Vorige week werden in twee van de grootste democratieën van Europa parlementsverkiezingen gehouden. In het Verenigd Koninkrijk werd een overwinning van Labour voorspeld, en die kwam er ook. In Frankrijk slaagde het Rassemblement National er, tegen de verwachtingen van sommigen, niet in een volstrekte meerderheid te behalen, vooral vanwege een brede oproep om tactisch te stemmen.
In beide landen was er veel ongenoegen over de grote discrepantie tussen het stemmenaandeel van sommige partijen en hun overeenkomstige aandeel in de zetels. Is er dan iets mis met het verkiezingssysteem in deze landen?
Ontevreden kiezers
De kritiek kwam natuurlijk uit de hoek van de partijen die minder zetels behaalden dan een strikte evenredige verdeling volgens de stemmen zou hebben opgeleverd. In het VK waren er geen klachten van de Labourpartij, die een comfortabele absolute meerderheid behaalde – 411 zetels van de 650, of 63% – met slechts 34% van de stemmen, noch van de Liberaal-Democraten, die met 12% van de stemmen 72 zetels behaalden (11%). Maar Reform, voorheen de Brexit Party, kreeg slechts vijf zetels (minder dan 1%) met 14% van de stemmen.
In Frankrijk eindigde de linkse alliantie Nouveau Front Populaire (NFP) met 180 van de 577 zetels (31%) met 26% van de stemmen, en de centristische alliantie Ensemble van president Macron kreeg 159 zetels (28%) met 25% van de stemmen, terwijl het populistische rechtse Rassemblement National (RN) en hun bondgenoten (afvalligen van Les Républicains) slechts 142 zetels (25%) behaalden met 37% van de stemmen.
De verschillen zijn inherent aan het systeem van kiesdistricten met één verkozene, dat in beide landen wordt gebruikt. Elk district kiest één kandidaat, die slechts een pluraliteit van de stemmen nodig heeft, namelijk meer stemmen dan elke andere kandidaat (ook bekend als first-past-the-post). In een race met drie kandidaten kan dat betekenen dat slechts 1/3 + 1 volstaat; nog minder als er meer kandidaten zijn.
(In Frankrijk, waar een tweerondensysteem wordt gehanteerd, kunnen alleen de twee eerstgeplaatste kandidaten plus kandidaten met meer dan 12,5% van de stemmen deelnemen aan de tweede ronde. Technisch kunnen dit maximaal acht kandidaten zijn, maar in de praktijk zijn het er meestal maar twee of drie).
Dit kan gemakkelijk worden geïnterpreteerd alsof elke stem voor een kandidaat die uiteindelijk verliest een stem is die "niet meetelt". Dat is echter onjuist: elke stem voor een kandidaat verhoogt de drempel om te worden verkozen voor de andere kandidaten met één. En hoewel er begrip kan zijn voor het gevoel van oneerlijkheid wanneer het totale aantal zetels voor iemands geprefereerde partij over alle kiesdistricten aanzienlijk lager is dan het stemmenpercentage aangeeft, is het niet ondemocratisch.
In 2011 werd in het Verenigd Koninkrijk overigens een referendum gehouden om het systeem van first-past-the-post af te schaffen en te vervangen door een van meer evenredige vertegenwoordiging (EV). Daar was op aangestuurd door de Liberaal Democratische Partij (die destijds deel uitmaakte van een coalitieregering met de Conservatieven).
Die stond namelijk sterk in het zuidwesten van Engeland, maar kwam elders zelden aan de bak, en eindigde vaak met een zetelaandeel in het parlement dat een stuk onder hun totale stemaandeel lag. Maar de kiezers verwierpen het voorstel met een meerderheid van meer dan twee derde, wat suggereert dat de bevolking in het algemeen best tevreden is met het status quo.
De kritiek op het kiesstelsel is dus eerder een geval van slechte verliezers dan van een fundamentele democratische fout. Kiesdistricten met één verkozene bieden immers een sterke stem aan lokale gemeenschappen die ontevreden zijn over kandidaten van nationale partijen: deze keer werden in het VK zes onafhankelijke kandidaten verkozen.
Zo kreeg Ayoub Kahn iets meer dan 13.000 stemmen in het kiesdistrict Birmingham Perry Barr, 600 meer dan de Labour-kandidaat op de tweede plaats, waardoor hij een zetel won (0,15% van het totaal) met minder dan 0,05% van de totale stemmen. Dit had niet gekund in een evenredig kiessysteem.
Meer dan andere kiesstelsels maken kiesdistricten met één vertegenwoordiger ook tactisch stemmen tegen de partij die aan de leiding gaat gemakkelijk. Intrigerend genoeg kan dit worden gezien als een vorm van het alternative-votesysteem: in plaats van te stemmen op je eerste voorkeur en een tweede voorkeur aan te geven voor het geval je voorkeurkandidaat wordt uitgeschakeld, stem je direct op je tweede voorkeurkandidaat, als die een betere kans maakt om de ongewenste kandidaat te verslaan.
In het Verenigd Koninkrijk verloren verschillende conservatieve kandidaten hun zetel als gevolg van zo’n tactisch stemmen. In Frankrijk trokken meer dan 200 kandidaten van de NFP en Ensemble die als derde eindigden in de eerste ronde zich terug om de als tweede geplaatste kandidaat de kans te geven de eerstgeplaatste RN-kandidaat te verslaan.
Natuurlijk zijn aanhangers van de partijen die het slachtoffer zijn van dergelijke tactische stemmingen daar niet gelukkig mee, maar nogmaals, dit is geen fout maar een kenmerk van democratie.
Samen beslissen is moeilijk
Stemmen mag dan een individuele beslissing zijn, verkiezingen zelf zijn een voorbeeld van collectieve besluitvorming over welk beleid er zal worden gevoerd, waarvoor individuele stemmen de input vormen. Maar wat betekent die input precies? Wat willen we echt dat er gebeurt door op een kandidaat of partij te stemmen?
Strikt genomen heeft onze stem alleen invloed op wie er in het parlement wordt gekozen – direct in kiesdistricten met één vertegenwoordiger, en indirect in EV-systemen. Vaak is er echter heel wat meer dat we willen uitdrukken. We willen misschien aangeven wie voor ons premier moet worden (of net niet), of dat we het (on)eens zijn met specifieke programmapunten. Of mogelijk zijn we er gewoon op uit de zittende regeringspartijen af te straffen.
Dit en nog veel meer kan de volledige betekenis zijn die we aan onze stem geven – maar niemand zal, of zelfs kan, daar rekening mee houden: elke stem wordt op precies dezelfde manier behandeld. Dit is beslist nog iets wat kan leiden tot ontevreden kiezers, vooral als waar ze op hoopten niet gebeurde.
Maar het vormt ook een fundamenteler probleem met het besluitvormingsproces zelf. De manier waarop de voorkeuren van de kiezers worden vertaald in regeringsbeleid is van meet af aan verre van duidelijk. In theorie zou in een systeem met één vertegenwoordiger per district de partij die een algemene meerderheid behaalt gewoon haar programma kunnen uitvoeren.
Zo eenvoudig is het echter zelden – er zijn veel manieren waarop prioriteit kan worden gegeven aan elementen van het partijprogramma of waarop ze kunnen worden geïmplementeerd, en hierover hebben de kiezers niets te zeggen. In een proportioneel systeem moeten dan weer coalities worden gevormd, waardoor het regeringsprogramma onvermijdelijk een lappendeken wordt van uiteenlopende partijprogrammapunten – wederom iets waarop de kiezers geen invloed hebben.
Dit wordt nog erger wanneer, zoals wel vaker gebeurt, een of meer kleinere partijen nodig zijn om een parlementaire meerderheid te vormen. Die worden dan de "koningmaker", die hoge eisen kan stellen voor hun steun. De kiezers van zulke kleine partijen kunnen dan tenminste blij zijn met de buitenmaatse invloed.
De "wil van het volk" is niet gemakkelijk (en misschien technisch onmogelijk) te distilleren uit de wil van elke individuele burger. Elke kiezer heeft zijn of haar eigen prioriteiten, zou verschillende afwegingen maken, en heeft andere grenzen, die allemaal onmogelijk kunnen worden uitgedrukt in een enkele stem voor een enkele kandidaat of partij.
Integendeel, hun stem wordt in feite simplistisch geïnterpreteerd als "ik wil dat deze kandidaat en deze partij mij regeren, en ik ben het eens met alles wat de kandidaat zal doen en met alles in het partijprogramma". Er is wellicht geen enkele kiezer met zo’n dogmatisch standpunt.
Dit betekent dat partijen het beleid dat ze voorstellen goed moeten afwegen en moeten navigeren langsheen de grenzen van het onaanvaardbare en het essentiële van het electoraat, zodat ze niet te veel compromissen sluiten (en zo de steun van de doctrinaire hardliners verliezen) en tegelijkertijd vermijden te compromisloos te zijn (omdat ze anders de steun van de gematigden verliezen).
Dit geldt zowel voor first-past-the-postsystemen, waar het belangrijk is om én de onbesliste kiezer én de trouwe aanhangers aan te spreken, als voor EV-systemen, waar het de sleutel is die de deur opent voor compromissen in coalities.
Democratie klinkt geweldig in theorie, maar is in de praktijk onvolmaakt, zowel in hoe de demos, het volk, wordt vertegenwoordigd als in hoe rekening wordt gehouden met zijn wensen, en hoe die in beleid worden omgezet.
Er is veel terechte kritiek op onze diverse vormen van democratie, en hoe ze tekortschieten om mensen te geven wat ze willen. Maar tegelijkertijd zijn het ook mensen die er desondanks grotendeels in slagen om de democratie op de een of andere manier toch te laten werken.
Dit zou geen verrassing moeten zijn, aangezien verkiezingen uiteindelijk collectieve beslissingen zijn. Er bestaat immers niet zoiets als een perfecte beslissing (zeker niet als het een collectieve beslissing is). En toch slagen we er meestal in ze te laten werken.