De grote lijnen van het communicatierecht zijn voldoende bekend. De vrijheid is het uitgangspunt, maar moet worden afgewogen tegen andere fundamentele waarden zoals de privacy of het recht op eer en goede naam. Die beperkingen zijn geformaliseerd in de zorgvuldigheidsregels van het Burgerlijk Wetboek en in specifieke strafbepalingen, zoals het verbod op laster, belediging, smaad of belaging. De Grondwet laat het proactief censureren van informatie of berichtgeving niet toe, maar retroactief sanctioneren na openbaarmaking of verspreiding kan wel.
Het Wetboek van Economisch Recht (WER) bevat een reeks bepalingen die aan de communicatie over ondernemingen aanvullende beperkingen opleggen. De artikelen VI.104 en 105 van het WER impliceren een verbod tot ‘slechtmaking’ van een bedrijf. In de praktijk betekent dit dat denigrerende of kritische communicatie die de reputatie van een onderneming kan schaden verboden is, ook al is die informatie feitelijk correct.
De Grondwet laat het proactief censureren van informatie of berichtgeving niet toe, maar retroactief sanctioneren na openbaarmaking of verspreiding kan wel
De voorzitter van een ondernemingsrechtbank kreeg de bevoegdheid om een onrechtmatige marktpraktijk preventief te verbieden of te staken. Dat die bepalingen van toepassing zijn op bedrijven in hun onderlinge verhoudingen, lijdt geen twijfel. Maar of en in welke mate ze ook op (nieuws)mediabedrijven en hun journalistieke aanbod toepasselijk zijn, of nog op belangenverenigingen of middenveldorganisaties die een punt willen maken, ligt minder voor de hand.
Enkele recente gerechtelijke uitspraken bieden in één klap relevante casuïstiek. We beperken ons tot drie voorbeelden waarbij telkens een bedrijf een nieuwsmedium of middenveldorganisatie voor de ondernemingsrechtbank dagvaardde wegens vermeend onrechtmatige berichtgeving in de context van het WER. Telkens had de ondernemingsrechtbank of diens voorzitter zich uit te spreken over de vraag: gelden de economische communicatieregels uit het WER ook voor journalistieke verslaggeving in de media of rapportering door middenveldorganisaties en is de ondernemingsrechter dus bevoegd?
Is het antwoord hierop bevestigend, dan is volgende vraag: is voldoende aangetoond dat het nieuwsmedium of de belangenvereniging effectief gezondigd heeft tegen het WER? En wat zijn dan de maatregelen of sancties die hierop kunnen volgen?
École de Clerheid tegen RTBF
Begin 2026 werkte een RTBF-ploeg aan een reportage over de École de Clerheid, een opvangcentrum voor jongeren. Volgens diverse getuigenissen maakte de oprichter en uitbater zich schuldig aan de aanranding van minderjarigen, en daarover liep ook een strafonderzoek. De RTBF kondigde aan de reportage op 8 april 2026 uit te zenden in het programma #Investigation.
Dat was zonder de École de Clerheid gerekend. Die beriep zich op diverse artikelen in het WER om bij de voorzitter van de Franstalige ondernemingsrechtbank in Brussel uitstel van de uitzending te verkrijgen, tot na afloop van het gerechtelijk onderzoek. In afwachting daarvan mocht de RTBF evenmin andere informatie verspreiden over de uitbater van het opvangcentrum, over de vermeende slachtoffers of over medewerkers van het centrum.
Een vonnis van 8 april 2026 beschouwt de RTBF wel degelijk als een onderneming en daardoor is de RTBF onderworpen aan boek VI van het WER, ook voor haar journalistieke producten. De ondernemingsrechter is dus bevoegd. Maar omdat in deze zaak niet viel uit te maken of de verbodsbepalingen uit het WER effectief geschonden worden, is door de rechter beslist om de vordering tot staking af te wijzen. Zekere en precieze informatie over wat er in de reportage zou worden uitgezonden, ontbrak immers.
Bakai Bank tegen Open Dialogue Foundation
Open Dialogue Foundation (ODF) is een in Brussel gevestigde internationale stichting die opkomt voor democratie en mensenrechten, met een focus op de landen van het voormalige Oostblok. ODF ijvert voor strengere sancties tegen Rusland naar aanleiding van de inval in Oekraïne en klaagt de rol aan van landen en bedrijven die Rusland helpen bij het omzeilen van de EU-sancties. Ze drong er daarom bij de Europese autoriteiten op aan om de Kirgizische Bakai Bank te sanctioneren en ODF rapporteerde hierover in enkele artikelen op haar website.
Bakai Bank vorderde via de Brusselse ondernemingsrechtbank een verbod tot verdere publicatie van die artikels en eiste ook een uitvoerige rechtzetting via de publicatie van het vonnis op de website van ODF. Daarbovenop eiste de bank een schadeloosstelling van ruim 1 miljoen euro. Bakai Bank baseerde haar vordering op het verbod op misleidende communicatie en slechtmaking, zoals bepaald in de artikelen VI.104 en VI.105, 10° van het WER. ODF van haar kant betwistte de toepasselijkheid daarvan op het geschil.
In een vonnis van 30 maart 2026 beslist de ondernemingsrechtbank dat een stichting of ngo economische activiteiten kan ontwikkelen, en dat ODF als onderneming kan worden gekwalificeerd. ODF publiceert immers rapporten, doet aan lobbywerk en produceert als zodanig diensten. Bijgevolg is boek VI van het WER op ODF van toepassing.
Volgens de rechtbank zijn de aangevoerde artikelen uit het WER ook effectief geschonden. De rechters verwijten ODF “geen exhaustieve audit” van Bakai Bank te hebben gemaakt die had toegelaten de geformuleerde aantijgingen te objectiveren. De organisatie, heet het, beschikte enkel over wat statistieken en journalistieke bronnen. ODF had bovendien zelf toegegeven niet over informatie te beschikken die afkomstig was van Bakai Bank zelf.
De rechtbank merkt nog op dat van slechtmaking sprake kan zijn van zodra denigrerend over een andere onderneming wordt gecommuniceerd, zelfs al blijkt de informatie feitelijk correct te zijn. De betrokken ondernemingen hoeven ook geen concurrenten van elkaar te zijn, en kwade trouw is evenmin een vereiste.
Open Dialogue Foundation riskeert een dwangsom van 10.000 euro per dag wanneer ze het volledige vonnis niet boven hun homepage plaatsen
ODF is veroordeeld tot de publicatie, bovenaan de homepage van de website van ODF, van het volledige vonnis voor een periode van dertig dagen. Zonder commentaar van ODF zelf bovendien, onder dreiging van een dwangsom van 10.000 euro per dag dat niet voldaan zou zijn aan deze verplichting.
De eis tot schadevergoeding werd evenwel afgewezen, enerzijds omdat de verplichting tot publicatie van het vonnis optimaal kon volstaan als rechtzetting, en anderzijds rekening houdend met de sociale en humanitaire missie van ODF. Aanvankelijk lieten de rechters de oorspronkelijke artikels ook nog ongemoeid, maar in een vonnis van 26 mei 2026 werd dat bijgestuurd. Nu oordeelde de rechtbank dat ODF elke verdere publicatie van de onrechtmatig bevonden informatie moest staken, onder dreiging van een dwangsom 10.000 euro per dag vertraging. Tegen dit vonnis is door ODF beroep aangetekend.
Fundamentele vragen
Een toename van de grip van ondernemingsrechtbanken en het WER op de berichtgeving over bedrijven roept fundamentele vragen op. Het contrast met het gewone, burgerlijke regime voor foutaansprakelijkheid is immers groot. Daar veronderstelt het foutbegrip juist een zekere mate van feitelijke onjuistheid van de informatie, en dit in een causaal verband met de materiële of/en morele schade die moet aangetoond worden. Reputatieschade op zich volstaat hoegenaamd niet om tot aansprakelijkheid en schadeloosstelling te besluiten.
Voor de toepassing van het strafrecht ligt de bewijslast nog moeilijker, en geldt trouwens in de regel de bevoegdheid van het hof van assisen inzake strafbare uitingen via teksten die gedrukt of online openbaar zijn gemaakt. Bovendien is er de getrapte verantwoordelijkheid, waardoor de auteur of journalist van een artikel exclusief aansprakelijk is, en niet de uitgever of het mediabedrijf.
Het WER maakt bovendien de voorzitters van ondernemingsrechtbanken bevoegd om inbreuken op het wetboek te doen staken (artikel XVII.1/4). Het machtigt hen zelfs om marktpraktijken die onrechtmatig zijn te “verbieden wanneer zij nog geen aanvang hebben genomen, doch op het punt staan plaats te vinden” (artikel XVII.9 WER). In de zaak Bakai Bank/ODF leidde dat tot een stakingsbevel, en bevel tot publicatie van het vonnis op de website van ODF, zonder enige commentaar. Dat alles staat op gespannen voet met het verbod van overheidscensuur in de Grondwet en het recht op kritische berichtgeving over zaken van maatschappelijk belang.
Hoe het ook kan
Toch kan de toepassing van het WER vermeden worden. Zo had de burgerlijke rechtbank van Mechelen begin 2026 te oordelen over berichtgeving in de krant De Tijd en het magazine Knack met betrekking tot het technologiebedrijf Eanan. Dat in Dubai gevestigde bedrijf, geleid door een Belgische ceo, bleek namelijk betrokken te zijn (geweest) bij de productie van Russische drones.
De Mechelse rechter beschouwde de berichtgeving als ‘waarachtig’ en ‘degelijk onderbouwd’, ook al viel ze negatief uit voor technologiebedrijf Eanan en zijn ceo
Dronefabrikant Eanan en zijn ceo Ulrik Weckx dagvaardden de journalist van De Tijd en de uitgevers Mediafin en Roularta wegens ‘valse insinuaties’ en reputatieschade. Maar geen van hen werd door de Mechelse rechter aansprakelijk gesteld. De berichtgeving was ‘waarachtig’ en ‘degelijk onderbouwd’, ook al viel ze negatief uit voor het bedrijf en zijn ceo.
Eanan en Weckx hadden hun vordering behalve op artikel 1382 Oud BW, de Code van de Raad voor de Journalistiek, het misdrijf laster en de Europese dataverwerkingsrichtlijn AVG, gesteund op het verbod van slechtmaking in artikel VI.104 WER. Maar ook dat rechtsmiddel wees de rechter op 24 februari 2026 af. “Huidig geschil en de verweten fouten hebben geen betrekking op onrechtmatige mededinging tussen twee ondernemingen”, staat in het vonnis. “Een inbreuk op artikel VI.104 WER kan in voorliggend geval niet ingeroepen worden als rechtsgrond voor hun vorderingen tegen verwerende partijen.“
Respect voor pers- en uitingsvrijheid
Dit korte overzicht maakt zeker geen aanspraak op volledigheid. De drie vonnissen illustreren wel dat de toepassing van artikel VI.104-105 WER in combinatie met de bevoegdheden van de ondernemingsrechtbanken of hun voorzitter het risico inhoudt op misbruik van procesrecht tegen deelnemers aan het publiek debat.
De Anti-SLAPP-wet van 30 mei 2026 heeft uitgerekend de bedoeling om het toenemend aantal SLAPP’s in te dammen. Ondernemingsrechtbanken zouden daarom vorderingen gestoeld op het WER om kritische berichtgeving of commentaar te fnuiken moeten afwijzen. Minstens moeten ze de vorderingen wegens slechtmaking van een onderneming grondig evalueren met respect voor de pers- en uitingsvrijheid.
Idealiter gebeurt dat voortaan ook in de context van de Anti-SLAPP-wet van 30 mei 2026, zodat degenen die tergende of abusieve vorderingen instellen zelf kunnen veroordeeld worden tot schadevergoeding en volledige terugbetaling van de advocatenkosten van verweerders, mogelijk zelfs tot een geldboete van 25.000 euro.
Meer informatie op www.slapp.be.