Zijn stelling is dat armoede het werkelijke probleem is, niet ongelijkheid, en dat we ons dus best wat minder met de rijken en de superrijken zouden moeten bezighouden, en wat meer met de armen: zij lijden immers omdat ze niet “voldoende” hebben, niet omdat anderen te veel hebben.
In zijn bespreking van dit boek ontwikkelt de econoom Robert Frank (die eerder ook in zijn boek The Darwin Economy het concept ongelijkheid behandelde) een opmerkelijke kritiek op de stelling van Frankfurt. Een praktisch niveau van welstand, het “voldoende” van Frankfurt, is volgens Frank een dynamisch gegeven, onderhevig aan een soort wapenwedloop. Het zijn vooral zij die bovenaan de inkomensladder staan die de afgelopen 50 jaar hun inkomen aanzienlijk hebben zien toenemen, en deze rijken hebben voortdurend grotere huizen gebouwd. Dat heeft het referentiekader voor de middenklassers veranderd, zodat dezen nu ook allemaal een groter huis moeten hebben – ondanks het feit dat ze niet beduidend meer verdienen dan vroeger. Ergo, aldus Frank, de ongelijkheid maakt het een stuk moeilijker voor de middenklassers een huis te bezitten dat “voldoende” groot is.
In het Engels kent men de uitdrukking ‘keeping up with the Joneses’ – het constante bijbenen van de familie Jones. Het is allemaal de schuld van de familie Jones: zij bepalen de normen waaraan de anderen zich meten. En als die normen omhoog gaan, zonder dat de middelen waarover de volgers beschikken dat doen, wordt het almaar moeilijk voor die volgers om “voldoende” te hebben.
Dus, zegt Frank, maak de belastingen een klein beetje meer progressief. Dan kunnen de rijkste families minder uitgeven aan grote huizen, en zullen de middenklassers minder druk ervaren om óók een groter huis te willen. Die kunnen zo makkelijker rond komen met hun stagnerende inkomen.
Het lijkt wat surrealistisch: is het ongelijkheidsprobleem werkelijk in hoofdzaak het gevolg van de drang naar een steeds groter huis, omdat de superrijken almaar grotere landhuizen bouwen? En zou een inkomstenbelasting die "een beetje meer progressief is" werkelijk die superrijken weerhouden om gigantische woningen te bouwen? Het valt te betwijfelen.
Een onvermijdelijke invloed
Dat betekent echter niet dat de invloed van de familie Jones verwaarloosbaar is. Iedereen laat zich beïnvloeden door de mensen in hun omgeving: naaste familie, buren, de andere ouders op school, collega’s. Dat kan inderdaad leiden tot de sociale druk die Robert Frank aanklaagt: als de buren ons trots hun nieuwe keuken tonen, dan lijkt die van ons – ook al doet ze nog prima dienst – plots verouderd en wat krakkemikkig. En als we dan ook een nieuwe keuken willen, dan is er meer inkomen nodig: er moeten meer uren worden gewerkt, of we moeten op zoek naar een beter betaalde job.
Maar aan die sociale druk van de familie Jones is niet te ontkomen. We kunnen ons niet afschermen van de mensen die ons omringen. Als sociale wezens streven we naar een zekere mate van conformiteit met de normen die gelden in onze omgeving. Dat is overigens niet enkel het geval voor het nastreven van uiterlijke tekenen van welstand – ook moreel superieure keuzes, bijvoorbeeld om Fair Trade producten te verkiezen, aan sport te gaan doen, of extra vakantiedagen te nemen in ruil voor minder loon kunnen het gevolg zijn van wat we de familie Jones zien doen.
Als het erom gaat te bepalen wat “voldoende” is voor wat economen het goede leven noemen, dan speelt de materiële invloed van de familie Jones ons wel parten natuurlijk. Het is aantrekkelijk dat goede leven te definiëren in absolute, stabiele termen – een dak boven het hoofd, eten op tafel, een vuur in de haard, een boek op de plank enzovoort. Maar als de meeste mensen een smartphone hebben, moet die dan ook niet worden toegevoegd aan de definitie van het goede leven? Die wordt dan onvermijdelijk relatief – net als de armoedegrens (die vaak wordt bepaald als 60% van het mediane inkomen). Vandaar dat men ook kan zeggen dat bijvoorbeeld wie arm is in de VS ‘rijker’ is dan sommige Europese middenklassers (in de grafiek toont de groene balk 60% van het mediane inkomen in de VS; de blauwe balken de mediane inkomens in de respectievelijke landen). “Voldoende” is niet alleen een relatief begrip, maar ook een dynamisch begrip.
De familie Jones, dat zijn wij zelf
Zouden we beter af zijn zonder die familie Jones, die met haar materiële verlokkingen de consumptiemaatschappij almaar verder aanwakkert? Moeten we hun inkomen beperken zodat ze ons niet langer kan verleiden tot keuzes die we eigenlijk niet willen maken?
Maar wíllen we die keuzes eigenlijk niet maken? Misschien liggen die invloeden die we aan de familie Jones toeschrijven wel binnen onszelf. Het streven ligt immers in de menselijke natuur (men kan zelfs zeggen in de natuur in het algemeen). We streven naar meer welzijn, meer comfort, meer zekerheid – niet enkel naar het goede leven maar naar een beter leven. Daarom hoeven we zelfs niet eens maximizers te zijn die altijd het beste willen; ook satisficers zien steeds mogelijkheden voor dat betere leven.
En dat betekent dat die familie Jones eigenlijk geen externe invloed is, die ons verhindert tevreden te zijn met “voldoende” en ons machteloos en hulpeloos drijft naar steeds meer. Het is integendeel onze eigen drang naar vooruitgang die ons, en onze medemensen, van de motivatie voorziet om steeds slimmer en productiever te werken. Die drang kan in sommige gevallen wat uit de hand lopen, en sommigen aanzetten tot onredelijke consumptiekeuzes. Maar zonder die invloed zou het hele concept van een beter leven niet kunnen bestaan, en zouden we zijn blijven stagneren bij wat, vele jaren geleden “voldoende” was.
Die familie Jones? Dat is ons beeld van onszelf in een beter leven.