Alleen is het maar de vraag of die oude recepten nog wel werken, nu de Grote Financiële Crisis ons met een balansrecessie heeft opgezadeld. Een groot deel van de gezinnen draagt door de oververhitting van de huizenmarkt een veel te hoge schuld, terwijl ook de rest van de economie langzaam de lucht moet laten ontsnappen die er door drie decennia van bancaire expansie in is gepompt. Dat is een lang en pijnlijk proces. Lastenverzwaringen voor de middengroepen en stagnerende lonen doen in die situatie wellicht meer kwaad dan goed.
We pakken nieuwe problemen aan met de oplossingen van gisteren, en we belemmeren op die manier alleen maar de toekomst. Gek genoeg geldt dat ook wel eens voor de sociale bewegingen zelf. Het platform Hart boven Hard, dat uit de socioculturele sector is gegroeid en dat ook door FairFin enthousiast is begroet, kan hier als voorbeeld gelden. Het alternatief dat Hart boven Hard voor de besparingsmaatregelen heeft uitgewerkt, verrast door zijn creativiteit. Het sluit bijzonder goed aan bij de transitie-initiatieven die bij de progressieve middenklassers wortel hebben geschoten. Maar toch blijft ook Hart boven Hard, en wij met hen, te vaak trouw aan een oude retoriek die dateert uit de sociale protestbeweging van de jaren 1980 – die zich precies tegen dat herstelbeleid ontwikkelde. Altijd weer luidt de centrale gedachte dat we tegen de ‘kille cijfers’ van de economie de ‘zachte waarden’ moeten verdedigen van het middenveld (en van de bestuurlijke structuren die daaruit zijn gegroeid, ook al sinds de jaren 1980). Op die manier dreigen we die ‘zachte waarden’ alleen maar verder naar de marge te duwen, naar steeds weer nieuwe vrijplaatsen, maar ook naar nieuwe reservaten.
Wat sociale bewegingen zouden moeten doen, is het hart van de economie zelf heroveren. Dat betekent dat solidariteit, creativiteit en individuele ontplooiing niet opnieuw moeten worden veroverd op de ‘economie’, maar dat we de economische uitwisseling moeten bevrijden van een verengd economiebegrip. Dat enge begrip heeft zich, inderdaad, sinds de jaren van Thatcher en Reagan tot een nieuwe orthodoxie verdicht. Het grossiert in grote ideeën (markt boven staat, eigen initiatief boven betutteling, economische resultaten boven zachte praatjes), maar het kijkt vooral op een heel bijzondere manier. Het dwingt samenlevingen om zichzelf te waarderen zoals de financiële markten dat doen – in de termen het aandeelhoudersmodel, de winst per aandeel, de fiscale ‘optimalisering’ en het efficiëntie-denken die eerst het grootbedrijf, toen de banken, en vervolgens steeds grotere delen van de semi-publieke sector, de zorg en het onderwijs hebben hertekend. Op die manier zijn samenlevingen steeds afhankelijker geworden van de markten, maar vooral ook van de tussenpersonen die in naam van die markten optreden: de traders, de ‘economische’ experts en de tax consultants.
Pas als we die economie opnieuw herdenken buiten de gefinancialiseerde kaders, maken we opnieuw ruimte voor sociaal experiment, voor ecologische transitie, voor creatieve stadsvernieuwing en voor alle andere doelstellingen waar Hart boven hard – zeer terecht – voor opkomt. Dat is een weg van experiment, van samenwerking, van kritische dialoog. Als the powers that be kiezen voor meer van hetzelfde, laat ons dan pleiten voor meer van iets nieuws.