Mijn vorig jaar op Apache gepubliceerd essay Hannah Arendt over het zionisme heeft haar analyse van “het reëel bestaande zionisme” en zijn mars naar de stichting van de staat Israël in 1948 als onderwerp. Arendt voorspelde immers jaren voor de stichting van de staat Israël al dat een exclusief Joodse staat niet alleen een vreedzaam samenleven met wat zij “de Arabieren” noemde onmogelijk zou maken, maar ook zou degenereren tot een militair bruggenhoofd van een imperiale voogd. Een vesting bevolkt door een kleine krijgersstam, zoals ze het noemde, die met oorlogsmisdaden de vijandschap van de gehele regio over zich zou afroepen.
Wat ik in dat essay niet bespreek, is een analyse van de politieke uitgangspositie van Arendt zelf. Toch is dat nodig, want haar zionismekritiek zou de lezer op het verkeerde been kunnen zetten. Haar houding tegenover het zionisme is contradictorisch. Hoewel Arendt scherp de catastrofale interne dynamiek van “het reëel bestaande zionisme'”ontwaarde, is zij er nooit in geslaagd om het zionisme zelf te overstijgen. Onderstaand artikel verduidelijkt dat, en corrigeert tezelfdertijd wat ik in het essay haar “paradoxale” relatie met Israël noem.
Haar zionismekritiek was ingegeven door een theoretisch, ideëel zionisme, waarbij Joden vreedzaam met niet-Joden in Palestina zouden samenleven. Zij pleitte voor een permanent begrip en dialoog tussen Joden en niet-Joden, en droomde van een 'Joods Nationaal Huis' in Palestina zonder dat dit een statelijke vorm zou aannemen. Hannah Arendt verwierp het uiteindelijke doel van de mainstream zionisten: de oprichting van een Joodse staat die Joodse soevereiniteit over Palestina zou vestigen.
Dat vestigingskolonialisme, met als sluitstuk de stichting van een etnostaat in het multi-etnische Palestina, zo wist ze, moest onvermijdelijk leiden tot racisme, apartheid, interetnische fricties, etnische zuivering, militarisering en oorlog. Het vestigingskolonialisme zelf heeft Arendt echter nooit verworpen. Arendts conflict met het mainstream zionisme van David Ben-Gurion betrof enkel de politieke ordening die uit die Joodse kolonisatie moest voortkomen, niet de kolonisatie zelf.
Wat Arendt voorstond, was een “zacht” vestigingskolonialisme. Zij hoopte dat Joden zich vrijwel “ongemerkt” in Palestina zouden vestigen, zonder een Joodse staat na te streven, zodat de lokale bevolking niet verontrust zou worden en de Joodse immigratie zou accepteren. Het was naïef en onrealistisch, want zodra die immigratie enige omvang begon aan te nemen, kwam het Palestijnse nationalisme tot bloei en ontstond antikolonialistisch verzet.
Theodor Herzl, auteur van de zionistische bijbel Der Judenstaat (1886), had dat goed begrepen. In dat boek schreef hij over eerdere kolonisatiepogingen in Palestina en Argentinië: “Er werden opmerkelijke kolonisatiepogingen georganiseerd, maar steeds volgens het foute principe van een geleidelijke infiltratie van Joden. Infiltratie loopt altijd uit op een mislukking. Inderdaad: onder druk van de bevolking die zich bedreigd voelt, vaardigt de [lokale] regering geregeld een verbod op Joodse immigratie uit. De immigratie heeft slechts zin wanneer die steunt op een soevereiniteit die ons wordt gewaarborgd.”
Eens de Joodse staat was gesticht en de centrale actor van dat vestigingskolonialisme was geworden, verzoende zij zich ermee, zonder evenwel haar kritische kijk op te geven, zoals zovele ‘linkse’ zionisten deden.
In de armen van het zionisme
De migratie van Oost-Europese Joden naar West-Europa, waar het antisemitisme aan kracht won en de regeringen vijandig stonden tegenover die Joodse aanwezigheid, heeft Hannah Arendt, zelf een vluchtelinge aangespoeld in Parijs, in de jaren 30 in de armen van het zionisme gedreven.
Begin 1900 leefden ongeveer 90.000 Joden in Frankrijk, in 1935 waren het er ongeveer 260.000. Wetgeving werd voor hen almaar restrictiever. In Parijs leefden vele honderden Joodse kinderen op straat. Werkvergunningen werden hen ontzegd. Die schrijnende toestand lag aan de basis van Arendts engagement bij Jeugd Aliyah in de jaren 1935-39. Want, zo schreef ze, citeert Thomas Meyer in Hannah Arendt: de biografie: “Palestina is het enige land dat voor immigratie in aanmerking komt. Er bestaat geen andere positieve hulp.”
Arendt zou nooit meer loskomen van dat vestigingskolonialisme, in de hand gewerkt door de antisemitische terreur en de Judeocide. Na 1948, toen zionistische milities grote gebieden van Palestina hadden veroverd en honderdduizenden Palestijnen hadden verdreven, kwam Arendt niet meer terug op haar ideëel zionistisch alternatief en aanvaardde ze die evolutie naar een Joodse etnostaat als een onomkeerbaar feit.
Ideëel zionisme
Andere intellectuelen die zo’n ideëel zionisme voorstonden waren Martin Buber, Gershom Scholem, Judas Léon Magnes en Hans Kohn. Politieke expressies ervan zoals Brit Shalom (‘Vereniging voor de vrede’), Ihud (‘Eenheid’) en later Matzpen (‘Kompas’) bleven marginale fenomenen in het zionistische universum. Matzpen stierf in 1983 een stille dood. Zie bijvoorbeeld Michel Feher, Redevenir juif, p. 47.
Wat met het Palestijnse nationalisme en recht op terugkeer?
Het is veelzeggend dat Arendt geen aandacht of begrip had voor het Palestijnse nationalisme – het vertrekpunt voor een goed begrip van het reëel bestaande zionisme. De Palestijnse vrijheidsstrijd tegen de zionistische kolonisatie in de jaren 20 en 30 van vorige eeuw was een blinde vlek voor haar. De uitbarstingen van Palestijns verzet tegen de Joodse kolonisatie in die decennia waren voor haar slechts uitingen van “Arabische vijandschap tegenover de uitbouw van een Joods thuisland”, zo schreef ze in 1948. Vijandschap tegenover een prachtig project, zo zag ze het – en niet wat het in wezen was: legitiem antikolonialistisch verzet tegen de kolonisatie van Palestina. De grote Palestijnse opstand van 1936-1939 die door de Britse bezettingstroepen en Joodse milities werd onderdrukt, bestempelde ze slechts als “ongeregeldheden”.
De Algemene Joodse Arbeidersbond
Het is tekenend dat Arendt nooit aandacht opbracht voor de Algemene Joodse Arbeidersbond, kortweg de Bond, die een concreet alternatief voor het zionisme belichaamde. De Bond organiseerde vanaf het begin van de twintigste eeuw in Rusland, Polen en Litouwen tienduizenden Joden. De partij verdedigde de Oost-Europese joodse cultuur, organiseerde zelfverdedigingscomités tegen pogroms en propageerde het Jiddisch, en deed dat in een internationalistisch perspectief. De Bond was een van de krachten die de opstand in het getto van Warschau (1943) leidde. De Bond ging uit van het principe dat Joden politieke rechten moeten opeisen waar zij leven, en niet wegvluchten. Over de Bond, zie Molly Crabapple, Here Where We Live Is Our Country (2026), Bloomsbury Publishing PLC.
Erg dubbelzinnig is haar kijk op de kibboetsen: collectieve nederzettingen van Joodse kolonisten in Palestina die Palestijnse arbeiders buitensloten. Ze bewierookte die agrarische pioniersdorpen als “een op vele gebieden erg veelbelovende economische structuur in een omgeving van hopeloze ellende en dorheid”. Ze zag wel dat zionistische leiders die sociaal-economische apartheid goedgunstig bekeken, maar dat leek haar onvermijdelijk: “Arabische arbeid was gevaarlijk want goedkoop: Joods kapitaal werd voortdurend verleid om Arabieren in plaats van duurdere en meer op rechten beluste Joodse arbeiders tewerk te stellen. Het hele zionistische project had in die cruciale jaren gemakkelijk kunnen degenereren tot het kolonialisme van de witte man, steunend op het werk van inboorlingen.”
Die zionistische apartheid, zo redeneerde ze goedkeurend, beschermde tegen het Europese exploitatiekolonialisme – waarbij ze ‘vergat’ dat op die manier het vestigingskolonialisme werd gevestigd.
Bij Arendt vind je geen principieel pleidooi voor het recht op terugkeer van de honderdduizenden tijdens de Nakba (1948) verdreven Palestijnen naar hun thuisland terug. Humanitaire bekommernissen, inclusief de eis om Palestijnse vluchtelingen ergens in de regio een tehuis te bezorgen, bracht ze wel onder woorden, maar de motivatie ervoor is bij haar vooral ingegeven door de angst dat die vluchtelingen, verspreid in de Arabische wereld, internationaal verzet op gang zouden trekken.
Het is geen toeval dat ze systematisch sprak over “de Arabieren” of in het beste geval over “de Palestijnse Arabieren”, maar niet over de Palestijnen, terwijl ze hier en daar de Joodse kolonisten wel “Palestijnen” noemde. Dat is in lijn met de zionistische mantra dat Palestijnen geen Palestijnen maar (nomadische) Arabieren zijn en eigenlijk in Syrië, Jordanië of elders in de Arabische wereld thuishoren.
Ronduit choquerend is wel dat ze in 1947 als redactrice van de New Yorkse uitgeverij Schocken haar expliciete “hartenwens” uitte om een tekst van Berl Katznelson uit te geven. Katznelson was een sleutelfiguur in de zionistische beweging die al zeer vroeg de etnische zuivering van de Palestijnse bevolking bepleitte.
Zo stelde hij als leider van het ‘socialistische’ Mapai, dat onder leiding van Ben-Gurion de Joodse kolonies in Palestina bestuurde, op een partijcongres in 1937: “De vraag over de transfer van de [Palestijnse] bevolking leidt onder ons tot discussies: is die toegestaan of verboden? Mijn geweten is op dat vlak volkomen zuiver. Een verre buur is beter dan een nabije vijand. Zij zullen niets verliezen wanneer ze verplaatst worden en wij zullen er zeker niets door verliezen (…) zij zijn voorbestemd om naar Syrië en Irak te worden getransfereerd.”
Nogal wat ‘linkse’ zionisten verdedigden de etnische zuivering van de Palestijnse bevolking, als een ‘humaner’ alternatief voor massamoord en genocide zoals dat hier en daar in de Torah wordt voorgeschreven en door religieus geïnspireerde zionisten werd (wordt) bepleit.
De Judeocide en de stichting van Israël als keerpunt
De Judeocide en de stichting van de staat Israël versterkten bij Arendt, zoals bij veel Joden, de neiging om het zegevierende politieke zionisme expliciet te omarmen. In 1951, drie jaar na de stichting van Israël, publiceerde Arendt Les Origines du totalitarisme. Daarin schreef ze: “Het Joodse vraagstuk, dat iedereen opvatte als onoplosbaar, heeft na de oorlog wel degelijk een oplossing gevonden – namelijk dankzij een gekoloniseerd en nadien veroverd gebied. Maar dat is geen oplossing voor het probleem der minderheden en dat van de statelozen. Integendeel (…) deze oplossing van het Joodse vraagstuk is er slechts in geslaagd een nieuwe categorie vluchtelingen te creëren, de Arabieren, waardoor het aantal statelozen en rechtelozen toenam met ongeveer 700 tot 800.000 personen.”
In 1963 nam Arendt afstand van de American Council for Judaism (ACJ), die zich afzette tegen de Joodse staat en pleitte voor een binationale “Joods-Arabische staat”, met deze woorden: “U weet goed dat ik een zioniste ben geweest en dat de redenen die mij ertoe brachten met de zionistische organisatie te breken erg verschillen van de antizionistische standpunten van de ACJ: ik ben niet in principe gekant tegen Israël, maar ik ben tegen bepaalde belangrijke aspecten van het beleid van Israël. Ik weet, of denk te weten, dat als een catastrofe de Joodse staat zou treffen, (…) dan zal dat ongetwijfeld de ultieme catastrofe zijn voor het gehele Joodse volk, wat ook de opvattingen van ieder van ons hierover zouden kunnen zijn.”
Het zijn opmerkelijke woorden: Arendt, die voor de stichting van Israël nog wees op het gevaar dat een Joodse staat een wig zou drijven tussen Israëlische Joden en de Joodse diaspora, schakelde na 1948 om naar het klassiek-zionistische standpunt dat Israël de enige garant is voor het voortbestaan van het (wereldwijd verspreide) Joodse volk.
Zoals bij andere 'linkse' zionisten heeft ook Hannah Arendt kritiek op aspecten van de Joodse etnostaat, met als belangrijkste punten het onopgeloste probleem van de Palestijnse vluchtelingen binnen en buiten de grenzen van Israël (zie hierboven), en wat de Joodse staat zelf betreft, de afwezigheid van de scheiding van kerk en staat; de afwezigheid van een grondwet; rabbijnse wetten die het statuut van de Joodse Israëli's regelen en ervoor zorgen dat in Israël een Jood niet met een niet-Jood mag huwen en dat een persoon met een niet-Joodse moeder niet als Jood kan worden erkend, met alle mogelijke gevolgen.
Maar uiteindelijk is in haar visie Israël dé reddingsboei voor het Joodse volk. Het gevolg is haar onvoorwaardelijke solidariteit met Israël tijdens de Israëlisch-Arabische oorlogen van 1967 en 1973 (alsof die oorlogen losstaan van het expansieve kolonialisme van de zionistische staat), en kijkt ze weg van de gebiedsuitbreiding van Eretz Israël sinds 1967.
Hannah Arendt stierf eind 1975: het is onmogelijk te voorspellen of de Palestijnse genocide (°2023), de formele annexatie van Jerusalem en de Westbank (‘Judea en Samaria’) en het escalerende militaire expansionisme van het huidige Israël haar ertoe zouden brengen met het zionisme écht te breken. Zo’n breuk zou in de lijn liggen van haar visionaire voorspellingen, want de radicalisering van het zionistische establishment is al decennia gaande en ligt in de natuur van de Joodse staat ingebakken. Israël is niet hervormbaar. Deze etnostaat moet opgaan in een binationale Palestijnse staat, met gelijke rechten voor Palestijnen, Joden, Druzen, christenen, seculieren en alle andere bewoners van het land. Enkel daar, en in de diaspora, heeft het Joodse volk, dat doorheen de eeuwen de mensheid zoveel goeds heeft geschonken, een toekomst.