De vraag of een dergelijke belasting rechtvaardig is wordt in een ander artikel onderzocht. Het is echter ook belangrijk na te gaan hoe dat toeval precies speelt, en of zo’n belasting, zoals verondersteld, inderdaad het gedrag van de belaste burger weinig of niet beïnvloedt.
Stel dat men u uitnodigt een kansspel te spelen. Voor een inleg van 80 eurocent mag u een dobbelsteen rollen. In ruil voor de inspanning van het rollen krijgt u het aantal ogen x 1 euro uitbetaald. Een goed voorstel? Zeker. U hebt niets te verliezen: zelfs als u een 1 rolt houdt u 20 cent over nadat uw inleg is in rekening gebracht, en u wint misschien wel €5.20.
Maar nu wordt het spel gewijzigd, en men heft een sterk progressieve belasting op uw brutowinst. Die is 0% als u een 1 rolt, 10% als u een 2 rolt, 20% voor een 3, 30% voor een 4, 40% voor een 5, en 50% voor een 6. Speelt u nog mee? Dit handige tabelletje toont hoe het resultaat verandert:
Uw bereidheid om te spelen voor een minimaal resultaat van 20 cent zou dezelfde moeten zijn, of het nu om het spel zonder belasting dan wel om het belaste spel gaat. De nieuwe belasting reduceert uw maximale winst met meer dan de helft van €5.20 naar €2.20 (en een 6 levert hetzelfde resultaat op als een 5), maar dat zou geen verschil mogen maken. De sterk progressieve belastinging, die de inkomensspanning vermindert van 26 naar 11 (en de Gini coëfficient van 0.36 naar 0.25) zal dus geen invloed hebben op de bereidheid tot spelen.
Zou dat ook het geval zijn in de echte economie? In het spel doet elke speler exact hetzelfde, namelijk een teerling rollen. Het netto resultaat is, eens men heeft gerold, letterlijk het gevolg van een aleatorisch fenomeen. De echte economie is echter niet zo eenvoudig: mensen doen immers niet allemaal het zelfde.
GOUD IN DE GROND
Laten we een maatschappij beschouwen waarin alle inkomen voortspruit uit het opdelven van gouden munten die op diverse willekeurige plaatsen begraven zijn. Iedereen krijgt op zijn 18de een spade waarmee hij die kan opgraven. De meesten werken in loondienst: ze graven elke weekdag van 9 tot 5, en in ruil daarvoor krijgen ze één goudstuk per week – voldoende om redelijk van te leven, maar verder niets bijzonders.
Men kan er echter ook voor kiezen voor eigen rekening te werken, in de hoop meer dan één gouden munt per week op te graven. Dat is precies wat een aantal onder hen doet: sommigen daarvan hebben ‘pech’, en graven soms 2-3 weken zonder dat ze iets vinden. Maar sommigen hebben ‘geluk’ – of misschien hebben ze wel een manier ontdekt waardoor ze, door bijvoorbeeld de topologie van het terrein te bestuderen, beter dan gemiddeld worden in het bepalen van waar met succes kan worden gedolven. Daarnaast zijn er ook zij die een meer efficiënte manier van werken hebben ontwikkeld, of die een betere spade hebben gemaakt. En tenslotte zijn er diegenen die gewoon een stuk sterker zijn dan de gemiddelde mens, of die meer uren werken dan 40 uur per week. Allemaal kunnen ze vele keren meer terrein omspitten dan iemand die op de standaardmanier te werk gaat, en zij halen dus typisch per week een veelvoud aan munten op.
Is het verschil tussen wie werkt in loondienst tegen een goudstuk per week, en wie alleen werkt een kwestie van toevalsfactoren? Absoluut: de bereidheid om het risico te lopen solo te gaan, het vermogen om een meer productieve graafmethode of een efficiëntere spade te ontwikkelen, of het inzicht om het terrein te lezen zijn elementen van genetisch of educatief toeval. Maar net zoals een loterijwinnaar een lot moet kopen om van dat gelukkige toeval te genieten, zo ook moeten deze solo-artiesten werkelijk de stap zetten – de risico’s nemen, de inspanningen leveren om nieuwe methodes en werktuigen te ontwikkelen. Zonder deze weloverwogen stappen zou al dat toevallige geluk tot niets leiden.
Natuurlijk zijn er ondernemers die niet succesvol zijn: zij durfden weliswaar de stap naar een solo-operatie te zetten, maar hebben niet de gelukkige genen om meer productief te gaan werken, of hadden gewoon tegenslag en gingen voortdurend op die plaatsen aan het graven waar niets in de grond zat. Die pechvogels zullen van minder dan een goudstuk per week moeten leven.
Dit argument wordt wel eens gebruikt om het toevalseffect in de verf te zetten: velen zijn geroepen, weinigen zijn uitverkoren. Voor elke ondernemer met het succes van Marc Coucke, zijn er veel meer die met moeite het hoofd boven water kunnen houden. Maar wie dit argument gebruikt lijkt een essentieel gegeven over het hoofd te zien: ook al is ondernemen geen voldoende voorwaarde om succes te hebben, het is vaak wel een nodige voorwaarde. Hoeveel geluk men ook heeft, wanneer men er voor kiest een gewone werknemer is een toevallig miljoeneninkomen zeer onwaarschijnlijk.
GELIJKHEID VOOR IEDEREEN, OOK VOOR ONDERNEMERS?
Hoe dan ook, men kan niet om het toeval heen – noch bij onze gedachtenexperimentele kuilengravers, noch in de echte wereld. Een sterke solo-graafwerker kan met dezelfde inspanning als een zwakkere een hoger inkomen verwerven. Dat is dus dank zij de genen die hij toevallig meekreeg, en daaraan heeft hij ‘geen verdienste’. Het belasten (en herverdelen) van dat inkomen zou dus geen gevolg mogen hebben op de geleverde inspanning – zoals het eerste gedachtenexperiment suggereerde.
Wat zou er gebeuren mochten we dat hier toepassen? Stel dat we het surplus inkomen van de succesvolle ondernemers grotendeels zouden weg belasten en verdelen over alle burgers. Iedereen geniet zo mee van de inventieve en productieve activiteit. Maar we ontnemen zo natuurlijk ook de prikkel om het alleen te proberen. Dat een ongewenst effect – het otmoedigt ondernemen (en dus de bron van dat surplus in de eerste plaats).
Wat als we enkel diegenen beschouwen die gelijk zijn in hun keuzes, en enkel herverdelen onder ondernemers? Marc Couckes buitengewone winst zou dan worden gespreid over het grote aantal minder fortuinlijke ondernemers.
Maar wat motiveert een ondernemer? In het gedachtenexperiment is er aan de ene kant de verlokking van een veelvoud aan opgegraven goudstukken, maar anderzijds is er het risico dat er wekenlang niets uit de grond komt. Wanneer we aannemen dat ondernemers handelen in overeenstemming met hun revealed preference, dan compenseert het eerste het laatste in hun ogen. Een extreme versie van dit fenomeen is dat van de ‘winner takes all’ wedstrijden zoals XPRIZE, die geen gebrek aan deelnemers kennen. Daarin worden grote hoeveelheden geld, tijd, bloed, zweet en tranen geïnvesteerd, in de hoop op de prijs. De econoom Tim Harford toont zich in zijn boek Adapt een pragmatisch voorstander van dit soort arrangement om motivatie om te zetten in innovatie.
Wanneer men de upside vermindert om de downside te compenseren verstoort men dat spanningsveld, en komt men terecht bij een situatie die weinig of niet verschilt van loondienst: een laag risico, en een gemiddeld inkomen. Weinig aantrekkelijk dus voor would-be ondernemers.
HET ZIT HEM IN DE MARGE
Niet alle toploonverdieners zijn ondernemers natuurlijk. Ook bij gewone werknemers die een toploon verdienen speelt het toeval een rol: voetbal- of acteertalent, een cijfer- of talenknobbel, een aanleg voor onderhandelen of verkopen, sterke spieren of sterke zenuwen - ze zijn alle vormen van het genetische lot die de kans op succes verhogen. Daarnaast zijn er de toevalligheden van geboorte en opvoeding, en wat met een mooi Engels woord serendipity wordt genoemd: het pure, omstandigheidsgebonden toeval. Allemaal creëren ze kansen die iemand zonder dat geluk niet heeft. Maar ook hier komt het succes pas wanneer de kans daadwerkelijk wordt benut.
Hoe grijpt een belasting op toplonen in op het verzilveren van het toeval? Men bekijkt doorgaans het eindresultaat: iemand verdient, zeg maar, 2 miljoen – is het dan zo erg dat tweede miljoen voor bijvoorbeeld 80% te belasten? Daarvoor kijkt men beter naar marginaal inkomen en marginale inspanning. Dit laatste zoals overwerk, dat typisch tegen een hoger uurtarief wordt betaald dan normale werktijd, omdat een hogere waarde wordt gehecht aan die extra inspanning.
Inspanning is niet alleen een kwestie van gepresteerde uren (al zullen vele topverdieners in de industrie aanzienlijk langer werken dan de 34,89 urenweek van de gemiddelde Belgische werknemer), maar ook van extra verantwoordelijkheid, het opofferen van vrije tijd, nachten en weekends weg van huis enzomeer.
We kunnen al deze elementen vatten in ‘inspanningseenheden’. Stel dat een topverdiener er 100 nodig heeft om het eerste miljoen zelf te verdienen, en dat dit (zoals het geval is in België) belast wordt tegen een gemiddeld tarief van 50%. Het netto-inkomen is dus €500.000, of €5.000 per inspanningseenheid. Als het tweede miljoen wordt belast tegen 80% neemt zijn totale netto inkomen toe tot ‘slechts’ 700.000 euro (in plaats van 1.000.000 euro mocht het 50%-tarief blijven gelden) – toch nog een prima verloning. Maar is het aantrekkelijk om daarvoor de extra inspanning te leveren?
Dat hangt ervan af hoeveel extra inspanning. Als die even groot is voor het tweede miljoen als voor het eerste, dan is de totale inspanning 200 eenheden, wat neerkomt op een gemiddeld netto-inkomen van €700.000/200, of €3.500 per eenheid. Maar het marginale inkomen per eenheid is slechts €2.000: voor eenzelfde inspanning als voor het eerste miljoen is het inkomen dus maar 40%.
Als het extra miljoen gemakkelijker, dus met minder inspanning, wordt bekomen dan stijgt het marginale inkomen per eenheid, en wanneer er slechts 40% van de inspanning voor het eerste miljoen moet worden geleverd komt het op hetzelfde niveau.
Is het sop dan de kool waard? Bij overwerk wordt typisch een toeslag van 50% tot 100% gehanteerd – een werknemer verwacht dus de helft meer tot het dubbele voor een extra prestatie. De topverdiener die op dezelfde manier redeneert zou dus 7.500-10.000 euro per inspanningseenheid vereisen. In dit voorbeeld betekent het dat de motivatie voor een rationele topverdiener voor dat tweede miljoen te gaan snel verdwijnt naarmate de extra vereiste inspanning meer is dan 20-27% van die voor het eerste miljoen.
REALITY CHECK
Een superhoge belasting op toplonen lijkt redelijk: zelfs onderworpen aan een gepeperde tax is het resterende bedrag vele malen hoger dan een gemiddeld loon – zeker hoog genoeg om iemand die gewoon is aan een meer courant inkomen voldoende te motiveren.
Maar de voorstanders van een dergelijk fiscaal regime gaan wellicht wat makkelijk voorbij aan de realiteit zoals die ervaren wordt door wie van een hoog inkomen geniet. Zelfs wanneer toeval een rol speelt, zowel wat betreft de intrinsieke kansen (zoals genen en opvoeding) als wat betreft de aleatorische aspecten, moeten er keuzes gemaakt en inspanningen gedaan worden om die kansen te realiseren. Een hoge belasting betekent dat het maken van die keuzes, en het doen van die inspanningen, worden ontmoedigd.
Wat op het eerste zicht een belasting op toeval lijkt te zijn, is in realiteit een belasting op het verwezenlijken van kansen. Wie denkt dat het zwaar belasten van toplonen, omdat deze vaak het gevolg zijn van toeval, een maatregel is zonder nadelige effecten zou zich wel eens kunnen vergissen.