Als je de wereldkaart met de democratie-index van de Economist Intelligence Unit bekijkt is het snel duidelijk dat ze geen meerderheid vormen. Minder dan de helft van de wereldbevolking leeft in een democratie. Zoom je echter in op West- en Midden-Europa, Noord-Amerika, en Australië en Nieuw-Zeeland, dan voldoen vrijwel alle landen aan de criteria, en hun bevolking staat over het algemeen positief tegenover de democratie: in de meest recente golf van de World Values Survey beoordeelt 83% van de respondenten (ook in niet-zo-democratische landen) 'een democratisch politiek systeem hebben' als zeer goed of redelijk goed. Toch wijst de ontwikkeling van de indices tussen 2006 en 2024 op een achteruitgang in heel wat landen: politici die democratische normen schenden, terwijl grotendeels democratiegezinde kiezers ze toch niet afstraffen bij de stembus. Is dat niet vreemd?
Geef de partijloyalisten niet de schuld
Veel partijloyalisten zijn inschikkelijk voor het wangedrag van hun eigen politieke leiders
Een voor de hand liggende reden waarom bepaalde politici met hun antidemocratische gedrag kunnen wegkomen bij mensen die zichzelf als democraat beschouwen, is partijpolitieke loyaliteit. Partijtrouw heeft doorgaans een sterke invloed op het oordeel van mensen, en veel partijloyalisten hanteren dubbele maatstaven: ze zijn inschikkelijk voor het wangedrag van hun eigen vertegenwoordigers en politieke leiders. Onderzoek – een conjoint-experiment dat testte hoe mensen de eigenschappen van verschillende kandidaten tegen elkaar afwegen – van Natasha Wunsch en collega's, uitgevoerd in Polen, stelt deze aanname echter ter discussie.
De onderzoekers identificeerden drie verschillende manieren waarop mensen de democratie plegen te begrijpen. Het liberale begrip omarmt het concept van een liberale democratie, gekenmerkt door pluralisme, machtsbeperking (checks and balances), en gelijke rechten en burgerlijke vrijheden voor alle burgers. Het meerderheidsgezinde begrip is gebaseerd op de bewering dat beleid dat door de meerderheid van de mensen wordt gesteund, per definitie democratisch en legitiem is, ook al staat het haaks op liberaal-democratische principes. Het autoritaire begrip ziet de legitimiteit van een politiek systeem geworteld in het vermogen om sociale orde en stabiliteit te handhaven – desnoods met geweld – met weinig of geen oog voor liberaal-democratische principes. Deze drie zijn geen pure democratische voorkeuren, maar houdingen die in verschillende mate aanwezig zijn bij elke burger.
Mensen die zichzelf als democraat zien, praten langs elkaar heen
Een van de opvallendste bevindingen van het onderzoek is dat iemands begrip van democratie maar in zeer beperkte mate wordt verklaard door zijn partijvoorkeur – slechts 3,51%, 2,75% en 1,48% van de variantie in respectievelijk liberale, meerderheidsgezinde en autoritaire begripsscores kan worden toegeschreven aan verschillen in partijpolitieke voorkeur. Zelfs binnen dezelfde partij kunnen mensen aanzienlijk verschillende opvattingen hebben over wat democratie betekent.
Deze bevinding verklaart verschillende verschijnselen die anders best wel mysterieus lijken. Hoe politieke aspecten zoals onafhankelijkheid van de rechterlijke macht worden waargenomen verschilt niet alleen naargelang het begrip van democratie, de interpretaties kunnen zelfs lijnrecht tegenover elkaar staan. Het liberale perspectief gaat bijvoorbeeld uit van partijoverstijgende consensus voor rechterlijke benoemingen. Het meerderheidsperspectief ziet deze als het recht van de meerderheid, en het autoritaire als het prerogatief van de leider van de partij die aan de macht is. Aanhangers van elk perspectief zien het gedrag van hun soort regering dan als de enige democratische optie, en het gedrag van de andere twee als uitdrukkelijk antidemocratisch.
We hoeven niet ver te zoeken naar voorbeelden van zulke definitiekwesties om ons heen – van de wetgeving rond "haatzaaien" in het VK (waar Lucy Connolly 31 maanden gevangenisstraf uitzit voor een tweet die zou hebben aangezet tot rassenhaat), en het ontslaan van hoge ambtenaren en militairen in de VS (sommigen zelfs aangesloten bij de regerende partij) tot het verbod op minaretten in Zwitserland of op boerkini's in Frankrijk. Als je bekend bent met de verschillende opvattingen over democratie, is het niet meer zo verrassend dat mensen die zichzelf als democraat zien langs elkaar heen praten, of dat beleidsbeslissingen rond bijvoorbeeld mediaregulering of het beperken van burgerlijke vrijheden vanuit verschillende gezichtspunten heel anders worden beoordeeld. Het lijkt misschien wel op kwade trouw (voorwenden democratisch te zijn) of hypocrisie (andere regels voor mij dan voor jou), maar deze kaders die mensen hanteren zijn werkelijk verschillend, en worden oprecht omarmd.
Verdeeld door een gemeenschappelijke term
Mensen die zichzelf als democraat zien, praten langs elkaar heen
De in-/uitgroepdynamiek ligt voor de hand en is zeer zichtbaar, maar wat tegen de intuïtie ingaat, is dat het onderliggende conflict niet gebaseerd is op partijpolitieke clustering, maar op verborgen verschillen in de definitie van een term die een waarde vertegenwoordigt die voor de meesten zo goed als heilig is. “Democratie” heeft voor iedereen een sterke positieve geladenheid, en we vinden het moeilijk te geloven dat niet iedereen ons begrip deelt – een schoolvoorbeeld van het valseconsensuseffect. Deze egocentrische bias werd voor het eerst beschreven door Lee Ross en collega's in 1977: we geloven dat óns begrip het juiste is, en alle weldenkende mensen scharen zich daarachter; wie dat niet doet, zit fout.
Terwijl de echte vraag is wat democratie betekent, richten we ons meestal op het hervormen van hoe democratie werkt
De overtuiging dat er maar één soort democratie bestaat – de onze – verklaart waarom oproepen om de "democratie te verdedigen" vaak falen. Wat de ene groep mensen ziet als een frontale aanval op de democratie, is voor een andere groep net wat democratie vereist. Om de zaken nog ingewikkelder te maken zijn mensen geen zuivere liberale, meerderheidsgezinde of autoritaire democraten. Ze hebben weliswaar een dominante neiging, maar kunnen tegelijkertijd sympathie hebben voor principes die bij een ander begrip horen – vooral als ze dat zien als iets wat een meer fundamenteel principe dient. Iemand met een meerderheidsgezinde neiging kan zo tegelijk ook best opkomen voor vrijheid van meningsuiting en pluralistische media, of iemand met een liberale neiging kan volhouden dat de rechten van transseksuele personen de vrouwenrechten niet met de voeten mogen treden. Tegelijkertijd wordt het duidelijk hoe deze onopgemerkte heterogeniteit, omdat ze dwars door partijpolitieke grenzen heen loopt, tot breuklijnen binnen partijen kan leiden.
Het bestaan van drie uiteenlopende begrippen van wat democratie inhoudt, vormt het grootste, ongeziene deel van de ijsberg van polarisatie, onder de zichtbare partijpolitieke verdeeldheid. Van alle voorbeelden van het valse consensus effect heeft er geen één een grotere invloed op onze samenleving: hier vormt het een geduchte hindernis voor politieke dialoog en voor het bereiken van consensus en compromis. En dus, terwijl de echte vraag is wat democratie betekent, richten we ons meestal op het hervormen van hoe democratie werkt: sleutelen aan verkiezingsprocedures (zoals alternatieve stemsystemen), of het beperken van campagnefinanciering. De oplossing voor de schadelijke effecten van polarisatie ligt niet bij de partijen en hun beleid, maar bij het erkennen en expliciet maken van de verschillende visies op democratie. Die zijn misschien wel moeilijk te verzoenen, maar als we ze niet erkennen, maken we sowieso geen schijn van kans.
Dit stuk hoort bij de gastbijdragen Groepsmisvorming dat een gelijkaardig fenomeen bespreekt, en Goedkope zekerheid, dat de onderliggende mechanismen voor beide onder de loep neemt.