Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Waarom irrationele beslissingen die kosten en baten omzeilen juist kunnen zijn

door Koen Smets
scales thrown away
Is rationaliteit een zinvol begrip wanneer we voor- en nadelen niet kunnen kwantificeren? (© Koen Smets)

Zijn we rationeel of niet? Beweringen dat menselijke besluitvorming irrationeel is, zijn vaak wat twijfelachtig. We nemen immers niet bewust beslissingen die ons duidelijk belemmeren bij het bereiken van onze langetermijndoelen. Maar dan nog kunnen beslissingen raadselachtig en moeilijk te verklaren zijn. 

Waarom zouden regeringen over de hele wereld bijvoorbeeld vasthouden aan het gebruik om de klok in het voorjaar vooruit te zetten en in de winter weer terug, terwijl er weinig of geen bewijs is dat dit energie bespaart en het net meer verkeersdoden veroorzaakt? Waarom zouden veel mensen liever in een wereld leven waarin ze minder verdienen maar meer dan anderen dan in een wereld waarin ze meer verdienen, maar anderen nog meer dan zij? Is dat niet vreemd?

Irrationeel zegt ons niets zinvols

Het is verleidelijk om zulke voorbeelden als irrationeel te bestempelen, maar niet erg constructief. Het roept meteen de vraag op waarom we überhaupt ‘irrationeel’ zouden handelen? Beleidsmakers hebben ongetwijfeld al lang door dat het overschakelen op zomertijd en weer terug weinig bijdraagt aan het verminderen van het totale energieverbruik. Een natuurlijk experiment van Matthew Kotchen en Laura Grant heeft zelfs aangetoond dat het kan leiden tot een hoger verbruik.

Daarnaast zijn er studies die suggereren dat het een nadelig effect heeft op de verkeersveiligheid. Douglas Coate en Sara Markowitz berekenden bijvoorbeeld dat het hele jaar door de zomertijd aanhouden het aantal verkeersdoden in de Verenigde Staten met 366 per jaar zou verminderen (13% van de dodelijke slachtoffers onder voetgangers en 3% van de dodelijke slachtoffers onder inzittenden van voertuigen, tijdens twee dagelijkse dag-nachtwissels). Waarom houden de meeste beleidsmakers dan vast aan de status quo?

sunset 2
Die lange, lange zomeravonden… Maar tegen welke prijs? (Steve Edwards/Flickr CC BY NC SA 2.0)

Een ander voorbeeld van verbijsterende besluitvorming is te vinden in onderzoek uit 1995 van Sara Solnick en David Hemenway. Deelnemers konden kiezen tussen twee werelden: wereld A, waarin zij meer van een 'goed' hebben dan anderen, en wereld B, waarin iedereen meer heeft dan in wereld A, maar de deelnemer zelf minder dan anderen.

Een van de 'goederen' was het jaarinkomen: in positionele wereld A zouden ze 50.000 dollar verdienen en anderen 25.000 dollar, terwijl in absolute wereld B hun inkomen 100.000 dollar zou bedragen en anderen 200.000 dollar zouden verdienen. Bijna de helft van de deelnemers koos voor de positionele keuze – absoluut minder geld, maar relatief meer. Waarom zou iemand kiezen voor absoluut minder van iets goeds?

Deze twee voorbeelden zijn typerend voor vermeende irrationele keuzes: er komen afwegingen bij te pas tussen verschillende dimensies die moeilijk te vergelijken zijn. Er is geen eenduidige ‘wisselkoers’ tussen energie en verkeersdoden, noch tussen verkeersdoden en het subjectieve effect van donkere winterochtenden (wat de implicatie zou zijn van het hele jaar door zomertijd).

Het gevoel in een betere positie te zijn dan anderen is net zo subjectief, en even moeilijk te vergelijken met een absoluut hoger of lager inkomen. Dit maakt het evalueren van kosten en baten onvermijdelijk ingewikkeld.

Wanneer we bij een beslissing met dergelijke onvergelijkbare kenmerken worden geconfronteerd, laten we vaak expliciete kosten-batenanalyse links liggen. Als de kenmerken van de opties verschillen in hoe concreet of abstract ze zijn (typisch omdat ze verschillen in psychologische afstand), hebben we de neiging om kosten en baten van de meer abstracte optie te onderwaarderen.

Abstracte statistische verkeersdoden moeten het afleggen tegen de concrete, persoonlijke ervaring van donkere winterochtenden of een hogere elektriciteitsrekening (dit staat bekend als de construal level theory). Evenzo kan het gevoel van superioriteit bij een relatief hoger inkomen zwaarder wegen dan het abstracte, meer afstandelijke absolute banksaldo. Verliesaversie, de neiging om waargenomen verliezen als belangrijker te ervaren dan gelijkwaardige waargenomen winsten, kan ook een rol spelen.

Voor sommige mensen weegt het verliezen van hun relatief superieure positie zwaarder dan de vooropgestelde absolute inkomenswinst en evenzo kan het manifeste, persoonlijk ervaren verlies van het beste van twee werelden als de halfjaarlijkse omschakeling zou worden afgeschaft – lange zomeravonden zonder donkere winterochtenden – meer doorwegen dan het voordeel van minder verkeersdoden. En wanneer we kosten-batenanalyse verwerpen, laten we ons natuurlijk ook eerder leiden door biases, zoals de status quo-bias of het verankeringseffect.

Kosten-batenanalyse omzeilen niet eens zo irrationeel

Maar er kunnen nog andere redenen zijn waarom we terughoudend zijn om kosten en baten expliciet te evalueren. Eén motief is simpelweg dat het veel inspanning kost om dat behoorlijk te doen, en zodat we bij voorkeur voor een minder omslachtige aanpak gaan. Velen van ons geven misschien ook liever geen antwoord op de vraag hoeveel verkeersdoden wij dan wel acceptabel vinden om onze lange zomeravonden te behouden en donkere winterochtenden te vermijden. Het maken van expliciete morele afwegingen kan erg ongemakkelijk aanvoelen. 

De klaarblijkelijke neiging om relatieve superioriteit in inkomen te verkiezen boven absoluut gewin werd op interessante wijze aangevochten door econoom Bryan Caplan. Hij redeneert dat als al wat mensen willen, is om rijker te zijn dan hun buren ze een “zo goed als waterdichte snelkoppeling naar relatieve rijkdom hebben: verhuizen naar een armere buurt”. Maar aangezien dit een stap is die uiterst zelden wordt waargenomen, “geven ze nauwelijks om relatief inkomen”.

Ik ben niet zo zeker dat zijn bewijs sterk genoeg is om zijn straffe bewering te staven, maar dergelijke verhuizingen zijn wellicht inderdaad zeldzaam. Hij negeert echter de mogelijkheid dat er andere factoren meespelen, die mensen ervan weerhouden om zo’n verhuizing te maken, ook al geven ze de voorkeur aan relatieve rijkdom.

Strebers vinden de status die gepaard gaat met een chiquere postcode misschien belangrijker in hun kringen dan de hogere status die ze zouden ervaren onder hun minder welstellende buren in een meer bescheiden buurt. Misschien vrezen ze zelfs dat een verhuizing naar een armere buurt hun status zou schaden, omdat dit hun statusbewustzijn duidelijk zou onthullen – iets wat men niet graag aan de grote klok hangt.

En toch is er iets geforceerds aan de redenering die schijnbare afwijkingen van rationaliteit constateert, daarop een tot dan toe over het hoofd gezien bijkomend aspect aanhaalt dat het toch weer rationeel maakt, om vervolgens weer op een andere anomalie te stuiten en het hele proces met deze nieuwe uitzondering te herhalen.

Zouden onze beslissingen, in plaats van afwijkingen van rationaliteit, uitingen kunnen zijn van een diepere, bijna morele rationaliteit, die optimaliseert voor 'juistheid' in plaats van voor een beperkte nutsmaximalisatie? Dan horen we helemaal niet noodzakelijk naar een armere wijk te verhuizen als we om relatief inkomen geven en als we het toch niet doen, is dat helemaal geen afwijking van de rationaliteit. Evenzo kan het aanhouden van zomer- en wintertijd ‘juist’ aanvoelen op manieren die abstracte statistische levens niet kunnen vatten.

judge
Hebben we allemaal een innerlijke rechter die zich uitspreekt over wat juist en niet juist is? (Wikimedia)

Wanneer we conventionele kosten-batenanalyse omzeilen, is dat omdat ze ons niet vertelt wat 'juist' is. Daarvoor hebben we een geëvolueerd vermogen, dat in ons onderbewuste opereert – niet omdat we lui zijn of cognitief gierig, maar omdat het in de loop van de evolutie is verfijnd om complexe overlevings- en sociale uitdagingen het hoofd te bieden.

Wat we 'juist' noemen, omvat zowel morele juistheid als wat goed voelt voor ons floreren – en vaak, maar niet altijd, vallen beide samen. Dit versmelt dan met hedonisme: we ervaren wat juist is als prettig en wat verkeerd is als onaangenaam, wat ons niet zozeer oppervlakkig feelgood-denken geeft, maar vooral een geavanceerd navigatiemechanisme dat talloze variabelen integreert die we onmogelijk bewust zouden kunnen verwerken.

Wat we als 'juist' beoordelen, blijkt dan ons meest fundamentele besluitvormingsmechanisme te zijn. Dit mechanisme overstijgt de analytische kosten-batenanalyse en helpt ons om met afwegingen tussen onvergelijkbare opties om te gaan en een hiërarchie van juistheid te bepalen. We hanteren dit duidelijk bij morele beslissingen (wanneer we kostbare offers brengen voor wat juist is), maar het is aantoonbaar veel breder van toepassing dan alleen op expliciet morele kwesties. 

Wat we irrationeel gedrag noemen, is dus in feite wellicht onze intuïtieve erkenning dat onze belangrijkste waarden zelden kunnen worden teruggebracht tot kwantificeerbare criteria. Het gaat er dan veel minder om beter en vaker van kosten-batenanalyses gebruik te maken en veel meer om het achterhalen van hoe we nu precies vaststellen wat juist en wat onjuist is.

LEES OOK
Koen Smets 08-11-2024

De grenzen van pragmatisch beslissen

We zijn over het algemeen pragmatische en niet compleet irrationele besluitvormers.
Heggendoolhof in de tuin van Traquair House in Schotland.
Koen Smets 01-11-2024

Rationaliteit is bullshit - Deel 2

Rationaliteit deugt niet als criterium om onze eigen keuzes te beoordelen.
rationality scales
Koen Smets 07-07-2023

Irrationaliteit op het eerste gezicht maar niet op het tweede

Rationaliteit is vaak ook een kwestie van wat we echt belangrijk vinden.
Irrational