Zulke lijstjes zijn vaak nogal subjectief, gebaseerd op beperkte kennis en arbitraire criteria. Maar sommige hebben toch een meer robuuste basis. De BRT Top-30 werd tot 1995 samengesteld “onder toezicht van gerechtsdeurwaarder Meester Jo Van Backlé”, gebaseerd op de platenverkoop en – deed iemand dat écht? – gele briefkaarten ingezonden door de luisteraars. Dat insinueerde alvast een modicum aan objectiviteit.
SERIEUZE LIJSTJES
Ook meer serieuze instituten durven zich in te laten met ranglijsten. Vorige week publiceerde de Economist Intelligence Unit (EIU) weer zijn halfjaarlijkse ‘leefbaarheidsindex’ voor wereldsteden. Nieuwsmedia de wereld rond kopten vrolijk dat Melbourne (voor de vierde keer op rij) het lijstje aanvoerde, en gaven ook meteen mee dat Damascus, de geplaagde hoofdstad van Syrië, onderaan staat. Dat laatste zal niet echt verrassen, maar hoe komt de EIU er toe met zoveel overtuiging de eerste plaats toe te kennen aan Melbourne?
Daar blijkt een complexe aanpak achter te zitten, gebaseerd op vijf categorieën: ‘stabiliteit’, ‘gezondheidszorg’, ‘cultuur en milieu’, ‘onderwijs’ en ‘infrastructuur’. Daaronder hangen in totaal 30 kwalitatieve en kwantitatieve factoren (kleine en grote criminaliteit, openbare en privé gezondheidsvoorzieningen, klimaat, kwaliteit van eten, drinken en huisvesting , water- en energievoorziening en zo meer). Elke factor wordt beoordeeld als “aanvaardbaar”, “draaglijk”, “oncomfortabel”, “onwenselijk” en “ondraaglijk”. Dank zij wat wiskundige tovenarij wordt het geheel omgezet in een beoordeling tussen 1 en 100, en voor de goede orde wordt die dan ook nog eens vergeleken met de score van New York.
Een wetenschappelijke benadering door de bollebozen van de EIU, dat mag gezegd. Maar toch: waarom werden precies deze factoren gekozen? Hoe worden ze beoordeeld? Welke gewichten worden eraan toegekend? Voor de kwalitatieve elementen gebruikt men het oordeel van “in-house analisten” en “in-city medewerkers”; de kwantitatieve indicatoren zijn gebaseerd op de “relatieve performantie van een aantal externe datapunten”. Ontwaren wij daar toch niet een beetje los zand onder die vermeende objectiviteit?
VALSE PRECISIE
De precisie die door zulke berekeningen wordt geproduceerd is misleidend. De scores voor Melbourne en Wenen (de nummer 2) zijn respectievelijk 97,5 en 97,4, maar het is absurd vol te houden dat Melbourne daarom net een ietsje leefbaarder is dan Wenen. Dat éne tiende van een punt is immers de consequentie van het subjectieve oordeel van een van de EIU medewerkers, over één van de arbitraire factoren, met een arbitrair gewicht in het geheel.
En dus rijst de vraag, hoeveel vertelt zo’n lijstje ons écht, bijvoorbeeld over Brussel? De volledige EIU lijst is wat prijzig, maar de editie van 2010 is gelukkig wel gratis... Brussel staat daarin op de 27ste plaats, een niet onaardige positie. Maar daarnaast vinden we Brussel ook in de top-10 van de meest onvriendelijke steden, en dan ook weer bij de 10 groenste steden. Wat moet een mens daar mee?
Zeker wanneer het om eerder frivole rangschikkingen gaat – en laten we wel wezen, ook het lijstje van The Economist kan bezwaarlijk helemaal serieus genomen worden – is een flinke korrel zout aangewezen.
TU QUOQUE, INDEX
De onbetwiste autoriteit die cijfers - hoe preciezer, hoe liever - genieten, is niet beperkt tot ranglijsten. De consumptieprijsindex (CPI), de indicator voor het algemene prijsniveau (en gebruikt voor het berekenen van de inflatie), mag dan al gebaseerd zijn op werkelijke prijzen en niet het oordeel van “in-house analisten”, toch worden hier ook keuzes gemaakt. Welke goederen en diensten komen al dan niet in het mandje terecht, en welke gewicht wordt eraan toegekend? Daar sluipt alweer de subjectiviteit naar binnen in de indexkorf.
Men probeert weliswaar een zo representatief mogelijk model te hanteren, maar gezien de uiteenlopende uitgavenpatronen van de gezinnen is dat uiteindelijk een ondoenlijke klus. Wie weinig of niet met de auto rijdt voelt een toename van de benzineprijzen slechts indirect aan, in tegenstelling tot wie elke dag honderd kilometer heen en weer pendelt. Luiers zijn een zware post op een jong gezin, maar van geen tel voor een vrijgezel of een bejaard koppel. Vandaar dat de BBC biedt al enkele jaren een online instrumentje aan om je persoonlijke inflatie te berekenen, en die kan danig verschillen van het officiële cijfer.
Toch wordt die ‘objectieve’ maatstaf gehanteerd voor allerlei beleidsinterventies – iets wat extra bijdraagt tot het gezag dat het indexcijfer alom heeft.
SIMPEL
Cijfers maken ingewikkelde dingen simpel. De EIU stelt: “The concept of liveability is simple: it assesses which locations around the world provide the best or the worst living conditions.” Ook de CPI is een noodzakelijke vereenvoudiging van het complexe aankoopgedrag van miljoenen consumenten.
Toch blijft men best op zijn hoede met zoveel simpelheid. Aan Albert Einstein wordt de volgende uitspraak toegedicht: “Everything should be made as simple as possible, but no simpler.” Het is aan de wakkere burger te bepalen of een cijfermatig gegeven simpel genoeg, dan wel te simpel is gemaakt.
Hou toch maar dat zout bij de hand, voor alle zekerheid, en laat u niet zonder meer inpakken door een cijfer.