Goede besluitvorming wordt algemeen beschouwd als gebaseerd op evidentie – tenminste, de naam van de cursus die ik het genoegen en de eer heb twee keer per jaar te mogen doceren draagt toch een titel die het belang hiervan benadrukt. Hoewel de rol van evidentie misschien wel evident (!) lijkt, blijkt dat we die niet altijd als zodanig erkennen in onze besluitvorming.
De nadruk die wordt gelegd op bewijsmateriaal – op feiten, dus – voor goede besluitvorming komt voornamelijk voort uit het feit dat het soms wat wordt verwaarloosd. Met andere woorden, meer aandacht voor feiten en evidentie zou moeten leiden tot betere besluitvorming.
Dat wil niet zeggen dat we de kwaliteit van besluitvorming kunnen afleiden enkel uit de gemaakte keuze. Eén reden hiervoor is dat verschillende mensen verschillende voorkeuren hebben. Welk bewijsmateriaal van belang is voor een beslissing, en hoe, dat hangt af van de beslisser. Een koppel dat op zoek is naar een voertuig om zichzelf en hun drie kinderen in te vervoeren, zal aandacht hebben voor andere gegevens, en zal deze anders interpreteren dan iemand die een sportieve tweezitter op het oog heeft.
Een goede keuze voor de een zou compleet verkeerd zijn voor de ander. Ten tweede speelt onzekerheid vaak een rol in de besluitvorming. Beslissen om een dagje uit te gaan met het gezin wanneer de weersvoorspelling 10% kans op regen geeft, is een verstandige keuze die goed gebruik maakt van de feiten – zelfs als het achteraf blijkt te regenen.
Maar gelden deze complicaties ook als het gaat om morele beslissingen? We verwachten dat moraliteit universeel is – ze geldt voor iedereen op dezelfde manier, en is niet onderhevig aan individuele voorkeuren of vooroordelen. Iets kan niet tegelijkertijd moreel goed en moreel fout zijn.
Betekent dat dan dat er een objectieve, feitelijke basis moet zijn voor morele beslissingen en conclusies? Laten we dat eens testen met nog maar eens een fragment uit mijn favoriete langlopende BBC-radiosoap, The Archers. De scriptschrijvers van deze serie zijn vaak erg goed in het maken van complexe morele configuraties, en hier lijken ze zichzelf te overtreffen.
Een complexe morele schets
Wat zijn de materiële feiten? Op een zondagmiddag koopt Alice, een jonge moeder en een herstellende alcoholist, een fles gin in de dorpswinkel. Later op de avond ontdekt George, een 19-jarige jongeman uit het dorp, Alice bewusteloos in haar auto, nadat ze de hele fles had opgedronken. Hij besluit haar naar huis te rijden, en nadat hij een boodschap voor zijn vader had ingesproken waarin hij uitlegt waarom hij iets later thuis zal zijn dan verwacht, zet hij haar op de passagiersstoel en ontdekt hij de sleutels in het dashboardkastje.
Wanneer de auto de brug over de rivier Am (waaraan het dorp zijn naam, Ambridge, ontleent) nadert, voelt Alice zich misselijk worden en ze probeert haar portier te openen. Hierdoor afgeleid wijkt George uit, waardoor een tegemoetkomende auto in het water terechtkomt. George stopt, belt de hulpdiensten en gaat meteen het water in om de inzittenden te helpen.
Even later nadert er nog een auto met daarin Alistair, de plaatselijke dierenarts, en Denise, zijn assistente. Ze stoppen en helpen George de inzittenden van de getroffen auto naar de oever te brengen. Hij weet twee mensen te redden, een echtpaar van middelbare leeftijd uit het dorp. Joy is in shock, maar Mick lijkt in orde, totdat hij zich realiseert dat een derde inzittende, Fallon, ontbreekt. Ze zit vast op de achterbank van de auto en krijgt de deur niet open.
George gaat het water weer in en slaagt erin haar te bevrijden en op het droge te brengen, onder de hoede van Alistair en Denise. Als de sirenes van de hulpdiensten naderen, verdwijnt George plots naar de verderop geparkeerde auto van Alice en sleept haar terug op de bestuurdersstoel, terwijl hij hardop zegt: "Het spijt me, Alice, ik weet niet wat ik anders moet doen".
Wat gebeurde er daarna? George, die in het dorp niet echt de beste reputatie genoot, wordt nu door iedereen als held onthaald. Hij bemachtigt de telefoon van zijn vader en slaagt erin het bericht te wissen dat zijn vader nog niet had beluisterd. Alice wordt gearresteerd en, weer nuchter, is ze geschokt dat ze toch is weggereden, ondanks dat ze haar autosleutels in het handschoenkastje had gelegd om te voorkomen dat ze zou gaan rijden.
Alistair en Denise waren op weg naar een hotel om hun eerste nacht samen door te brengen (hij is gescheiden, haar huwelijk is al een tijdje op de klippen aan het lopen en de wederzijdse aard van hun gevoelens voor de ander is pas onlangs gebleken). Maar om het wat ingewikkelder te maken, vraagt Paul – de zoon van Denise die ook in de dierenartsenpraktijk werkt – de volgende avond in de pub onschuldig waarom zijn baas en zijn moeder laat op een zondag nog samen op pad waren.
Alistair verzint klungelig een ietwat ongeloofwaardig verhaal over een fictieve oproep (met onverwachte steun van Mick, die doorheeft wat er gaande is tussen Alistair en Denise), waarbij een fictief schaap in nood betrokken is en een fictief medicijn wordt toegediend om het te kalmeren. Helaas staat Paul, wiens taak het is om het papierwerk van de praktijk bij te houden, erop om de interventie, het medicijn enzovoort netjes op te tekenen, waardoor Alistair gedwongen wordt om steeds ingewikkelder leugens te verzinnen.
Uit de routinetests die Fallon de nacht van het ongeluk heeft ondergaan, blijkt dat ze zwanger is. Fallon heeft echter een spiraaltje en wil geen kinderen – zoals ze haar man Harrison duidelijk had gemaakt voordat ze trouwden. Desondanks is Harrison (die heel graag vader had willen zijn) dolblij met het nieuws en lijkt hij zich niets aan te trekken van Fallons kommer en kwel.
Zijn vreugde is echter van korte duur, want bij de echografie een paar dagen later wordt geen hartslag waargenomen. Hij geeft Alice de schuld van het "verlies van zijn baby" en is geschokt door Fallons onverschilligheid tegenover de situatie. Alice en – wanneer dit nieuws zich verspreidt in het dorp – George worden gekweld door schuldgevoelens, waarbij Alice opnieuw haar troost zoekt in alcohol.
Gevoelens aan de basis
Is het mogelijk om op basis van deze feiten een definitief, absoluut oordeel te vellen over de handelingen van de spelers? Op het eerste gezicht lijkt het gemakkelijk om het bedrog van George te veroordelen en bijna net zo gemakkelijk om dat van Alistair te hekelen – misschien omdat we de relatie tussen hem en Denise afkeuren.
Wat moeten we denken van Harrisons reacties toen Fallon eerst zwanger was, en daarna niet meer? Had hij zijn eigen, oprechte gevoelens moeten onderdrukken, omdat hij en Fallon hadden afgesproken nooit kinderen te krijgen en hij wist hoe belangrijk dat voor haar was? Of had hij integendeel het recht om zijn gevoelens te uiten, eerst van blijdschap en daarna van wanhoop, zelfs als hij zo die van haar negeerde? Hoe zit het met Mick, die duidelijk loog toen hij beweerde de fictieve oproep naar Alistair te hebben geplaatst? Is liegen niet gewoon immoreel?
Misschien kan het beschouwen van de gevolgen ons helpen. Zonder het ongeluk zou dit immers allemaal niet gebeurd zijn – wie is dus moreel verantwoordelijk voor het ongeluk? Alice wilde helemaal niet rijden en het was George die achter het stuur zat. Maar het was wel Alice die George op het kritieke moment afleidde. Zou het dan rechtvaardig zijn als George – wiens motieven en bedoelingen volledig zuiver waren – de schuld zou krijgen? De feiten volstaan niet om deze vragen te beantwoorden.
Wanneer het makkelijk lijkt een moreel oordeel te vormen over een handeling, dan is dat vaak omdat we ofwel gemakkelijk bekende, simpele morele regels kunnen vinden die duidelijk geschonden werden, of omdat we gemakkelijk de negatieve, schadelijke gevolgen kunnen aanwijzen. Dat zijn duidelijke, ondubbelzinnige feiten.
Maar morele regels zijn vaak met elkaar in strijd – je kunt een vriend steunen en daarvoor liegen, of niet liegen en een vriend in de steek laten. En gevolgen hebben niet alleen vaak meerdere oorzaken, waarbij het onmogelijk is om ondubbelzinnig de verantwoordelijkheid toe te wijzen, maar zijn ook vaak een complexe mix van gunstige en schadelijke uitkomsten.
Bij het oplossen van de conflicten tussen morele regels en tussen voordelige en nadelige gevolgen komen dan gevoelens kijken, niet alleen kille, berekende logica. Wanneer we morele situaties beoordelen, ervaren we emoties – vaak een hele reeks – die deze conflicten belichamen. Deze emoties zijn geworteld in onze morele intuïties, onze subjectieve ervaringen en wellicht zelfs in onze geëvolueerde neurologische bedrading.
Zij zijn de ultieme bron die ons informeert over wat goed en fout is. Moreel redeneren volgt later pas – zoals Hugo Mercier en Dan Sperber stellen is de functie van redeneren "het bedenken en evalueren van argumenten die bedoeld zijn om te overtuigen", niet "het verbeteren van kennis en het nemen van betere beslissingen". We redeneren om anderen, en onszelf, ervan te overtuigen dat wat we voelen juist is.
Goed en fout is vooral een kwestie van gevoelens, en beslist niet van feiten alleen.