Beeld je een politiek leider in die een geschenk van een buitenlandse regering aanneemt. Sommigen zullen dit zien als een belangrijke en zeker legitieme manier om relaties op te bouwen in het belang van het land. Anderen zullen het zien als flagrante corruptie. Is dat niet vreemd?
Van alle sociale wezens is de mens misschien wel de meest sociale. Het geheime wapen van vroege sociale diersoorten was dat de samenwerking de collectieve capaciteiten van een hele groep elk lid in staat stelden om effectiever en efficiënter te overleven, zich voort te planten en te floreren, waardoor ze beter aangepast waren.
Wij hebben die neiging tot collaboreren tot ongekende hoogten gebracht – zo goed als elk menselijk ondernemen berust op samenwerking. Maar in een wereld met schaarse hulpbronnen betekent samenwerking binnen een groep onvermijdelijk ook concurrentie met andere groepen om ervoor te zorgen dat aan de behoeften van de eigen groep wordt voldaan. Zo ontstond het concept van ingroepen en outgroepen.
Natuurlijk stammendenken
We plegen ons heel anders te gedragen tegenover leden van onze ingroep dan tegenover mensen die tot een outgroep behoren. Tenzij de eersten een duidelijke en ernstige bedreiging vormen voor de ingroep (of onszelf!) zullen we altijd geneigd zijn hen te steunen en te verdedigen, zeker tegen aanvallen van een outgroep.
Zo blijven we op goede voet met onze medegroepsleden, behouden we onze reputatie als betrouwbare partner waarop anderen kunnen rekenen, en verzekeren we ons zo van hun steun wanneer we die nodig hebben. Leden van de outgroep daarentegen zullen doorgaans met onze ingroep concurreren om dezelfde hulpbronnen, en we zullen in de eerste plaats steeds hun motieven wantrouwen.
In onze bijzonder complexe moderne samenlevingen maken we tegelijkertijd deel uit van tientallen overlappende sociale kringen, gebaseerd op intimiteit (familie, goede vrienden) of abstracte voorkeuren (politiek of cultureel), en op gekozen (beroep, hobby's) of toegewezen eigenschappen (nationaliteit, leeftijdsgroep), en nog veel meer.
Elke kring heeft zijn eigen dynamiek tussen ingroep en outgroep, en we stemmen onze interacties met anderen onbewust af op basis van het aantal ingroepen waartoe we beide horen. Hoe meer dit het geval is, hoe meer we geneigd zijn hen als vriendschappelijk en gelijkgestemd met onze waarden te beschouwen, en ons tegenover hen mild, tolerant en welwillend te gedragen.
Leden van outgroepen zien we daarentegen op zijn best als ongeïnteresseerd, oninteressant en dus irrelevant, of erger nog, als tegenstanders en rivalen, vijandig tegenover ons en onze belangen en waarden. Hen behandelen we eerder met onverschilligheid, scepsis, argwaan of zelfs regelrechte minachting.
Dit is zelfs het geval wanneer er geen sprake is van concurrentie om schaarse middelen: de rivaliteit is inherent aan het concept zelf van ingroepen en outgroepen. De Poolse psycholoog Henri Tajfel toonde aan hoe gemakkelijk initieel hechte groepen mensen diep verdeeld kunnen worden in twee groepen op basis van volstrekt triviale verschillen, zoals hun voorkeur voor het ene kunstwerk boven het andere, of hun mening over de vraag of een hotdog een sandwich is of niet.
En inderdaad, we verdelen mensen niet alleen in in- en outgroepen op basis van objectieve demografische kenmerken, maar we construeren ook meer idiosyncratische, subjectieve groepen (bijvoorbeeld mensen die slimme beslissingen nemen, die vriendelijk, egoïstisch, rebels of beleefd zijn; mensen die dingen doen die ik niet leuk vind; of zelfs mensen die dingen doen die ik niet leuk vind dat anderen doen, maar die ik wel zelf af en toe doe).
Deze categorisering gebeurt bijna onbewust en ontwikkelt zich verder naarmate we meer informatie over mensen vernemen. We sorteren voortdurend iedereen die we tegenkomen, op basis van hoe weinig we ook over hen weten, en weten intuïtief of ze bij ons horen (of net niet).
Het enorme aantal kenmerken – objectief en subjectief – dat we gebruiken om al deze verschillende groepen te definiëren, is opmerkelijk. Het illustreert hoe we zijn geëvolueerd vanaf het aanvankelijke perspectief van samenwerking, toen we alleen maar hoefden te weten of iemand bondgenoot of een bedreiging was – vriend of vijand.
We houden een buitengewoon uitgebreide mentale classificatie bij over wie onze smaak in muziek, onze werkethiek of ons gevoel voor humor deelt. Dit dient een dieper doel en helpt ons te voorspellen hoe mensen zich zullen gedragen in talloze toekomstige interacties.
Vooringenomenheid en moraliteit
Dit sorteermechanisme geeft ons een snelle manier om te bepalen hoe we best reageren op wat iemand doet of zegt, maar helaas kan iemands lidmaatschap van ingroep of outgroep ons oordeel danig vertroebelen. Onderzoek door Navon & Bar-Anan suggereert dat, bij gebrek aan individuele informatie, beoordelingen van iemand en hun handelingen weerspiegelen wat we weten over de groep waartoe ze behoren.
Zelfs wanneer er individuele informatie beschikbaar is, blijft groepsinformatie de beoordeling beïnvloeden. Dit geeft aan hoe moeilijk het is om het effect van groepsinformatie buiten beschouwing te laten. Verdere studies laten zien hoe deze vooringenomenheid zich uit in morele situaties.
Gedrags- en hersenbeeldvormingsonderzoek door Bo & Lihua wijst uit dat mensen een sterke voorkeur voor de ingroep vertonen bij het vormen van morele oordelen, vooral als de outgroep vergelijkbare kenmerken heeft als economische of sociale status, en dus als een bedreiging kan worden gezien.
Onderzoek door Telesca en collega’s toonde aan dat emotionele reacties op en prosociale intenties ten opzichte van “uitmuntende morele voorbeelden” consequent de voorkeur gaven aan leden van de ingroep (bijvoorbeeld zelfde geslacht, zelfde universiteit, zelfde nationaliteit.
Een studie door Bilancini en collega’s toonde aan dat er sprake was van voorkeur voor de ingroep in economische experimenten, vooral wanneer de groepen waren gevormd op basis van gemeenschappelijke morele voorkeuren (bijvoorbeeld opvattingen over abortus of de doodstraf), wat het idee ondersteunt dat morele verwantschap een wezenlijk element is in de dynamiek tussen ingroep en de outgroep.
Interessant genoeg nam de voorkeur voor de ingroep algemeen af wanneer de deelnemers werd gevraagd “het juiste te doen”, maar was er toch een aanzienlijk deel van de deelnemers waarbij de voorkeur voor leden van de ingroep integendeel nog sterker was. Dit suggereert dat sommige mensen het steunen van de ingroep als een overweldigende morele verplichting ervaren.
Waarom is deze morele invalshoek zo belangrijk? Een prominente context waarin de ingroep/outgroep-dynamiek zich afspeelt, is de politiek, en de ideologische keuzes die dit met zich meebrengt met betrekking tot beleidsvorming, bijvoorbeeld op sociaal gebied (immigratie, vrijheid van meningsuiting) en op economisch gebied (belastingen, herverdeling).
De standpunten die door politieke ingroepen en outgroepen worden vertegenwoordigd, hebben vaak een diepe morele betekenis, en het is niet overdreven om op te merken dat outgroepen soms als ronduit kwaadaardig worden beschouwd. Dit kan niet alleen ons vermogen om de acties van leden van de ingroep en outgroep op een evenwichtige manier te beoordelen ernstig misvormen, maar we kunnen ook in de verleiding komen om leden van de outgroep te straffen wanneer dat in onze macht ligt.
Dergelijk moreel geïnspireerd straffen kan inherent voldoening schenken, maar het is ook een krachtige manier om onze loyaliteit aan de ingroep te bevestigen en onze reputatie te verstevigen. In een gepolariseerde politieke omgeving is het deprimerend makkelijk om voorbeelden te vinden van dergelijke partijdige oordelen, en zelfs van daarmee samenhangend straffen.
Het verontrustende inzicht is hier niet dat we die vooroordelen hebben ten aanzien van ingroep en outgroep – onze voorouders hebben daar zeker voordeel uitgehaald. Het is dat we ons er vaak niet van bewust zijn dat we ze activeren, ervan overtuigd dat we objectieve morele oordelen vellen, terwijl we in feite dubbele maatstaven hanteren voor identiek gedrag, gebaseerd op ons beider sociale identiteit.
Dit is beslist geen adaptieve ontwikkeling. Integendeel, ze kan onze pluralistische, tolerante samenleving, waaraan we hebben gebouwd sedert de Verlichting danig ondermijnen. De eerste stap naar een meer evenwichtig oordeel is niet om deze neigingen te elimineren. Het is ervoor zorgen dat we onszelf erop betrappen wanneer we ze de bovenhand geven.
Dit stuk hoort bij de gastbijdragen De valse consensus van de democratie, dat een gelijkaardig fenomeen bespreekt, en Goedkope zekerheid, dat de onderliggende mechanismen voor beide onder de loep neemt.