Als je bent zoals de meeste mensen, zul je af en toe onder de douche wel eens een liedje uit volle borst zingen, of een gek dansje doen op wat de radio toevallig speelt als je alleen in de keuken bent. Zingen wanneer niemand luistert of dansen wanneer niemand kijkt, is geen probleem.
Maar voor een publiek, al is het maar één persoon? Ho maar! Niet dat we bang zijn voor fysieke of materiële schade, of dat we het schuldgevoel willen vermijden iemand anders schade te hebben toegebracht (er zijn geen gevallen bekend van mensen die medische hulp nodig hadden omdat iemand vals zong). Al wat het is, is dat we bezorgd zijn over wat anderen van ons zouden kunnen denken. Is dat niet vreemd?
Onbekommerd als vrij gevoel
Toch lijken sommige mensen onbezwaard door dit soort bekommernis, waar wij wel mee zitten. Misschien bewonderen we hen stiekem zelfs een beetje. Hoe komt het dat de meesten van ons er zo’n afkeer van hebben om onszelf bloot te stellen aan de (vermeende) kritiek of spot van anderen?
Een mogelijke verklaring is dat we bang zijn voor de onaangename emotie van gêne, de reactie op het besef dat we een sociale misstap hebben begaan. Het is een mildere vorm van schaamte – de emotie die we voelen na een ernstige morele overtreding – die evolueerde als een adaptatie toen onze voorouders in kleine gemeenschappen gingen leven.
Sociale cohesie en conformiteit aan de groepsnormen waren cruciaal voor hun succes en schaamte kon de nood aan dure handhaving drastisch verminderen, waardoor ze een evolutionair staaltje van sociale regulatie werd. Wanneer ze is geïnternaliseerd, is extern toezicht niet langer nodig en bovendien werkt ze preventief in plaats van reactief en schaalt ze automatisch mee met de sociale complexiteit. Samenlevingen die dit als regulerend systeem ontwikkelden, hadden zo een significant adaptief voetje voor.
Maar om effectief te zijn moesten schaamte en verlegenheid niet alleen een signaal naar de groep zijn van schuldbekentenis en boetedoening, maar ook een verdedigingsmechanisme tegen sociale devaluatie. Het anticiperen van schaamte motiveert ons om te vermijden informatie door te geven aan de groep die onze aanspraak op hun hulp en steun en onze reputatie als goed gemeenschapslid zou kunnen schaden – wat Wee en Sznycer de informatietheorie van schaamte noemen.
Maar dat werkt enkel wanneer we er ook echt om geven en het is precies die aangeboren zorg, gekoppeld aan ons zelfbewustzijn, die ervoor kan zorgen dat het als een keurslijf aanvoelt, vooral wanneer we – om welke reden ook – eerder risicomijdend zijn.
Dat is waarom we wat jaloers kunnen zijn op mensen die zich niets lijken aan te trekken van wat anderen denken, en waarom we dit vermogen zien als een superkracht – vooral wanneer ze wegkomen met het schenden van normen en zo uiteindelijk nog beter af zijn ook.
Er is iets onrechtvaardigs aan mensen die niet worden aangepakt wanneer ze zo handelen, of het nu een medestudent is die een taak door ChatGPT laat schrijven in plaats van dat zelf te doen, een collega die ongestraft seksistische of racistische opmerkingen maakt, een winkeldief die ongehinderd met gestolen iPhones naar buiten loopt, of een politiek leider die volgens Politifact, over 1.093 uitspraken gemaakt sedert 2011, 57% van de tijd onwaarheden of complete leugens heeft verkondigd.
Bekommernis is onze innerlijke stem die ons vertelt dat we beter iets niet kunnen doen wat ons in een kwaad daglicht zou kunnen stellen, en die twijfelachtig gedrag inperkt. Ze helpt ons onze reputatie te vrijwaren en verstevigt gedeelde morele limieten. De evolutie heeft wel haar klus nog niet helemaal geklaard, want niet iedereen vertoont dit vermogen.
Mogelijk komt dit doordat stammen in de oudheid erover bleven waken dat, als nu en dan iemand geboren werd met een verminderd gevoel van bekommernis om zijn reputatie of voor morele regels, die desgevallend op gepaste wijze werd gestraft. Het is duidelijk dat als te veel mensen zo zouden zijn, de samenleving zonder massale handhaving snel zou instorten.
Maar een klein aantal kan wel blijven bestaan, met niet meer als straf dan het oogrollen, mopperen en hoofdschudden van hun critici. Dat is niet het probleem van de evolutie – dat is ons probleem. Geven we daar genoeg om, om onze stem te laten horen en bij te dragen tot het beschermen van de normen?
Het tegenovergestelde van er niet om geven
Paradoxaal genoeg blijkt niet enkel het vermogen om er niet om te geven, maar ook het tegenovergestelde een superkracht. Veel mensen vinden het belangrijk om hun werk zo goed mogelijk te doen – in beroepen als verpleging of onderwijs, maar ook elders. Het streven naar uitmuntendheid van de legendarische platenproducer Rick Rubin is welbekend.
Zijn eigen werkethiek is zijn geheime wapen om de artiesten met wie hij samenwerkt hun comfortzone te doen verlaten en hun allerbeste prestatie te leveren (zo liet hij Johnny Cash als zeventiger Hurt van de industriële metalband Nine Inch Nails coveren). De toewijding van de visverkopers op de Pike Place vismarkt in Seattle, vereeuwigd in het boek Fish!, bij het inkopen van de best mogelijke vis, hem zo goed mogelijk panklaar maken, en hem op de meest enthousiaste manier verkopen, is exemplarisch.
En miljoenen mensen over de hele wereld doen het hen na – of ze er nu wel of niet voor betaald worden, en ongeacht of er iemand toekijkt. We bezitten allemaal die superkracht.
De positieve tegenhanger van schaamte is hier trots. Net zoals het anticiperen van schaamte ons ervan weerhoudt om op een dubieuze manier te handelen, zelfs meer dan de vrees voor nadelige materiële gevolgen van normoverschrijding, zo kan trots ons, onafhankelijk van enig materieel gewin, motiveren om onze uiterste best te doen.
Beide hebben echter ook een schaduwzijde. Net zoals we zonder echte reden te bezorgd kunnen zijn over wat anderen over ons zouden kunnen denken, kunnen we ook te veel begaan zijn met het leveren van perfectie. We kunnen zo toegewijd raken aan een project of aan onze baan, of zelfs aan een hobby of een goed doel, dat we er meer voor over hebben dan we zouden moeten. Niemand heeft op zijn sterfbed ooit verklaard dat hij liever meer tijd op kantoor had doorgebracht...
We bezitten beide superkrachten, maar we mogen niet de fout maken om te denken dat die absoluut zijn. De kwestie is niet zozeer of we ergens wel of niet om horen te geven, maar waar we meer dan wel minder om geven. Om slim met de paradox om te gaan moeten we hem zien als een kwestie van kalibratie.
Onze bekommernis wordt niet bepaald door onze persoonlijkheid, maar door de keuzes die we maken – en we kunnen onze eigen hiërarchie van bekommernissen bepalen.
Moeten we bijvoorbeeld op een huwelijksfeest wegblijven van de dansvloer om te vermijden dat iemand onze dansbewegingen stuntelig zou vinden? We kunnen zelf beslissen of we er meer om geven om plezier te hebben, dan om wat anderen zouden kunnen denken. We kunnen onszelf afvragen: “Waar zou ik meer spijt van hebben – proberen en falen, of niet eens proberen?”, of “Wiens respect waardeer ik werkelijk?”.
“Iemand zou kunnen denken...” is onvoldoende reden om ons tegen te houden. Selectieve bekommernis is adaptief: we moeten niet in gelijke mate begaan zijn met de mening van iedereen (dat is verlammend), noch met die van niemand (zo bekomen we enkel sociaal isolement).
Misschien is onze echte superkracht wel het vermogen om te bepalen wanneer we ergens om geven en wanneer niet, en wiens oordeel we echt belangrijk vinden. En als we er genoeg om geven wanneer mensen zich gedragen alsof ze geen schaamte kennen, dan kunnen we ervoor kiezen om hen aan de kaak te stellen, en zo ons steentje bij te dragen om iemand die de evolutie over het hoofd heeft gezien helpen zich aan de norm te houden – of het nu de president is, of een vriend in de kroeg.