Iets meer dan vijf jaar geleden, om middernacht op 31 januari 2020, verliet het Verenigd Koninkrijk formeel de Europese Unie, drie en een half jaar nadat het Brexit-referendum met een kleine maar beslissende marge had bepaald dat dit moest geschieden. Weinig gebeurtenissen in de geschiedenis van het land hebben ooit zoveel verdeeldheid gezaaid – het land was bijna gelijk gesplitst in 'Leavers' en 'Remainers'.
De Leavers konden niet begrijpen dat hun tegenstanders in een dominante, ondemocratische instantie wilden blijven, geleid door niet-verkozen bureaucraten die het VK verhinderden om in zijn eigen belang te handelen. De Remainers konden niet snappen dat de overkant een transnationale organisatie wilde opgeven, die sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog voor groei en welvaart had gezorgd door middel van frictieloze handel en samenwerking, voor inmiddels al meer dan 500 miljoen mensen.
Het was een gedenkwaardige beslissing, met vele niveaus van complexiteit. Toch was het voor de overgrote meerderheid van de kiezers een duidelijke, simpele keuze. Is dat niet vreemd?
Overweldigd door emotie
Het was natuurlijk vanaf het begin een emotionele kwestie. Intrigerend genoeg leek de houding van beide partijen verankerd in het begrip vrijheid. De Remainers waardeerden de kosmopolitische dimensie van het EU-lidmaatschap, met vrij verkeer van goederen, kapitaal en vooral mensen. Ze verafschuwden de nationalistische, isolationistische houding van de tegenpartij die hen van deze vrijheid zou beroven.
De Leavers walgden van wat zij zagen als de bureaucratische alomtegenwoordigheid van de EU (met hun regels over wat wel en niet als chocolade kon worden beschouwd of over de maximale zuigkracht van stofzuigers). Voor hen moest het VK zijn soevereiniteit terugwinnen (gesymboliseerd door de herinvoering – beloofd en later ook geïmplementeerd – van het blauwe Britse paspoort, in plaats van de bordeauxrode EU-versie), take back control en vrij zijn om zijn eigen wetten te maken.
Ze verachtten de onpatriottische houding van de “grootstedelijke elites” en de “burgers van nergens” (de term die toenmalig premier Theresa May hanteerde op het congres van de Conservatieve Partij in 2016), die op hen neerkeken als onwetend en xenofoob.
Voor velen was dit, of werd het al snel, een kwestie van identiteit: Remainers omarmden een Europese identiteit, Leavers voelden zich duidelijk niet-Europees en kwamen nadrukkelijk op voor hun Britse identiteit. Voor velen overtroefde dit de complexe gevolgen, zowel van blijven als van uittreden.
Wanneer beslissingen een zaak van identiteit worden, hebben we de neiging om alle consequenties te accepteren die onze keuze met zich meebrengt – denk maar aan “my country, right or wrong” – en alles wat in strijd is met ons gekozen standpunt weg te wuiven of te bagatelliseren. Beide kanten rationaliseerden zo moeiteloos hun keuze.
De Leavers stelden de EU verantwoordelijk voor het verlies van hun vroegere onafhankelijkheid en zagen uittreden als het pad naar herwonnen grootsheid. Voor de Remainers was EU-lidmaatschap, met gebreken en al, een onvoorwaardelijk goede zaak, en uittreden zou hen van hun identiteit beroven. Verliesaversie en optimisme-bias versus verliesaversie en status quo bias.
De keuze tussen blijven en uittreden had ook te maken met zowel materiële gevolgen als ideologische principes. De Remainers richtten zich op economische welvaart en internationale samenwerking, de Leavers op soevereiniteit en het besteden van middelen aan nationale belangen.
Zo'n mengeling van praktische en principiële overwegingen maakt het vergelijken van opties best moeilijk, zelfs als hun implicaties duidelijk worden aangegeven en uitgelegd. Maar dat was niet het geval. Het EU-lidmaatschap was, als status quo, weliswaar goed gedefinieerd, maar niet goed begrepen.
Wat uit de EU stappen werkelijk betekende, bleef zeer dubbelzinnig. De regering, die de Remain-zaak steunde, had nagelaten om zowel de leave-optie uit te werken als een kritische, evenwichtige presentatie van de remain-optie te presenteren, waardoor er een enorme kloof tussen de keuze en de uitvoering ervan ontstond.
De gevaren van het ongedefinieerde alternatief
Deze dubbelzinnigheid had twee ingrijpende gevolgen. Ten eerste vielen veel Leave-stemmers ten prooi aan wat we de Big Yellow Taxi denkfout zouden kunnen noemen (naar het liedje van Joni Mitchell waarin ze zingt You don't know what you've got till it's gone): ze gingen ervan uit dat de voordelen van het EU-lidmaatschap die ze waardeerden – zoals de vrijheid om met een minimum aan formaliteiten naar Europa te reizen – zouden blijven gelden, en enkel de nadelen zouden verdwijnen.
Ten tweede konden de Leavers, vanwege het gebrek aan concrete details over de vertrekoptie, allemaal hun eigen ideale versie van Brexit erop projecteren – en verwachten dat die werkelijkheid zou worden. Het was als een groep die ervoor kiest om een vertrouwd maar wat ondermaats café te verlaten zonder het eens te worden over waar ze dan wel heen willen gaan – om uiteindelijk buiten in de regen te staan ruziën over verschillende alternatieve bestemmingen, zonder duidelijk idee of die beter zouden zijn, of zelfs maar hoe er te komen.
Een recept voor teleurstelling, zoals een recente peiling illustreert, waaruit blijkt dat 28% van de Leave-stemmers Brexit als een mislukking beschouwt.
Terugkijken op dit historische besluit, negen jaar na het referendum, biedt inzichten die veel verder reiken dan politieke beleidsvorming. Binaire keuzes met het status quo als een van de opties scheppen namelijk inherente psychologische valkuilen.
Wanneer de andere optie enkel wordt gekaderd als 'niet het status quo', wordt ze een magneet voor alle misnoegdheid over de huidige situatie, wat dan weer aanzet tot impulsieve oordelen gebaseerd op emotie in plaats van analyse. Dit effect wordt nog versterkt als de opties overeenkomen met tegengestelde identiteiten.
Emotie is nochtans niet de vijand van goede beslissingen – zonder emotie kunnen we immers niet bepalen wat belangrijk voor ons is. Maar zonder concreet inzicht in kosten en baten werken onze emoties in een vacuüm. Vage streefdoelen als alternatief mogen dan politiek opportuun zijn en minder moeite kosten om te verwoorden, maar ze nodigen uit tot projectie van onrealistische hoop en verwachtingen.
Dit patroon strekt veel verder dan Brexit: bij beleidshervormingen, bij bedrijfsreorganisaties of strategieherzieningen, en zelfs bij persoonlijke keuzes rond bijvoorbeeld carrière of romantische relaties. Ontevredenheid met het heden kan het zorgvuldig onderzoeken van alternatieven gemakkelijk wegduwen.
Het status quo mag nog zo onvolmaakt zijn, 'niet het status quo' omspant een oceaan van mogelijkheden – waaronder vele die een stuk erger zijn dan de huidige situatie. Zonder weloverwogen specifieke alternatieven lopen we het risico dat we in die gevaarlijke wateren terechtkomen.