De term ‘economie’ wordt niet altijd even precies gebruikt. Voor sommigen gaat het om winst maken (ten koste van iemand anders), voor anderen om het faciliteren van handel (bijvoorbeeld door middel van vrije markten). Maar in essentie is het de studie van de toewijzing van schaarse middelen.
Mocht al wat we nodig hebben en willen beschikbaar zijn in overvloed, dan zou economie zelfs niet bestaan, maar het overgrote deel van wat we nodig hebben, is schaars en vereist offers om het te verkrijgen. We zetten onze beperkte tijd en energie om in geld door te werken, en we ruilen dat schaarse geld voor zaken als voeding (die we omzetten in energie), en behoeften en wensen zoals veiligheid (een fatsoenlijk dak boven ons hoofd) en amusement (Netflix).
Wanneer hulpbronnen schaars zijn, wordt floreren dan een kwestie van twee dingen: effectief zijn in het verkrijgen ervan, en efficiënt zijn in het consumeren ervan. Hoe beter we onze beschikbare tijd en energie besteden, hoe meer geld we hebben, en hoe minder tijd, energie en geld we verspillen, hoe meer we hebben om te spenderen aan wat we nodig hebben en willen.
Dat is waar het uiteindelijk over gaat in de economie. Maar zijn wij mensen de enigen die zich bekommeren om schaarse middelen?
In den beginne waren er opportuniteitskosten
Laten we onze blik richten op de allereerste levensvormen: bacteriën. Deze eencellige organismen ontstonden ongeveer 3,5 miljard jaar geleden, en diegenen die relatief beter waren in het gebruik van een beperkte hulpbron (energie) om ervoor te zorgen dat ze overleefden, bloeiden en hun genen doorgaven, domineerden al snel het speelveld.
Om te functioneren en te groeien (naar de volgende celdeling toe), moeten bacteriën eiwitten synthetiseren met behulp van moleculaire machines (ribosomen genoemd) die elk verschillende soorten eiwitten kunnen produceren. Sommige eiwitten breken voedingsstoffen (koolstof) af tot energie en bouwstenen, andere bouwen aminozuren (uit stikstof) en weer andere dienen om meer ribosomen te maken.
Deze zijn beperkt in aantal en kunnen maar één soort eiwit tegelijk produceren – een perfect voorbeeld van een schaars goed. Escherichia Coli bacteriën (E. Coli voor de vrienden) passen de ‘mix’ van eiwitten die ze produceren aan hun omgeving aan: als koolstof schaars is, verhogen ze de productie van eiwitten die worden gebruikt om voedingsstoffen af te breken om maximaal gebruik te kunnen maken van het beschikbare ingrediënt.
Wanneer stikstof beperkt beschikbaar is, geven ze de voorkeur aan de synthese van eiwitten die worden gebruikt voor de productie van aminozuren. De cel orkestreert effectief haar eiwitsynthese door de beperkte productiemiddelen zo toe te wijzen dat rekening wordt gehouden met de opportuniteitskosten van het niet investeren in alternatieve eiwitsoorten – net zoals een snoepfabriek dat vandaag de dag doet aan de productielijn.
Springen we een paar miljard jaar vooruit, dan vinden we symbiotische systemen, zoals algen die op en in koralen leven. Door middel van fotosynthese combineren algen de energie van zonlicht met kooldioxide tot chemische energie (in de vorm van koolhydraten), waarvan ze een deel doorgeven aan het koraal.
Dit voorziet het koraal van een aanzienlijk deel van zijn energie- en koolstofbehoefte om te groeien, zichzelf te herstellen en andere levensprocessen zoals voortplanting uit te voeren, vooral als het omringende water arm is aan voedingsstoffen. In ruil daarvoor biedt het koraal de algen de bescherming van zijn eigen weefsel en anorganische voedingsstoffen, bijvoorbeeld het ammonium dat het uitscheidt, een belangrijke bron van stikstof voor de algen.
Beide partijen profiteren van de handel in specifieke hulpbronnen die ze elk efficiënt kunnen produceren, ook in moeilijke omgevingen. Het resultaat is een gezamenlijk vermogen om te voldoen aan de vraag naar energie, groei en het bouwen van riffen dat de capaciteit van de individuele partners te boven gaat.
Er is een duidelijke parallel met een economische uitwisseling die een aanzienlijk economisch overschot genereert, weerspiegeld in de toegenomen biomassa van beide partijen.
Wil je het nog meer gesofisticeerd? Wat dacht je van zogenaamde mycorrhizale netwerken – een opmerkelijk fenomeen, ontdekt door de Canadese bosecoloog Suzanne Simard. Die verbinden individuele bomen met elkaar via een ondergronds netwerk van zwammen (de naam komt van het Griekse mýkēs, zwam, en rhíza, wortel), met een meer dan oppervlakkige gelijkenis met neurale netwerken in de hersenen, of zelfs het internet (ze werden later het Wood Wide Web genoemd).
Ook hier leveren bomen door fotosynthese gevormde koolstofverbindingen, terwijl de zwammen voor water en voedingsstoffen zoals stikstof en fosfor zorgen. Maar door de verschillende verbindingen lijken zowel bomen als zwammen te onderhandelen om de beste leveranciers te bepalen, net zoals inkopers en verkopers dat doen in de zakenwereld. Markten, 400 miljoen jaar geleden al – de natuur was er het eerst bij.
Economische animale geesten
Als dit is waar micro-organismen, zwammen, planten en eenvoudige ongewervelde dieren toe in staat zijn, wat mogen we dan van complexere dieren verwachten? In 1971 was bioloog en entomoloog E.O. Wilson een van de eersten die eusocialiteit – het hoogste niveau van sociale organisatie – bij insecten bestudeerde en beschreef in Insect Societies.
Heel wat kuddediersoorten vertonen een zekere mate van socialisatie: er wordt samengewerkt bij het jagen, of hulpbronnen worden gedeeld. Met de evidente uitzondering van aparte rollen voor vrouwtjes en mannetjes, en soms een leiderschapsrol voor een enkel individu in een groep, zorgt elk individu echter nog steeds zelf voor al wat het nodig heeft om te overleven, te bloeien en zich voort te planten.
Bij insecten zoals bijen, wespen en mieren daarentegen evolueerde er een echt systeem van arbeidsverdeling. Verschillende ‘kasten’ vervullen gespecialiseerde rollen die collectief het voortbestaan van de kolonie ondersteunen en ervoor zorgen dat deze zo efficiënt mogelijk functioneert. Bij alle eusociale soorten is er een duidelijke scheiding tussen degenen die zich bezighouden met voortplanting (broeden en zorg voor de nakomelingen) en degenen die hen ondersteunen (bevoorrading, verdediging, onderhoud en bouw).
De vroege mens zal zich ook wel tot op zekere hoogte hebben gespecialiseerd, bijvoorbeeld tussen voedselvoorziening, werktuigen maken of pottenbakken, maar het was pas in het midden van de zeventiende eeuw dat het concept echt aan kracht begon te winnen, met als hoogtepunt Adam Smith's An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations in 1776, al was dat zo’n 300 miljoen jaar nadat de evolutie ermee op de proppen kwam.
Het is geen verrassing dat naarmate de soorten dichter bij de mens komen, hun gedrag ook meer gesofisticeerd wordt. Onderzoekers zoals Ronald Noë en Peter Hammerstein, en natuurlijk Frans de Waal, hebben uitgebreid het complexe marktgedrag bij primaten gedocumenteerd.
Verzorging wordt algemeen beschouwd als een valuta die kan worden geruild voor voordelen variërend van toegang tot voedsel en sociale banden met hoger geplaatste individuen, tot coalitieondersteuning en paringskansen. Dit creëert een omgeving waarin de wisselkoers van een ‘eenheid’ verzorging zich kan aanpassen aan de kenmerken van de ‘economie’.
Hooggeplaatste individuen kunnen meer verzorging vragen in ruil voor hun steun wanneer er maar weinig zijn, waardoor de prijzen stijgen, terwijl concurrentie tussen potentiële partners dan weer de prijzen laat dalen naar een evenwicht. Studies hebben ook aangetoond dat primaten de duur van verzorging bijhouden, en hun serviceniveau aanpassen aan wat ze in ruil verwachten terug te krijgen op basis van eerdere transacties. Een indrukwekkende verzameling marktmechanismen, die inmiddels toch ook alweer zo’n 65 miljoen jaar lang bestaan.
Zoals deze voorbeelden illustreren, zijn er talrijke gevallen van natuurlijk gedrag (en fenomenen – niet iedereen ziet het idee van plantaardig gedrag zitten) dat duidelijke economische principes belichaamt als evolutionaire aanpassingen. Alle leven op aarde is tot nu geconfronteerd geweest met schaarste, en de evolutie heeft geleidelijk talloze mechanismen aangescherpt die organismen, van de kleinste tot de grootste, leiden naar het maken van keuzes die voldoen aan hun doel: overleven, floreren en reproduceren.
Deel 2 zal meer specifiek kijken naar hoe de economische principes van markten niet alleen een kenmerk zijn van lichamen en samenlevingen, maar ook instrumenteel zijn voor hun evolutionaire succes. Het laatste deel richt zich ten slotte op hoe deze lange evolutie uiteindelijk heeft geleid tot unieke menselijke ontwikkelingen, en op de lessen die de natuur ons biedt.