Afgelopen zaterdag was het weer zover: de zomersoiree van mijn pianoleraar, waar deze keer veertien van zijn leerlingen een stuk zouden spelen waar ze maanden op hadden zitten oefenen. Ik ben een vaste gast op deze bijeenkomsten, maar toen ik sprak met enkele nieuwkomers, wekte hun nervositeit – die rare mengeling van opwinding en angst – een gevoel in mij dat na al die jaren nog steeds springlevend blijkt.
Het deed me denken aan een boeiende Zweedse korte film, Ten meter tower. Mensen van alle leeftijden, die zoiets nog nooit hadden gedaan, kregen 30 dollar om van de 10-meter duikplank te springen. Het is fascinerend om te zien hoe ze aarzelen, terugdeinzen, twijfelen, weer naar de rand komen en uiteindelijk wel of niet springen. Net als de newbies op de piano-avond hadden zij er bewust voor gekozen, vol goede moed om een prestatie te leveren, totdat de werkelijkheid tot hen doordrong en ze hun oorspronkelijke beslissing in twijfel trokken. Is dat niet vreemd?
Angst voor... ja, waarvoor eigenlijk?
Dit is niet iets wat de betrokkenen nooit, voor geen goud ter wereld zouden doen. Het zijn keuzes die aantrekkelijk genoeg zijn om voor- en nadelen af te wegen, en ervoor te gaan. Maar dan gebeurt er iets waardoor we gaan aarzelen. Niet de vooruitzichten zijn veranderd, wel onze perceptie ervan. Wanneer we denken dat we rationeel overwegen, bekijken we immers zelden de werkelijke kosten en baten van een beslissing: we beschouwen onze perceptie ervan. En naarmate we dichter bij het moment van de waarheid komen, verandert onze perceptie van kosten en baten, en bekruipt ons een verlammende angst.
Angst is een van onze oudste en krachtigste emoties: een waarschuwingssignaal dat ons helpt onheil te voorkomen en ervoor zorgt dat we overleven. Hij ontwikkelde zich lang voordat er sprake was van redeneervermogen, en daardoor voelen we vaak angst zonder een precies idee waarvoor we nu eigenlijk bang zijn. De vrouw op de duikplank die weifelt en "Ik heb er de moed niet voor" mompelt illustreert de viscerale, oerinstinctieve en ongespecificeerde aard van angst, net als de vage benauwdheid die mijn medestudenten en ik voelen wanneer we ons plekje aan de piano innemen.
Voor onze voorouders sloeg de angst toe wanneer ze oog in oog stonden met een levensbedreigende situatie, en die intuïtie hebben we nog steeds – eerst je hachje redden. Angst voelen volstaat om onze vluchtreflex in te schakelen en ons uit de gevarenzone te krijgen: hoewel niemand ooit heeft geweigerd om te spelen bij een pianosoiree, besluiten sommige duikers in de film de sprong niet te wagen en via de trap weer naar beneden te keren.
Angst is een van onze oudste en krachtigste emoties
We kunnen echter wel redeneren, en nauwkeuriger bepalen waar we zo bevreesd voor zijn. We kunnen bang zijn voor een plotseling opdoemend materieel verlies: zijn we echt klaar om te investeren in risicovolle fondsen die zowel kunnen stijgen als dalen, in plaats van op een alledaagse spaarrekening? We maken ons misschien zorgen om ons imago: zijn we wel bereid om onze reputatie op het spel te zetten voor het geval we jammerlijk falen en beseffen dat we lang niet zo bekwaam of moedig zijn als we dachten? En misschien zijn we bang om vrijheden op te geven die we als vanzelfsprekend beschouwden: zijn we wel gereed om avonden en weekenden thuis op te geven voor die nieuwe baan die veel zakenreizen vereist? Het is verliesaversie met een turbo.
Hoe komt het dat we deze angsten pas ervaren wanneer we op het beslissende moment zijn aanbeland? Wat ons ertoe aanzet te doen en wat ons vervolgens vertelt "Wegwezen! Niet doen!" verandert toch niet in de loop van de tijd? Wat wél verandert is ons gezichtspunt. Aanvankelijk zien we onszelf in de toekomst, of eerder een wat abstracte, geïdealiseerde versie, die door optimisme-bias wordt afgeschilderd als bekwaam, zelfverzekerd en klaar voor de taak.
Naarmate het moment van de waarheid nadert, verandert echter ons perspectief en transformeert ons toekomstige zelf in ons huidige zelf. Plotseling kan ons brein de belichaamde perceptie simuleren van de gevreesde gevolgen die we mogelijk gaan ervaren, waarbij het gebruik maakt van onze zintuigen, van levendige, realistische fantasie, en van koortsachtig redeneren. Dát is wanneer de specifieke bedreigingen de kop opsteken.
Als de keuze die we op het punt staan te nemen onomkeerbaar is, krijgt geanticipeerde spijt een extra duw in de rug
Het is ook wanneer een nieuwe speler ten tonele verschijnt, waarmee het overgrote deel van onze voorouders nooit te maken heeft gehad: (geanticipeerde) spijt, de cognitieve laag bovenop de emotionele angst. Onze emotie vertelt ons dat we beter spijt achteraf vermijden, terwijl ons verstand probeert uit te zoeken waar we spijt van zouden kunnen krijgen zodra we wel (of niet) doorgaan met onze beslissing. Als de keuze die we op het punt staan te nemen onomkeerbaar is, krijgt geanticipeerde spijt een extra duw in de rug: niet alleen kunnen we ons de onaangename gevolgen van onze keuze beklagen, maar we zullen ook de schade nooit meer kunnen herstellen.
We worden zelfs geconfronteerd met daadwerkelijke spijt: waarom stemden we toe om Bach’s tweestemmige inventie in a-klein te spelen, terwijl we toch heel goed wisten dat we er nog lang niet klaar voor waren? Waarom dachten we dat het leuk zou zijn om van een 10-meter plank te springen zonder ooit daarboven te zijn geweest om te checken hoe hoog het werkelijk is? Het terugkrabbelen zelf wordt nu het middelpunt van geanticipeerde spijt: we hebben een toezegging gedaan – al was het maar aan onszelf – en daarop terugkomen zou tot een aparte reeks mogelijke verliezen leiden. Het gevoel van verlamming wordt zo nog erger.
Een geraffineerde aanpassing
Zou deze push-pull-dynamiek een gewiekste evolutionaire aanpassing kunnen zijn? Onze aanvankelijke optimisme-bias maakt ons eerder geneigd om iets te proberen dan om passief te blijven zitten. Maar om al te dwaas gedrag te voorkomen, sluipt de twijfel binnen wanneer het punt waarna geen terugkeer mogelijk is nadert, waardoor de angst, als hij sterk genoeg is, het voor het zeggen krijgt. Maar die angst heeft een tegenwicht nodig: het vooruitzicht van het breken van onze toezegging – iets waar we ook bang voor zijn. Dit hele mechanisme, dat intelligentie en emotie combineert, lijkt wel ontworpen om ons uiteindelijk de juiste beslissing te laten nemen. Het zou mij niet verbazen als de evolutie daar inderdaad achter zat.
Door onze reactie in dergelijke situaties beter te begrijpen, kunnen we dit proces in ons voordeel gebruiken. We kunnen proberen de aanvankelijke optimisme-bias te temperen met een dosis realisme, door na te gaan waar we echt bang voor zijn. Enige tijd vóór het cruciale moment kunnen we zo de zaak meer beheerst bekijken en inschatten hoe waarschijnlijk en hoe ernstig wat er zou kunnen gebeuren werkelijk is.
Meesterschap betekent niet angst en twijfel elimineren, maar voorkomen dat ze onze keuzes beheersen
Omdat we ons onze angsten levendiger kunnen voorstellen en ze zowel rationeel als emotioneel onderzoeken, vermijden we er later te veel drama van te maken. Zo zijn we klaar om de angst recht in de ogen kijken en hem vlakaf te zeggen dat we wel doorhebben wat hij zinnens is.
We zijn overigens in goed gezelschap. De grote acteur Sir Laurence Olivier – van wie we toch mogen vermoeden dat hij het opperste zelfvertrouwen had in zijn kunnen – gaf in zijn autobiografie toe dat hij leed aan ernstige plankenkoorts, en backstage een braakemmer gebruikte voor heel wat vertoningen. Zelfs de grootste performers voelen angst en twijfel, maar meesterschap betekent niet ze te elimineren, maar te voorkomen dat ze onze keuzes beheersen.