De verkozen Amerikaanse president is druk bezig met het selecteren van de leden van zijn regering en het minste wat we kunnen zeggen, is dat hij de controverse niet schuwt. De polarisatie die we zien in de reacties op veel van de kandidaten is best wel intrigerend: ze zijn uitstekend voor sommigen en verschrikkelijk voor anderen, met nauwelijks een middenweg.
We zouden dit kunnen toeschrijven aan partijgebondenheid – Republikeinse kiezers die iedereen die naar voren wordt geschoven onvoorwaardelijk goedkeuren, terwijl Democratische kiezers hen even onvoorwaardelijk afwijzen. Maar is het wel zo eenvoudig?
Het draait om de doelen
Stel, je wil een vakman (m/v) inhuren om een klus in je huis te doen. Je vraagt rond bij buren en vrienden in je omgeving of zij misschien een goede behanger, loodgieter of elektricien kennen. Noteer het woord "goed ” – we gebruiken het ondubbelzinnig en zelfs op een binaire manier. De mensen die je om een aanbeveling vraagt, zullen zich niet eens afvragen hoe je dat precies bedoelt – ze zullen intuïtief aannemen dat ze dat wel weten (en nog gelijk hebben ook!).
Maar hoe zij (net als jij) bepalen wat een goede vakman is, lijkt maar weinig op het analytische proces waarmee organisaties doorgaans kandidaten werven op alle organisatieniveaus, tot aan de hoogste positie toe. Daar gebruikt men doorgaans een collectie gewogen criteria waarmee sollicitanten worden geëvalueerd, en die uiteindelijk de selectie bepalen.
Voor vakmensen hebben we soortgelijke criteria: technische vaardigheden, zeker, maar ook eigenschappen als stiptheid, aandacht voor detail, netheid, toewijding enzovoort. Je kunt zelfs een vriendelijk karakter of goede manieren waarderen (geen sigarettenpeuken bij de achterdeur achterlaten na een rookpauze, de wc doortrekken!) Maar of ze “goed” zijn, bepalen we op een veel idiosyncratischere manier dan een organisatorisch hr-proces.
Een meer realistische manier om te vatten hoe we nagaan wie een goede vakman is en wie niet baseert zich op onze doelen - zowel onze benaderingsdoelen (waar we naar streven) als onze vermijdingsdoelen (wat we proberen te voorkomen). De eerste soort heeft een conceptuele drempel die een optie moet overschrijden om in aanmerking te komen, de tweede een vloer waar een optie niet onder mag gaan. Meestal beginnen we met evalueren vanuit een doel dat voor ons bijzonder belangrijk is.
Als het gaat om het selecteren van iemand om ons huis op te knappen, zullen de doelen van de meeste mensen vrij goed overeenkomen, ook al kan hun relatieve belang van de ene buurman tot de andere vriend wel wat verschillen. Je kunt de verschillende aanbevelingen die je krijgt misschien niet zo makkelijk rangschikken, maar tenzij jouw verwachtingen en normen radicaal verschillen van die van je netwerk, kun je er redelijk op vertrouwen dat een schilder die door het echtpaar aan de overkant van de straat als “goed” wordt beschouwd, ook voor jou wel zal voldoen.
Bij het beoordelen van politieke benoemingen – mensen die ingrijpende beleidsbeslissingen zullen nemen die ons intens kunnen beïnvloeden – komt er echter wat meer kijken. Om te beginnen hechten we niet alleen belang aan de mate waarin de persoon past bij onze doelen, maar ook bij onze waarden.
We hebben ook vaak al vooraf een idee of de persoon een “goede” is of niet, alleen al door zijn politieke kleur (“onze” kant sluit immers inherent beter aan bij onze doelen en waarden dan de oppositie). Maar niet iedereen is hyperpartijgebonden en wij zijn zelf uiteraard wat ruimdenkender dan dat. We beschouwen dus in meer detail de eigenschappen van de kandidaten.
Sommige kenmerken zijn, net als die van de vakmensen, eerder objectief en gemakkelijk te rangschikken op een schaal – bekwaamheid, ervaring, domeinkennis, politiek inzicht, onderhandelingsvaardigheden enzovoort. Deze vertellen ons iets over hun vermogen om onze doelen te dienen. Maar andere zijn veeleer subjectief: wat is hun visie, wat zijn hun prioriteiten en voorgestelde beleid, zijn ze eerlijke, betrouwbare, ethische actoren?
Gepolariseerd redeneren
Subjectiviteit is echter niet de basisreden voor de diepe polarisatie in het oordeel over de benoemingen. Die is veel meer het gevolg van hoe we redeneren over hoe hun eigenschappen onze doelen en waarden ondersteunen. We hebben de neiging om ons vast te klampen aan de sterkste overeenkomst (of divergentie) met onze eigen verlangens, en vervolgens de zwakkere divergenties (of overeenkomsten) te negeren of zelfs helemaal op te geven.
Beeld je een hypothetische kandidaat in voor de post van minister voor Volksgezondheid en Sociale Zaken. Enerzijds heeft hij verklaard de kosten van medicijnen te willen verlagen door de grote farmaceutische bedrijven onder druk te zetten, en de inefficiënte bureaucratie van de Food and Drugs Administration (FDA) te ontmantelen.
Anderzijds is hij een prominent vaccinscepticus en heeft hij in zijn persoonlijke leven een twijfelachtig moreel oordeel getoond. Iemand die vindt dat het aanpakken van Big Pharma en het opruimen van overbevolkte overheidsinstellingen topprioriteiten zijn, kan daarnaast heel goed geloven in de doelmatigheid van vaccinatieprogramma's, en de moraal van de kandidaat verwerpelijk vinden.
Maar de overeenkomst met het belangrijkste doel maakt van de kandidaat een “goede”, en dankzij een beetje gemotiveerd redeneren worden de minder belangrijke discrepanties gemakkelijk afgedaan als amper relevant.
Omgekeerd kan iemand voor wie een gezondheidsminister die zich beroept op al lang ontkrachte frauduleuze studies om de veiligheid van vaccins in twijfel te trekken, en wiens persoonlijke leven bezoedeld is door een dubieuze moraal, onaanvaardbaar is, ook best vinden dat de prijsbepalende macht van geneesmiddelenproducenten moet worden teruggedrongen en dat de FDA wat slanker kan.
Maar de divergentie met de belangrijkste eisen brandmerkt de kandidaat als een “slechte”, en ook hier zal een scheut gemotiveerd redeneren ervoor zorgen dat deze minder belangrijke overeenkomsten als onbelangrijk worden beschouwd. Beide perspectieven hebben dezelfde benaderingsdoelen (lagere medicijnprijzen en minder bureaucratie) en vermijdingsdoelen (geen antivaxxer met twijfelachtige moraal), en toch is de kandidaat een “goede” vanuit het ene perspectief en een “slechte” vanuit het andere. Hoe komt dat?
Er is een Engelse uitdrukking, the curate’s egg (het ei van de kapelaan), die zijn oorsprong vindt in een oude cartoon waarin een jonge priester is uitgenodigd voor een ontbijt met de bisschop. Die merkt op dat zijn gast een bedorven ei heeft gekregen, waarop de jonge geestelijke, die niet als verwaand wil overkomen, antwoordt: “O nee, monseigneur, ik verzeker u dat delen ervan excellent zijn!”.
Zo’n kapelanenei is een ei dat “gedeeltelijk goed” is. Wij zijn bijna letterlijk kapelanenmensen. Mensen zijn complex, met talloze facetten die variëren in hun belang voor ons, en waarvan sommige met onze doelen en waarden overeenstemmen, en andere ertegenin gaan. Niemand is helemaal goed of slecht, maar afkerig van ambiguïteit en ambivalentie als we zijn, delen we mensen instinctief in een van deze twee categorieën in.
Als we dat eenmaal gedaan hebben, zijn we zeer selectief in het kiezen van de specifieke kenmerken die we meenemen in onze evaluatie, en schuiven we moeiteloos alles terzijde dat ons tot meer nuance zou aanzetten.
Het is niet verrassend dat dit kan leiden tot extreme polarisatie als het gaat om het beoordelen van politieke benoemingen. Zulke binaire, onvoorwaardelijke goed/slecht-oordelen stellen ons bloot aan gerechtvaardigde kritiek van vooringenomenheid, hypocrisie en selectieve blindheid – geen van alle tekenen van degelijk kritisch denken en redeneren.
Het verleidt ons ook tot het categoriseren van degenen die een benoeming steunen of afwijzen op basis van wat ze negeren in hun redenering. Er wordt wel eens gezegd dat Benito Mussolini er in de jaren 30 voor zorgde dat de treinen op tijd reden.
Dat is niet zo, maar stel je iemand voor die in die tijd zo bezorgd was over het gebrek aan punctualiteit van de spoorwegen, dat hij Il Duce steunde op basis van die bewering. Dat hoeft nog niet te betekenen dat hij of zij een fascist is, net zomin als zou betekenen dat wie rijdt met een Tesla het eens is met alles wat de CEO van het bedrijf dat de auto maakte, zegt of doet.
Over het algemeen is deze neiging om ons vast te klampen aan een belangrijk kenmerk van een persoon die een belangrijke rol speelt in ons leven, en hem of haar te beoordelen op basis van hoe dat past bij onze belangrijkste doelen en waarden, nochtans niet zo'n slechte zaak. Als iemand daar slecht mee overeenkomt, doen we er goed aan om op onze hoede te blijven en ons vooral niet te laten inpakken door kleine positieve kenmerken.
En als jij en een bijzonder iemand eenmaal hebben besloten dat jullie de rest van je leven met elkaar zullen doorbrengen, dan is het in jullie beider belang dat je niet op zoek gaat naar elkaars schaduwkanten en wijselijk diegene die je bemerkt, negeert.
Maar dat betekent niet dat we dit standpunt altijd moeten innemen. Terwijl binaire oordelen ons goed van pas komen in veel alledaagse situaties, vraagt het politieke discours om genuanceerder denken. We kunnen ervoor kiezen om te erkennen dat mensen, net als het ei van de kapelaan, altijd deels goed en deels slecht zijn.
Bij het beoordelen van politieke benoemingen kunnen we er baat bij hebben om bewust afstand te nemen van onze initiële indeling in “goeden” en “slechten” en te erkennen dat degenen die prioriteit geven aan andere doelen dan wijzelf niet noodzakelijk misleid zijn – ze richten zich enkel op andere facetten van dezelfde, complexe werkelijkheid.