In de nasleep van de moord op conservatieve activist Charlie Kirk bleek hoe snel een enkele ingrijpende gebeurtenis de massa kan verdelen in felle voorstanders en even fervente tegenstanders. In het kamp van de opponenten zagen we, in de meest extreme gevallen, toejuichingen, maar ook rechtvaardigingen (“hij heeft het aan zichzelf te danken”), en selectieve (zo niet verzonnen) citaten die racisme en aanzetten tot geweld suggereerden.
In de nasleep van de moord op Charlie Kirk bleek hoe snel een gebeurtenis de massa kan verdelen in felle voorstanders en even fervente tegenstanders
Onder zijn bewonderaars ontstond al snel een martelaarscultus, waarbij velen overhaaste conclusies trokken over de identiteit en motieven van de moordenaar, en eisten dat respectloze commentaren over Kirk (vaak overigens bestempeld als leugens) werden gecensureerd, dat critici werden ontslagen en zelfs dat TV-programma's werden gecanceld.
Opmerkelijk genoeg werden beide kampen ervan beschuldigd de morele normen te schenden die ze kort daarvoor nog hadden verdedigd – de kampioenen van vrije meningsuiting probeerden critici van Kirk de mond te snoeren, terwijl de behoeders van de waarheid zelf grove desinformatie verspreidden. Is dat niet vreemd?
Meer dan gewoon gemotiveerd redeneren
Op het eerste gezicht lijkt dit misschien niets anders dan gemotiveerd redeneren, maar de uitingen ervan zijn zo specifiek dat er wellicht een diepere verklaring is. Beide kampen beroepen zich op morele rechtschapenheid, maar grijpen snel naar uitzonderingen op de normen en regels die ze hooghouden, om zo hun eigen handelingen te verdedigen.
Beide kampen beroepen zich op morele rechtschapenheid, maar grijpen snel naar uitzonderingen op de normen en regels die ze hooghouden
Voorstanders van onbeperkte vrijheid van meningsuiting bleken bereid strenge beperkingen op te leggen aan wat er over de gebeurtenis en over Kirk gezegd mocht worden, en eisten dat ongepaste inhoud werd weggehaald. Zij die desinformatie van de andere kant hadden aan de kaak gesteld, leken nu bereid uitspraken uit hun verband te rukken, ze tendentieus te interpreteren, en argumenten te suggereren die nooit waren gemaakt (en zelfs beweringen te verzinnen) om Kirks reputatie te besmeuren.
Ik geloof er vast in dat mijn lezers zich aan dit soort zaken beslist niet mee zouden doen, maar hebben we niet allemaal, misschien op kleinere schaal, diezelfde neiging om uitzonderingen in te roepen op de regels die we hoog in het vaandel voeren?
Ik steek alvast mijn hand op. De afgelopen jaren ben ik wellicht politiek een stuk minder vooringenomen geworden, maar mijn jongere ik was beslist niet onpartijdig in het beoordelen van politici. Als een regering waar ik sympathie voor had haar beleid uitvoerde door een beroep te doen op “bijzondere omstandigheden” zodat ze via volmachten de wetgevende bevoegdheden van het parlement kon overnemen, dan was dat prima voor mij; met een andere partij aan de macht was ik daarentegen fel gekant tegen zulke praktijken. Zo'n machtsgreep van de regering was voor mij zeker antidemocratisch... maar daarop maakte ik graag een uitzondering als het mij uitkwam.
Vanuit evolutionair perspectief lijkt zulk exceptionalisme wel aangeboren. Als kleine kinderen wedijveren we met onze broers, zussen en leeftijdsgenoten om status bij onze ouders en andere volwassenen (zoals leraren) – een door eigenbelang ingegeven poging om de middelen veilig te stellen voor onze overleving en welzijn (we zien iets dergelijks ook bij jonge dieren). Naarmate we stilaan de voordelen van samenwerking ontdekken en de regels leren die daaraan ten grondslag liggen, ervaren we de spanning tussen wat goed is voor de groep en wat goed is voor onszelf – en het claimen van uitzonderingen wanneer het ons uitkomt wordt tweede natuur.
Als kleine kinderen wedijveren we met onze broers, zussen en leeftijdsgenoten om status bij onze ouders en andere volwassenen
Dat "ik ben bijzonder" van het kind gaat naadloos over in "wij zijn bijzonder" als het gaat om 'ons' tegen 'hen' – 'ingroep' tegen 'uitgroep'. Exceptionalistisch denken biedt ons de perfecte verdediging tegen hypocrisie en legitimeert onze beweringen: de normale regels gelden gewoon niet voor ons als ze ons niet uitkomen. Psycholoog Albert Bandura beschreef hoe we onze morele integriteit in stand houden wanneer we inconsistent handelen, door onszelf ervan te overtuigen dat, in bepaalde contexten, ethische normen voor ons niet gelden (bekend als 'morele ontkoppeling'). Dit past perfect bij de exceptionalistische mentaliteit.
Alledaagse uitzonderingen
Politiek is misschien het domein waar dit het duidelijkst speelt, maar het fenomeen reikt veel dieper. Dezelfde mentale capriolen die het ons mogelijk maken misstappen van onze politieke bondgenoten goed te praten, terwijl we tegenstanders voor precies dezelfde daden afkraken, komen algauw tevoorschijn wanneer we mensen indelen in ‘wij’ en ‘zij’. Een vreemde die vluchtmisdrijf pleegt, of dat vervelend joch uit onze straat dat winkeldiefstal pleegt, zouden we zonder aarzelen aangeven, maar onze eigen partner of kind?
Misschien pas nadat we er niet in zijn geslaagd hen over te halen zichzelf aan te geven, en na pijnlijk gewetensonderzoek. De collega die de promotie kreeg die wij graag hadden gehad, zouden we zonder meer melden bij HR voor het pesten van anderen; wanneer het om onze teamgenoot gaat die hetzelfde doet, wuiven we dat weg als 'gewoon werkstress'. Als we er niet bewust voor zorgen dat we het vermijden, hebben we de neiging "andere groepen te beoordelen op hun slechtste voorbeelden, terwijl we onszelf beoordelen op onze beste bedoelingen", zoals de voormalige Amerikaanse president George W. Bush zei in een toespraak na een schietpartij in 2016.
Zulk exceptionalistisch denken ontketent ons volledige arsenaal van gemotiveerd redeneren. We worden volleerde archeologen die selectief feiten opgraven die onze vooraf bedachte conclusie ondersteunen terwijl we lastige feiten begraven, en passen een geschikte filter toe op de karakteristieken van individuen of groepen. Wanneer directe feiten ons in de steek laten, wenden we ons tot creatieve interpretatie – we herkaderen wat iemand 'echt bedoelde' of herdefiniëren morele concepten zoals leugens en misdaden zodat ze passen bij onze positie. We gebruiken zelfs schaamteloos regelrechte denkfouten, bijvoorbeeld wilde veralgemeningen over groepen die we niet mogen, terwijl we het meest laakbare gedrag van onze eigen kant beschouwen als niet-representatieve uitzonderingen.
Uitzonderingen zijn onze manier om met de fundamentele spanning tussen onze individuele belangen (en die van onze ingroep) en de bredere belangen van anderen om te gaan, de spanning tussen het partijdige en het principiële – niet alleen tussen mensen, maar ook binnen onszelf. Wanneer we ons bedreigd voelen, komen ze tevoorschijn. Regels kunnen best legitieme uitzonderingen hebben: hulpdiensten mogen de verkeersregels overtreden, vrijheid van meningsuiting omvat niet het recht om 'Brand!' te roepen in een volle bioscoop, en ouders mogen de privacy schenden wanneer het om de veiligheid van hun kinderen gaat.
Uitzonderingen zijn onze manier om met de fundamentele spanning tussen onze individuele belangen en de bredere belangen van anderen om te gaan
Maar helaas is disfunctioneel exceptionalisme nooit ver weg. We maken allemaal momenten mee waarin onze uitgesproken waarden botsen met onze groepsloyaliteiten, waarin ‘het juiste doen’ iemand die ons dierbaar is zou schaden. De uitzonderingen die we op deze momenten inroepen tonen onze werkelijke prioriteiten duidelijker dan om het even welke hoogdravende missie-verklaring.
Deze neiging valt niet echt te elimineren – ze zit te diep verankerd in onze sociale psychologie. Maar het herkennen van onze exceptionalistische impulsen wanneer ze opkomen geeft ons wel de kans om te pauzeren, en onszelf af te vragen of we een uitzondering maken omdat de situatie het werkelijk rechtvaardigt, of omdat het ons of onze groep goed uitkomt. Dat moment van zelfinzicht is misschien het dichtst dat we bij echte onpartijdigheid kunnen komen.