eigenschappen gemeen hebben: een vreemde in het gezelschap van mensen waar we op gesteld zijn zullen we bijvoorbeeld meteen ook al sympathiek vinden (dit fenomeen wordt evaluatieve conditionering genoemd).

Waarom doen we dat zo vaak? In zekere zin is het onvermijdelijk: nogal wat eigenschappen, en vooral menselijke trekken, zijn moeilijk of zelfs bijna onmogelijk om direct te bepalen. We zoeken dus naar onmiskenbare tekens – een persoon met een verzorgd uiterlijk en dure kleren of juwelen is waarschijnlijk welvarend, iemand die verschijnt op een sollicitatiegesprek met een slechtgestrikte das en rouwranden aan de nagels is wellicht niet de meest perfectionistische kandidaat, en een opschrift waarmee een winkel verklaart reeds sedert 1965 een familiezaak te zijn op deze eigenste plaats betekent vermoedelijk dat we erop kunnen vertrouwen dat ze daar hun klanten niet bedriegen.

Het bureau van een wanordelijke geest?
Het bureau van een wanordelijke geest? (Koen Smets)

Een mogelijke reden is dat we het moeilijk hebben met onzekerheid. We houden niet van het onbekende. En dus vormen we, op basis van een foto, onmiddellijk een beeld over hoe intelligent, competent of betrouwbaar een vreemde is, en zelfs of ze goed gezelschap zijn voor een babbel. Dat streven naar zekerheid heeft ook deels te maken met ons zelfbeeld. In onze ogen is onzeker zijn een teken van zwakte. Ons – mogelijk ingebeeld – vermogen om correct eigenschappen te deduceren uit wat we waarnemen, verschaft ons vaardigheid en wijsheid: wij kunnen zelfzeker uit iemands gelaat afleiden dat hij of zij slim en toegewijd is, en dat deze tweedehandsauto wel degelijk een uitstekend koopje is.

Even toetsen is een goed idee

We maken zulke gevolgtrekkingen vaak zonder er veel aandacht aan te schenken, onbewust zelfs. En omdat het ons motief is zekerheid te verschaffen, bekijken we ze zelden met een kritisch oog. Psycholoog Jan de Houwer en collega’s aan Universiteit Gent ontwikkelden een conceptueel raamwerk om zulke inferenties te beschrijven en te analyseren, en dat kan ons hier van pas komen. Het verwijst naar de eigenschap die we veronderstellen als het ‘doel’ en de eigenschap waarop we ons baseren als de ‘bron’. Het raamwerk beschouwt ook verschillende bron- en doelobjecten, bijvoorbeeld wanneer we afleiden dat een oude man beslist rijk moet zijn, omdat hij vergezeld wordt door een aantrekkelijke jonge vrouw. Het resulterende 2x2-model laat ons toe na te gaan hoe we tot een conclusie zijn gekomen.

conceptueel raamwerk
Dit conceptuele raamwerk laat ons toe na te gaan hoe we tot een conclusie zijn gekomen. (gebaseerd op Jan de Houwer)

Stel dat we de kwaliteit beoordelen van een horloge dat we willen kopen. Is ons besluit gebaseerd op indicatoren die daadwerkelijk kwaliteit voorspellen, zoals het materiaal van de kast of het glas (cel a)? Leiden we de kwaliteit af uit eigenschappen als het design, de prijs of in het oog springende snufjes (cel b)? Of worden we misschien beïnvloed door de bekendheid die het draagt in een advertentie (cel d)? Een beter inzicht in de hoe-vraag maakt het makkelijker vervolgens de vraag te beantwoorden waarom we de conclusie trokken, en de geldigheid ervan te beoordelen.

Is het dan niet zo dat een onjuiste inferentie makkelijk kan worden aangepast wanneer we meer accurate informatie bekomen? Niet noodzakelijk. Recent onderzoek aan University College London suggereert dat we eerder bekomen informatie niet volledig buiten beschouwing laten wanneer die incorrect blijkt te zijn. Vandaar is het aangewezen verkeerde inferenties van bij het begin te vermijden.

Veel van wat we weten, of denken te weten, weten we door inferentie, eerder dan door directe toetsing van de feiten. Veel van die kennis is wellicht correct, maar niet alles. En sommige van die incorrecte gevolgtrekkingen kunnen ons duur te staan komen – onterecht iemand vertrouwen die er betrouwbaar uitzag, of een dure wasmachine kopen met een Duits klinkende naam, in de verkeerde veronderstelling dat ze daarom betrouwbaar zou zijn, bijvoorbeeld.

Zekerheid is moeilijk te bereiken, maar precies daarom is het wijs op zijn minst sommige van onze meer twijfelachtige inferenties kritisch te bekijken – zelfs als dat betekent dat we in de onzekerheid blijven.

LEES OOK