Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Naïef en inadequaat

door Koen Smets
the thinker
Ik zit dan wel neer, maar ik ben zware mentale arbeid aan het leveren. (Pixabay)

Ben je het ooit met iemand oneens geweest, misschien over hoe inflatie werkt, of over hoe je een bepaalde zegswijze gebruikt? (Dat dacht ik al.) Zulke meningsverschillen gaan soms over voorkeuren: wijzelf vinden koffie misschien veel beter dan thee, terwijl onze beste kameraad net het tegenovergestelde denkt.

Maar bij een cruciale scheidsrechterlijke beslissing bij een plaatselijke voetbalderby die ons opzet tegen een collega, die voor het andere team supportert, gaat het niet om voorkeuren: ons standpunt is dan vanzelfsprekend objectief waar, en wie het met ons oneens is, is bevooroordeeld, verkeerd geïnformeerd of incompetent.

Dit fenomeen, naïef realisme, is een belangrijke reden voor hardnekkige conflicten, want het verhindert ons om een ander perspectief in te nemen. Recent onderzoek identificeerde een complementaire tendens, die zowel kan bijdragen aan naïef realisme als aan het voortduren van conflicten: de illusie van adequaatheid van informatie, de onjuiste overtuiging dat we voldoende informatie hebben om een situatie te begrijpen en goede beslissingen te nemen, zelfs als we cruciale kennis mankeren.

Beide zijn standaard uitgangspunten – het ene is dat wat we waarnemen en geloven de objectieve waarheid is, die we delen met alle intelligente individuen die te goeder trouw zijn. Het andere is dat we de onbekende onbekenden negeren, de uitdrukking die populair werd gemaakt door de Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld, verwijzend naar datgene waarvan we niet eens beseffen dat we ze niet weten.

Experiment in adequate informatie

In het onderzoek vroegen psycholoog Hunter Gehlbach en collega's deelnemers om een schoolbestuur te adviseren over de vraag of ze zouden moeten samensmelten met een andere school, of zelfstandig blijven bestaan. De hoeveelheid informatie die de deelnemers kregen, werd gemanipuleerd om de impact na te gaan op de waargenomen adequaatheid, op hoe ze hun eigen besluitvaardigheid inschatten, en op hoe dit hun aanbevelingen beïnvloedde.

De deelnemers kregen willekeurig een van drie versies van een artikel, waarin een school werd beschreven die te kampen had met watertekort, en moest beslissen om ofwel te fuseren met een andere school, ofwel geen actie te treffen en “te hopen op meer regen”. De controleversie was een volledig, evenwichtig stuk, met zeven informatie-elementen: drie argumenten vóór samensmelten, drie argumenten ertegen, en één neutraal element. Daarnaast was er een pro-fusie- en contra-fusieversie, telkens met enkel de corresponderende stukjes informatie en de neutrale versie.

school building
Fuseren of niet fuseren? Dat is de te maken aanbeveling. (George James/Pixabay)

Na het lezen van het artikel werd de deelnemers gevraagd om (a) de adequaatheid van de informatie die ze hadden ontvangen te beoordelen (hoe toereikend, relevant, geloofwaardig, en betrouwbaar was ze), en (b) aan te geven hoe competent ze zich voelden om een precieze (zorgvuldig overwogen, objectieve, evenwichtige) aanbeveling te doen op basis van de informatie die ze hadden ontvangen.

Vervolgens moesten ze hun aanbeveling geven (fuseren of niet), het percentage mensen dat hun keuze zou delen schatten, en aangeven hoeveel vertrouwen ze erin hadden dat hun aanbeveling de beste was voor het schoolbestuur. In beide interventiegroepen (die onvolledige informatie ontvingen) kreeg een subgroep vervolgens de 'ontbrekende' informatie, en de kans om hun aanbeveling te wijzigen.

De resultaten waren veelzeggend. In zowel de pro- als de contra-fusiegroep was de beoordeling van de adequaatheid van de informatie statistisch gezien gelijk aan die in de controlegroep (die het volledige artikel hadden ontvangen) – “vrij adequaat”, wat bevestigt dat men niet erkende dat er cruciale informatie ontbrak.

Dat was ook zo voor de beoordeling van de beslissingscompetentie: de deelnemers in de interventiegroepen vonden dat zij, net als die in de controlegroep, “vrij goed” in staat waren een goede aanbeveling te doen op basis van de (onvolledige) informatie. In de controlegroep koos 55% van de deelnemers ervoor de fusie van de scholen aan te bevelen, terwijl dit 88% was in de groep die het pro-fusie-artikel had ontvangen, en slechts 23% in de contra-fusiegroep, wat illustreert hoezeer onvolledige (en dus bevooroordeelde) informatie een aanbeveling kan beïnvloeden.

Alle groepen waren onderhevig aan het valse-consensuseffect – ze geloofden allemaal dat een meerderheid van de mensen het eens zou zijn met hun aanbeveling. Een laatste resultaat was dat de interventiegroepen significant meer vertrouwen hadden in hun aanbevelingen dan de controlegroep.

In de subgroepen die de extra informatie kregen die aanvankelijk ontbrak, bleef een meerderheid van de deelnemers bij hun oorspronkelijke aanbeveling, maar over het geheel genomen werd het nieuwe percentage pro-fusie statistisch vergelijkbaar met de controlegroep, wat suggereert dat initiële vooringenomenheid kan worden verminderd door de relevante extra informatie toe te voegen. Deze subgroepen vertoonden ook een reductie in het vertrouwen in hun aanbeveling, wat de hypothese ondersteunt dat deze hier had geleid tot overmoed.

De illusie doorbreken

De illusie van adequaatheid van informatie vergemakkelijkt niet alleen het vormen van onjuiste standpunten, maar zorgt er ook voor dat ze standhouden. Je ziet gemakkelijk hoe ze, samen met naïef realisme, kan leiden tot hardnekkige misverstanden en conflicten in alle facetten van menselijke interactie.

Is de bestuurder die niet meteen vertrekt wanneer het licht op groen springt (objectief gezien) een onoplettende sufferd, of is hij een attente gentleman die een moeder met een buggy en een tegenpruttelende peuter aan de hand (die aanvankelijk niet zichtbaar waren voor jou) veilig laat oversteken?

Als we een mening verkondigen over de zaak Lucy Letby, over de waarschijnlijke impact (of zelfs het bestaan) van klimaatverandering, over de oorzaken van inflatie, of zelfs over de beslissing van een scheidsrechter, is die dan echt zo goed mogelijk geïnformeerd?

Het is overigens niet alleen in situaties van onenigheid dat deze fenomenen schadelijk kunnen zijn, of op zijn minst lang niet optimaal. Stel je relatief ingrijpende keuzes voor, zoals beslissen of je met iemand zult trouwen, een nieuwe baan aanvaarden of een nieuwe werknemer in dienst nemen, een diagnose stellen bij een patiënt, of geld investeren.

De gevolgen van verkeerdelijk aannemen dat de informatie waarop we ons baseren adequaat is, gecombineerd met de overtuiging dat er een brede consensus rond ons besluit bestaat, en met meer vertrouwen erin dan echt gerechtvaardigd is, die kunnen best wel ernstig zijn.

Waarom zitten we eigenlijk opgescheept met deze potentieel zeer schadelijke neigingen? Een plausibele onderliggende oorzaak, waar ook de auteurs op zinspelen, is cognitieve efficiëntie – het feit dat we de neiging hebben om inspanning te vermijden tenzij dat echt nodig is (wat overeenkomt met de cognitieve vrek-theorie).

Dit is een evolutionair verdedigbaar fenomeen: ceteris paribus zullen organismen die zuinig omgaan met energie (fysiek of mentaal) meer succesvol zijn dan meer spilzuchtige organismen. Nagaan of ons perspectief wel degelijk overeenstemt met de werkelijkheid of met de consensus, en hiaten in onze informatie identificeren, laat staan ze opvullen, is mentale arbeid die we liefst ontwijken.

Deze twee fenomenen kunnen dan ook makkelijk onze neiging verklaren om 'vervelend' bewijsmateriaal te negeren, zoals in confirmation bias (we selecteren liever enkele tekenen dat onze visie correct is, dan op zoek te gaan naar tegenstrijdige evidentie), gemotiveerd redeneren (we verwerken informatie liefst op een manier die onze bestaande overtuigingen rechtvaardigt, en houden het daarbij) en wishful thinking (we redeneren het liefst naar conclusies toe die weerspiegelen waar we op hopen, en houden het daarbij).

Ze zouden bovendien ook overmoed (zoals aangetoond in het onderzoek) en de beschikbaarheidsheuristiek (het is makkelijker om meer gewicht te geven aan informatie die direct beschikbaar is dan om moeite te doen om het allemaal in detail uit te zoeken) kunnen verklaren.

We hoeven echter geen slachtoffer te zijn van deze neigingen, maar de uitdaging is wel dat ze inspelen op diepe instincten om te doen wat gemakkelijk is en wat zo weinig mogelijk inspanning vereist. Advies als “leer stil te houden en je af te vragen wat de ‘onbekende onbekenden’ kunnen zijn”, of "cultiveer een gevoel van nederigheid en nieuwsgierigheid” klinkt goed, maar is moeilijk te vertalen naar concrete stappen.

Misschien kunnen beide tendensen worden samengevat in één enkele, simpele vraag: “Wat mis ik hier?” Een manier om dit in gedachten te houden is een regelmatige herinnering in je agenda te programmeren die enkel deze vraag toont, als een soort mantra. (Niet zo frequent dat het je op de zenuwen gaat werken, maar vaak genoeg om ervoor te zorgen dat je de vraag echt stelt wanneer nodig).

We vinden het ook gemakkelijker om andermans redenering onder de loep te nemen dan die van onszelf, en dus kun je misschien met iemand anders samenwerken, en elkaars advocaat van de duivel zijn wanneer we een kritische blik nodig hebben. Je zou ook een specifiek gebied kunnen kiezen – bijvoorbeeld bij functioneringsgesprekken of projectplanning op het werk, of bij grote aankopen of relatieconflicten in je privéleven – waarvan je denkt dat je echt baat zou kunnen hebben bij meer evenwichtig en compleet redeneren.

Concentreer je dan op het opsporen van gevallen van naïef realisme en de illusie van adequate informatie, misschien met behulp van een korte checklist met suggesties zoals “Vraag ‘wat/waarom/wie nog meer?’”, “Speel advocaat van de duivel”, of "Maak een sterk argument voor de tegengestelde mening ”. 

En als je je echt moedig en gemotiveerd voelt, kan het een interessante oefening zijn om een controversiële (voor jou) kwestie te kiezen, te beginnen met alle punten op te sommen die je tegenstanders volgens jou missen aan jouw visie (dan kan niet moeilijk zijn), en dan een minstens even lange lijst te maken van wat jij over het hoofd ziet bij die van hen.

Hoe kan ik dit stukje anders afsluiten dan met de vraag: "Wat mis ik hier? ” (Antwoorden welkom in de commentaren!:-))

LEES OOK
Koen Smets 06-06-2025

Waarom irrationele beslissingen die kosten en baten omzeilen juist kunnen zijn

Is rationaliteit een zinvol begrip wanneer we voor- en nadelen niet kunnen kwantificeren?
scales thrown away
Koen Smets 18-04-2025

Het probleem met en zonder emoties

Emotie en gebrek aan emotie vullen elkaar perfect aan.
coffin
Koen Smets 31-01-2025

Vreugde en verdriet in botsing bij een dramatische bruiloft

Een onverwachte tragische gebeurtenis legt de essentie van besluitvorming bloot.
st teilo