Vorig weekend (18/10) plaatsten zowel de Amerikaanse president Donald Trump als vicepresident JD Vance door AI gegenereerde video's online als reactie op de landelijke No Kings-demonstraties tegen vermeende autoritaire uitwassen.
Velen vonden de AI-video’s van Trump en Vance buitengewoon smaakloos, ongepast voor mensen in dergelijke hoge functies
Op de ene video was Trump te zien, gekleed als koning, achter het stuur van een straaljager die een bruine materie over de demonstranten uitstortte. De andere, in somber zwart-wit, toonde Trump terwijl hij een kroon en een koninklijke mantel aantrok, voor een groep geknielde mensen, van wie er twee sterk leken op voormalig president Joe Biden en Democratisch presidentskandidaat Kamala Harris. Velen vonden ze buitengewoon smaakloos, ongepast voor mensen in dergelijke hoge functies.
Legitieme verwachtingen van de hoogste politieke leiders houden verband met domeinen als binnenlands beleid, crisismanagement en geopolitiek inzicht, maar het is niet duidelijk hoe gedrag op sociale media, of zelfs goede smaak, hiervoor relevant zouden zijn. Toch vinden sommigen Trump en Vance ongeschikt voor hun rollen, op basis van deze grove video's. Is dat niet vreemd?
Geëxtrapoleerde oordeelkundigheid
Wat ze lijken te extrapoleren uit hun berichten op sociale media is dat hun beoordelingsvermogen in het algemeen te wensen overlaat. En omdat we sociale wezens zijn, raakt het oordeelsvermogen van anderen ons, en is dat dus instinctief iets wat ons bezighoudt. Van politieke leiders en bazen of collega's, tot mensen met wie we sociaal omgaan – romantische partners, vrienden en kennissen – we zijn, tot op zekere hoogte, overgeleverd aan hun gedrag, en dus aan hun oordeelkunde. Ze beïnvloeden ons niet alleen materieel: soms kan hun loutere aanwezigheid in een bepaalde rol ons al ongemakkelijk maken, zelfs al kunnen we niet precies zeggen waarom.
Omdat we sociale wezens zijn, raakt het oordeelsvermogen van anderen ons, en is dat instinctief iets wat ons bezighoudt
Zulke vaagheid vinden we ook terug in hoe we mensen beoordelen. We neigen ertoe al wat we over hen weten – via directe observatie of anderszins – terug te brengen tot een simplistische “goed/slecht”-waardering. We zeggen “Hij is een goede vent”, “Zij is solide”, of “Ze zijn een degelijke club” om mensen te typeren die we vaak amper kennen, om onze goedkeuring of zelfs aanbeveling te kennen te geven, zonder te preciseren waarin ze nu precies zo goed zijn.
Op gelijkaardige manier nemen we dergelijke beoordelingen van iemand anders klakkeloos voor waar aan, waarbij we er simpelweg van uitgaan dat de persoon in kwestie aan onze verwachtingen voldoet, zonder die zelfs maar te verwoorden. Van mensen die als "goed persoon” worden omschreven – door ons of door iemand anders – wordt aangenomen dat ze een 'goed oordeelsvermogen' bezitten als een universeel inzetbare eigenschap. We verwachten dat ze zullen doen wat “juist” is in de omstandigheden, ongeacht wat die zijn.
Maar hoe robuust is zo’n conclusie over (een gebrek aan) 'goed oordeelsvermogen' eigenlijk? Bewijs van slecht beoordelingsvermogen in het ene domein (kinderachtige humor op sociale media) voorspelt niet noodzakelijk het oordeelsvermogen in een ander domein (zoals geopolitieke strategie). Het is ook twijfelachtig of onze eigen waardeoordelen echt objectief zijn – beoordelen we echt de kwaliteit van iemands oordeelsvermogen, of drukken we simpelweg onze afkeuring uit over keuzes die wij anders zouden maken?
Bewijs van slecht beoordelingsvermogen in het ene domein voorspelt niet noodzakelijk het oordeelsvermogen in een ander domein
Stel je voor dat je een IT-systeemarchitect wil inhuren, en één kandidaat heeft blijk gegeven van uitstekende technische oordeelkundigheid. Kort daarop ontdek je dat hij zijn weekends doorbrengt op afgelegen treinstations met een schriftje, waar hij de nummers van passerende locomotieven noteert. Je eerste reactie is misschien om aan je eerdere evaluatie te gaan twijfelen: kan iemand die oordeelt dat zijn vrije tijd goed besteed is aan treinspotten echt het degelijke technische oordeelsvermogen hebben dat nodig is om complexe bedrijfsprocessen te implementeren? Maar misschien is het wel jouw eigen beoordelingsvermogen dat ter discussie staat – wat heeft iemands keuze van vrijetijdsbesteding immers te maken met hun technische capaciteiten?
En toch hebben we blijkbaar vaak genoeg aan een enkele observatie – een tweet, een ongepaste grap, een sociale faux pas, of een ongebruikelijke hobby – niet eens als ruwe indicatie, maar om een beslissend, negatief oordeel over een persoon te vellen. We mogen het dan wel formuleren als geschiktheid voor een rol of voor lidmaatschap van onze sociale kring, maar in werkelijkheid beoordelen we hun oordeelsvermogen als een karaktereigenschap die vanzelfsprekend overdraagbaar is tussen domeinen.
Dit doet denken aan de fundamentele attributiefout – het afleiden van stabiele eigenschappen uit situatiegebonden gedrag – maar met een belangrijke draai: we concluderen niet alleen dat iemand impulsief is op basis van een impulsieve tweet. We leiden er veralgemeend gebrek aan oordeelsvermogen uit af, door een domein-specifieke observatie te verheffen tot een alomvattende beoordeling van iemands algehele beslissingskunde.
Er is een intrigerende parallel met onderzoek uit 2013 van Geoffrey Goodwin en collega's, dat suggereert dat onze persoonsperceptie gedomineerd wordt door morele karakterbeoordeling, die elk oordeel van competentie of warmte overschaduwt. We lijken iets soortgelijks te doen met oordeelsvermogen als inherente karakterkwaliteit.
Een ongrijpbare eigenschap
Maar bestaat zoiets als veralgemeend goed oordeelsvermogen eigenlijk wel? Dat is twijfelachtig. Is het immers echt ondenkbaar dat een neurochirurg met een onberispelijk medisch oordeelsvermogen zich inlaat met astrologie, of dat een zeer bekwame gijzelingsonderhandelaar graag zijn geld in gokautomaten stopt? Kan een competente systeemarchitect geen treinspotter zijn in zijn vrije tijd?
Het idee dat we eigenlijk een mengelmoes zijn van goed en slecht maakt ons ongemakkelijk, dus doen we alsof we perfect consistent zijn
Zulke onverenigbaarheid valt niet zo eenvoudig te bewijzen, en de wetenschap geeft aan waarom. In een paper uit 1995 stellen Walter Mischel en Yuichi Shoda een theorie voor (en leveren daarvoor ook bewijsmateriaal) die uitlegt hoe, zelfs wanneer onderliggende persoonlijkheidskenmerken stabiel blijven, persoonlijkheid en situatie zich verenigen in gedrag dat wisselt naargelang de situatie, door middel van verschillen in de interacties tussen de diverse componenten van ons cognitieve systeem. Dit stelt het hele idee van globale, situatie-onafhankelijke aanleg in vraag.
Waarom zijn we dan zo happig om mensen in deze termen te typeren op basis van wankel bewijsmateriaal? Een reden is cognitieve efficiëntie – het grondig beoordelen van domeinspecifiek oordeelsvermogen is omslachtig, en de pretentie van een universele ‘goed oordeelsvermogen’-shortcut biedt een prachtig alternatief dat voor alles lijkt te werken. Maar we neigen er ook naar te geloven dat mensen ofwel helemaal goed ofwel helemaal slecht zijn – een fenomeen bekend als het halo- (of hoorn-)effect.
Het idee dat we eigenlijk een mengelmoes zijn maakt ons ongemakkelijk, dus doen we alsof we perfect consistent zijn. Dat stelt ons ook in staat om een oordeel op te smukken dat in werkelijkheid niets anders is dan “heeft standpunten waar ik niet van houd of tegen ben”, of biedt een respectabel klinkende alternatief voor “geen lid van in mijn stam”. Dit blijkt uit onderzoek van Eric Uhlmann en collega's, dat suggereert dat we vaak morele oordelen construeren om reeds bestaande attitudes te rechtvaardigen – we redeneren achterwaarts vanuit onze conclusies. "Iedereen die iets dergelijks post heeft een beschamend beoordelingsvermogen heeft” klinkt heel wat gezaghebbender dan “ik ben het oneens met zijn politiek”.
Natuurlijk zijn er wel enkele kwaliteiten (bv. cognitieve flexibiliteit en emotionele regulatie) die correleren met beter oordeelsvermogen in verschillende contexten. Maar we accepteren correlatie veel te overhaast, en overschatten hoe precies specifiek gedrag de aanwezigheid of afwezigheid van die kwaliteiten voorspelt.
Een wijzer oordeel
We kunnen dit soort overhaast oordelen-over-oordeelsvermogen nochtans vermijden. Een aanpak: wees je bewust van partijdige interpretatie. Als je de No Kings-demonstraties steunde, voel je je misschien beledigd door de video's. Maar zou jij een leider van jouw kant veroordelen die je tegenstanders beledigt in een reactie op wat jij beschouwde als een absurde beschuldiging van hun kant?
Evalueer je iemands domein-specifieke oordeelsvermogen, of zoek je naar het ongrijpbare oordeelsvermogen-als-karaktereigenschap?
Een andere manier: maak helder voor jezelf wat je precies aan het beoordelen bent. Evalueer je iemands domein-specifieke oordeelsvermogen, of zoek je naar het ongrijpbare oordeelsvermogen-als-karaktereigenschap? Welk specifiek gedrag voorspelt jouw observatie werkelijk?
Er is overigens niets mis met vertrouwen in onze instincten: ook al voorspelt een platvloerse video geen slecht crisismanagement, hij kan nog steeds ons gevoel schenden van wat leiderschap zou moeten vertegenwoordigen. Maar laten we het dan wel als zodanig erkennen, en het niet zien als objectief bewijs van de kwaliteit van hun oordeelkundigheid.
Wanneer we anderen beoordelen – of het nu gaat om politieke leiders naar aanleiding van vulgaire video's of sollicitanten over hun weekendactiviteiten – is de vraag niet of ze ‘goed oordeelsvermogen’ hebben, maar: “is het beoordelingsvermogen dat we (denken te) observeren relevant voor het domein dat ertoe doet?”
Het idee van 'goed oordeelsvermogen' als een universeel inzetbare eigenschap is natuurlijk geruststellend. Maar het als fantasie herkennen is de eerste stap naar een wijzer oordeel.