Wanneer een mens sterft op het werk, is enkel sereniteit gepast; medeleven zonder veel woorden. Maar ondertussen is de politieke recuperatie stuitend, zeker verwijzend naar de dader, een Syrische vluchteling met een psychiatrisch verleden. Hoe begrijpelijk de emoties ook zijn, noopt het ons om dat onbegrijpelijke trachten te begrijpen. Veelal laait het debat tijdelijk op, in alle emotionaliteit, -de roep om bodycams en politie bij huisbezoeken door sommigen, maar ook de discours over een schijnbaar alomtegenwoordige agressie en zelf “ondankbaarheid en eisende houding van cliënten”- en gaat het weer liggen om over te gaan naar de orde van de dag.
Is dit tragisch overlijden dan voor niks? Met velen die zowel in de praktijk van het sociaal werk betrokken zijn, in opleidingen sociaal werk werkzaam zijn, alsook onderzoek doen, stellen we ons vragen over de afbraak van sociale correcties binnen onze huidige samenleving en de effecten daarvan op het dagelijks werk van terreinwerkers allerhande, die met de voeten in de modder staan, en huisbezoeken doen om nabijheid te creëren. Wat als zorg en nabijheid toenemend omslaan in controle van voorwaarden, zonder veel instrumenten om het individuele niveau te overstijgen?
Bespaar tot je erbij neervalt
Een maatschappelijk werker gewelddadig neersteken met de dood tot gevolg dwingt tot vragen stellen. Ook over het gangbare beleid. Op heel wat domeinen lijken besparingen de expliciete en impliciete regel. Dat iemand met herhaaldelijke opnames in de psychiatrie en met psychiatrische begeleiding zijn maatschappelijk werker neersteekt, moet alarmen doen afgaan over psychiatrische zorg en zogenaamde “vermaatschappelijking van de zorg”. Dat mensen zoveel mogelijk zorg en behandeling moeten vinden in de thuisomgeving, in plaats van in gespecialiseerde residentiële instituties, komt niet uit de lucht vallen. Er zijn gegronde redenen voor “de-institutionalisering” en “mobiele zorg”; toch als dat niet gebeurt met een besparingslogica voorop.
Vandaag wordt zowat het volledige sociaal werk, evenals andere basisdomeinen in onze samenleving, geconfronteerd met verregaande besparingen. Zowel op lokaal niveau als op Vlaams en Federaal niveau wordt er al jaren een besparingsbeleid doorgevoerd. Dat is ook merkbaar in beleidsdoelstellingen: niet “zorg” en “structurele analyse en hefbomen” domineren, controle en voorwaardelijkheid. De “voor wat hoort wat"-boutade klinkt op alle vlakken door. Kortgeleden schreven we nog een opinie rond besparingen op laagdrempelige initiatieven rond mentaal welbevinden van jongeren, het stuk werd door meer dan 2500 mensen getekend (Knack, januari 2025). Sprekend hoe vlug miljoenen worden vrijgemaakt voor een Europese oorlogsmachinerie, zelfs op Vlaams niveau, en hoe traag het wegwerken van een “wachtlijsten”-realiteit verloopt; of “wachtlijsten van de wachtlijsten”.
Institutionele effecten
Naast besparingen drijven ook die logica’s van controle en repressie het sociaal werk tot andere keuzes. We zien hierbij effecten van het uit elkaar spelen van organisaties die in concurrentielogica’s toch proberen te overleven. Hierbij wordt ook expertise en feiten met de voeten getreden. De enorme druk op korte termijn impact en de cherry picking op doelstellingenniveau zorgt voor een ontmenselijking van de zorg. Dat gebeurt vaak niet rechtstreeks in bv. afschermen van of reduceren van aanbod, maar ook onrechtstreeks via afschermen van de leefwereld.
In die zin zijn huisbezoeken noodzakelijk, maar ook beperkt. Je kan aansluiting vinden via huisbezoeken, maar ook de interne organisatie van sociaal werk als nabij en op maat van mensen moet bevraagd worden. Als sociaal werkers zich mee moeten inschrijven in controle en repressie, dan is dat geen sociaal werk meer. Sociaal werk heeft in die zin ook een opdracht om meer offensief te worden en duidelijker keuzes te maken langs welke kant het staat, langs de kant van de controle of langs de kant van de mens waarover het gaat. Dat wil niet zeggen dat dit eenvoudig is. Veel basiswerkers geven aan dat doelgroepen complexer zijn geworden en ook soms gevaarlijker.
Ook dat is deels een effect van de institutionele kant, hoofdzakelijk bepaald door beleidsmakers en hun politieke beleidskeuzes. Uiteraard krijgen we te maken met meer woede en mensen die gek worden, misschien is dat ook een logisch effect van de manier waarop we samen met mensen omgaan. Als je hulp nodig hebt en je wordt een nummer of je moet jarenlang wachten op hulp, of je hebt geen recht op hulp omdat je op de vlucht bent … dan stapelt frustratie en kwaadheid zich op. Zaken die versterkt worden door de tekorten aan middelen. We hebben talloze voorbeelden van ervaringen van mensen in de jeugdzorg, op de woningmarkt, op de vlucht en met psychische kwetsbaarheden. Ze ervaren vaak dat ze gedoemd zijn om te smeken tot er ergens iemand engagement neemt om hun vraag serieus te nemen. Als er dan ook meer en meer controle en repressie komt vanuit zorgsectoren, dan kan het bijna niet anders dan dat net degenen die nog proberen te verbinden en nog in contact willen komen met die groepen, geconfronteerd worden met die symptomen. De prijs van maatschappelijke ontbinding betalen we ergens samen.
Complexiteit van ‘individuele’ problemen
Zowat in alle aspecten van ons leven in het kapitalistisch systeem is een doorgedreven individualisme reeds ver doorgeschoten. Dat is gelinkt aan hoe we kijken naar elkaar als mensen en hoe we maatschappelijk vaak in afgezonderde cocon onszelf proberen redden. Die spanning situeert zich op de sociale as, hoe we samen leven en het sociale vorm geven, maar is gelinkt aan het grotere systeem waar de marktlogica, met bijhorende uitbuiting, uitsluiting en segregatie, de plak zwaait. Vrijwel alle aspecten van het mens zijn zijn geëconomiseerd. We geven enkele voorbeelden: het onderwijs staat vooral in teken van de markt, begeleiding van mensen staat vooral voor het herinschakelen in de arbeidsmarkt, zorg aan jongeren staat vooral voor voorbereiding op zelfstandig leven in de maatschappij en dus op het overleven in een markteconomie.
Om een analyse vorm te geven die recht doet aan wat gebeurt op het niveau van de leefwereld van mensen, dan is een verbinding noodzakelijk tussen verschillende niveaus die daarop ingrijpen. We kunnen globaal stellen dat iedereen vervreemd is van de bredere samenleving, alleen situeert zich een bijzonder grote ongelijkheid in de materiële effecten van die vervreemding. Mensen ‘aan de onderkant’ dragen de materiële effecten van het verhaal en reken hiertoe ook meer en meer de mensen die wel nog die zorg vorm geven. In die zin zijn meer en meer mensen die zich professioneel bezig houden met anderen die problemen ervaren, ook slachtoffer van een systeem dat deze sociale functie ziet als last, subsidieslurpers en een noodzakelijk kwaad. Het is op die spanning dat sociaal werkers zich situeren.
Individuele problemen bestaan eigenlijk niet. Zowel materiële condities als immateriële problemen op individueel niveau, zijn altijd van een sociale orde. Dat wil niet zeggen dat mensen niet bijzonder moeilijk, onvoorspelbaar en gevaarlijk kunnen worden. Er is altijd een sociale component. We zien echter dat er institutioneel vaak een strak en beperkte doelgroepomschrijving gebruikt wordt. Dat betekent dat je a priori dient te voldoen aan bepaalde voorwaarden om tot enige vorm van ondersteuning te komen. Zowel op gebied van materiële ondersteuning zoals voldoende inkomen of een degelijke woonsituatie, als op gebied van psychische ondersteuning zijn hierbij de toegangscriteria toegenomen. Dat betekent concreet dat mensen heel vaak in heel precaire leefsituaties terecht komen zonder hiervoor op een aansluitende manier hulp voor te krijgen.
Daarnaast is er een verregaande psychologisering in de sector. Deze heeft qua focus echter nog steeds een sterk individuele gerichtheid en dikwijls ook qua vormgeving een sterk verbale invalshoek. Bovendien schrijft deze zich perfect in in een marktlogica van verindividualisering van problemen die breder zijn dan het individuele niveau. Concreet hebben mensen die er gebruik van maken vaak grote noden, maar verandert er vaak niet zoveel in hun leefsituatie. Hiervoor is immers terug een collectieve, materiële invalshoek nodig, die alle mensen toegang tot voldoende en degelijke basisvoorzieningen biedt, en waar sociaal werkers samen met mensen op pad gaan en samen dingen opnemen, recht zetten en verbinding leggen met deelgenoten. In onderzoek met jongeren rond jeugdhulp en continuïteit werd dit aspect van engagement en samen handelen heel sterk duidelijk, alleen is dit steeds minder realiseerbaar als daarvoor geen tijd en ruimte meer is. Terwijl er ruim voldoende middelen - zij het extreem ongelijk verdeeld - zijn om die tijd, ruimte en beschikbare basisdiensten mogelijk te maken.
Conclusie
Er is een gemeenschappelijk engagement nodig om iedereen mee aan boord te houden. Iedereen die hier is, is van hier. Dat betekent ook dat er een diepgaande kentering nodig is waar we vooral terug verbindingen maken tussen leefwerelden van mensen en hierbij ook een zorgethiek hanteren die mensen erbij haalt, eerder dan uitsluit. Dat vergt ook een diepgaande systeemverandering. Het kapitalistisch systeem is ziekmakend. We hebben dan ook andere vormen van samenleven nodig die iedereen in eerste instantie als mens beschouwt en waarbij het marktdenken plaats maakt voor het vanuit de mens denken. In die zin kunnen sociaal werkers een bijzondere rol spelen omdat zij, samen met een grote groep vrijwilligers, vaak nog enige aansluiting vinden met de mensen in de meest kwetsbare situaties.
Tegelijk moeten we maar eens samen tegenover beleidsmakers duidelijk maken dat sociaal werk meer serieux en waardering verdient dan het krijgt en dat moet zich ook materieel vertalen in deftige lonen en werkingsmiddelen om dit werk voldoende goed te kunnen doen. Vakbonden roepen terecht op voor meer investeringen. De bijkomende vraag zou moeten zijn waarin we investeren. Naar beveiliging door twee sociaal werkers per bezoek te verplichten? Of ook naar hefbomen om mensen uit de bijstand te lichten? Indien veiligheid en controle in instituties voorop staat, dan benader je anderen a priori als gevaarlijk.
Kan volledig vermeden worden dat er risico’s zijn aan dit werk, we denken van niet. Maar we kunnen de balans wel fundamenteel verschuiven op alle niveaus. Dat is een pleidooi dat niet nieuw is en het is dan ook niet te verdragen dat iemand die deze zorg probeerde op te nemen sterft.